De wonderkuil en kwakkuil

Volgens het Algemeen Handelsblad van 1 april 1885 voeren er minstens 1000 vissersboten op de Zuiderzee, waarvan 110 boten uit Harderwijk. Zij visten van november tot en met april op haring met een sleepnet. Dat is een schakelnet, met zulke wijde mazen, dat de volslagen grote haring er precies in past. Er komt enkel grote spiering mee als bijvangst. Vooral op het laatst van maart begin april komt er veel haring naar de Zuiderzee. Die is dan kuitziek. Niet voor niets wordt de Zuiderzee wel de kraamkamer genoemd. Ze trekken in grote scholen en worden dan ook gevangen in Zegens en fuiken. Het gebeurt wel dat er zoveel gevangen wordt, dat de haring voor mest op het land wordt gebruikt. De Zuiderzeeharing is niet geschikt voor het kaken, maar wordt verwerkt tot bokking (warm gerookt) en bakbokking (licht warm gerookt). Dit is de reden waarom er zoveel rokerijen langs de Zuiderzee liggen.

In begin mei komt de ansjovis in de Zuiderzee, familie van de haring (net als de sardine). De ansjovisvangst duurt tot eind juni of half juli. Tot aan 1883 toe meende men dat de ansjovis niet anders dan met een kuil gevangen kon worden, maar in genoemd jaar zijn er te Urk proeven gehouden met goed gevolg, om de ansjovis in schakelnetjes te vangen, die aan ankertjes bevestigd, in zee worden uitgezet. De kuil is een dicht net, met zou ook kunnen zeggen een schepnet, wat tussen twee schepen gespannen wordt, die er snel mee voor de wind afzeilen en zo schept de kuil alles op wat er voorkomt. Men noemt deze kuil dan ook wel de wonderkuil vanwege de grote vangst maar ook de moordkuil, omdat miljoenen kleine visjes op deze manier van vissen vernield. Het kuilvissen gebeurt met de wat grotere schuiten. De kleine boten doen in die tijd goede zaken met bot, omdat die dan zeer duur is.

Na de ansjovis worden de kuilen opgeborgen. Alleen een paar Amsterdammers en Durgerdammer botters vissen door met de kuil op spiering. De andere vissers vissen na half juli tot eind oktober op bot en anderen op paling. De bot wordt gevangen met sleepnetten en ook met staande of zijdenetten. De paling met kubben. Het botsleepnet heeft grote mazen en vangt alleen grote bot. Het staande bot net is een schakelnet met wijde mazen dat wordt in zee uitgezet en blijft een nacht staan voor het wordt opgehaald. De palingkub is een dicht mandje waar de paling wel in, maar niet meer uit kan zwemmen. Voor aas heeft met garnaal of andere kleine visjes nodig. Die verkrijg men met een kuil niet tussen twee boten , maar met een schuit en wel dwarsweg de kuil langs zij. Men noemt dat met de dwarskuil vissen.

In Volendam maakt men van de ansjoviskuil een kwakkuil. Het net wordt dan anders gezet en met een schuit bevaren. Hij gaat een weinig door de grond en vangt veel paling en bot, maar van de kleinste soort. Verder garnalen en nest (kleinste vis)

www.henkvanheerde.nl/vollenhove