De voor de Zuiderzeevisserij gebruikte vistuigen zijn te verdelen in twee hoofdsoorten:
Tot het gaand want behoorden kuilnetten, sleepnetten, korren, de elger
en de zegen. De kuil was een trechtervormig net, dat door twee oorstokken aan
weerszijden werd opengehouden. Het achtereind of natie was dichtgebonden, zodat
de vis hier geen uitweg vond. De kuilnetten konden worden onderscheiden in
dwarskuil, kwakkuil en wonderkuil. De dwarskuil werd schuin achter het schip
aangesleept, waarbij het vaartuig tijdens het vissen dwars vooruit dreef. Met de
kwakkuil werd voornamelijk door Volendammers gevist. Het kuilnet sleepte recht
achter het schip (de Volendammer kwak) en werd opengehouden door twee bomen die
aan weerskanten van het schip uitstaken. De wonderkuil was een groter net, dat
door twee naast elkaar zeilende schepen snel werd voortgesleept. Omdat vooral de
wonderkuil veel ondermaatse vis meeving en ook het jonge broed vernietigde,
kreeg dit net ook wel de benaming moordkuil. De weerstand tegen de kuilvisserij,
met name tegen het doden van onvolwassen vis, is in het verleden heel wat keren
geuit.
De sleepnetten werden door twee schepen voortgesleept en bleven gedurende liet
slepen in verticale stand. De maaswijdte was afhankelijk van de soort vis die er
mee gevangen werd: men gebruikte haring-, ansjovis-, bot- en
spieringsleepnetten. Bij haring- en spieringsleepnetten hing de onderkant juist
boven de zeebodem. Het ansjovissleepnet werd vanaf de oppervlakte in zee
gehangen, omdat de ansjovis doorgaans hoog zwom. Bij het botsleepnet was op de
onderreep veel lood aangebracht, zodat deze door de modder getrokken kon worden,
waar de bot zich ophield.
De kor was een zakvormig net, dat opengehouden werd door een korstok met
korijzers of door twee aan de zijkant geplaatste borden. De schelpdierkorren,
die voornamelijk door de Wieringer vissers werden gebruikt, waren veel kleiner
en werden door een ijzeren beugel opengehouden.
De elger was een bladvormig getande ijzeren beugel, waarmee men de paling ving
die in de winter in de grond kroop. De vis raakte tussen de tanden beklemd en
kwam daardoor zeer gehavend en verminkt te voorschijn, hetgeen ertoe leidde dat
dit vistuig bij wet in l911 werd verboden.
De zegen was een zeer lang sleepnet, dat vanaf de wal met een boog rondom een
school vis werd geroeid en vervolgens dichtgetrokken. De ingesloten vis werd
verzameld in het diepe middendeel, de boezem of het kuilstuk.
Het staand want is onder te verdelen in staande haring-, ansjovis-,
bot- en spieringnetten, kubben, fuiken, kommen en hoekwant. De maaswijdte van de
staande netten werd bepaald door de soort vis waarvoor de netten gebruikt
werden. De i bleef met de kop achter de kieuwen in de mazen vastzitten. De
netten werden 't en rechte lijn uitgezet en waren aan elkaar gebonden tot repen
of perkjes. De staande netten voor haring- en ansjovisvisserij werden
voornamelijk gebruikt in gebieden met getijdenstroming, met name in het
noordelijk deel van de Zuiderzee. Door de uitvinding van het machinale
nettenbreien omstreeks l880 nam het gebruik van staande netten enorm toe. Vooral
voor de ansjovisvisserij, tot die tijd vrijwel uitsluitend beoefend door
beroepsvissers met de wonderkuil, betekende de invoering van de nieuwe netten
een grote verandering. De betrekkelijk eenvoudige methode van vissen, waarvoor
speciale kennis niet vereist was, en het voordeel dat staande netten ongeacht de
weersomstandigheden in zee konden blijven staan deed het aantal
gelegenheidsvissers geweldig groeien. Schippers, boerenknechten, arbeiders,
ieder die een boot had en zich een net kon aanschaffen probeerde mee te
profiteren van de ansjovisvisserij. De zee stond in de ansjovistijd (mei en
juni) zo vol dat voor de overige visserij en scheepvaart geen plaats meer
overbleef. Staande netten voor de botvisserij werden zijdenetten genoemd, naar
het gebruikte materiaal, en waren vooral in gebruik op ondiepe kustgebieden.
Deze netten werden tot op de bodem neergelaten, omdat de bot zich laag bij de
grond ophield. 's Winters gebruikte men staande spieringnetten die, als de
Zuiderzee bevroren was, door gaten in het ijs te hakken uitgezet konden worden.
Kubben waren klokvormige tenen korfjes om paling te vangen. Ze werden op of net
boven de zeebodem opgehangen aan een staak. Als aas gebruikte men gewoonlijk
garnalen, spiering of haringkuit, waardoor de paling werd aangelokt om door de
nauwe opening te kruipen. Een smal toelopend netje maakte de terugweg
onmogelijk. De visser kon door een stop aan de bovenzijde van de kub te
verwijderen de vangst eruit halen en het aas verversen.
Met fuiken werd vooral langs de kust gevist, op haring en paling. De scholen vis
werden langs wanden van netwerk, de schuttingen, naar de opening van de fuik
geleid. Haringkommen of -kamers waren een variatie op de fuikenvisserij. De
kamer werd gevormd door een langwerpige ruimte, afgezet met stokken en
schutwant, waar de vis op dezelfde wijze werd ingeleid als bij de fuiken.
Het hoekwant, dat voor paling- en botvisserij gebruikt werd, bestond uit een
stevige lange lijn met dwarslijntjes, met daaraan haken of hoeken, die van aas
werden voorzien. De hoekwantvisserij was zeer bewerkelijk. Nadat de lijnen waren
opgehaald, moesten ze worden schoongemaakt en ontward. De haken werden in
rijtjes op de zogenaamde spleten gestoken en konden daarna weer geaasd worden.
De haringvisserij werd voornamelijk met kuilen, sleepnetten, fuiken en reepnetten uitgeoefend. Ansjovis werd gevangen met staande netten, sleepnetten en wonderkuil. Voor de botvisserij werden zijdenetten, sleepnetten en hoekwant gebruikt. Op spiering viste men met kuilen en sleepnetten, 's winters onder het ijs met staande netjes. Garnalen werden gevangen met kwak- en dwarskuil en kor. Voor de palingvisserij gebruikte men kubben, fuiken, hoekwant, elger en kuil.