Vistuigen voor de Zuiderzee

De voor de Zuiderzeevisserij gebruikte vistuigen zijn te verdelen in twee hoofdsoorten:

  1. het gaand want, dat door een of meer schepen door het water werd voortgesleept,
  2. het staand want, dat in zee werd uitgezet en bleef staan of hangen.

Tot het gaand want behoorden kuilnetten, sleepnetten, korren, de elger en de zegen. De kuil was een trechtervormig net, dat door twee oorstokken aan weerszijden werd opengehouden. Het achtereind of natie was dichtgebonden, zodat de vis hier geen uitweg vond. De kuilnetten konden worden onderscheiden in dwarskuil, kwakkuil en wonderkuil. De dwarskuil werd schuin achter het schip aangesleept, waarbij het vaartuig tijdens het vissen dwars vooruit dreef. Met de kwakkuil werd voornamelijk door Volendammers gevist. Het kuilnet sleepte recht achter het schip (de Volendammer kwak) en werd opengehouden door twee bomen die aan weerskanten van het schip uitstaken. De wonderkuil was een groter net, dat door twee naast elkaar zeilende schepen snel werd voortgesleept. Omdat vooral de wonderkuil veel ondermaatse vis meeving en ook het jonge broed vernietigde, kreeg dit net ook wel de benaming moordkuil. De weerstand tegen de kuilvisserij, met name tegen het doden van onvolwassen vis, is in het verleden heel wat keren geuit.
De sleepnetten werden door twee schepen voortgesleept en bleven gedurende liet slepen in verticale stand. De maaswijdte was afhankelijk van de soort vis die er mee gevangen werd: men gebruikte haring-, ansjovis-, bot- en spieringsleepnetten. Bij haring- en spieringsleepnetten hing de onderkant juist boven de zeebodem. Het ansjovissleepnet werd vanaf de oppervlakte in zee gehangen, omdat de ansjovis doorgaans hoog zwom. Bij het botsleepnet was op de onderreep veel lood aangebracht, zodat deze door de modder getrokken kon worden, waar de bot zich ophield.
De kor was een zakvormig net, dat opengehouden werd door een korstok met korijzers of door twee aan de zijkant geplaatste borden. De schelpdierkorren, die voornamelijk door de Wieringer vissers werden gebruikt, waren veel kleiner en werden door een ijzeren beugel opengehouden.
De elger was een bladvormig getande ijzeren beugel, waarmee men de paling ving die in de winter in de grond kroop. De vis raakte tussen de tanden beklemd en kwam daardoor zeer gehavend en verminkt te voorschijn, hetgeen ertoe leidde dat dit vistuig bij wet in l911 werd verboden.
De zegen was een zeer lang sleepnet, dat vanaf de wal met een boog rondom een school vis werd geroeid en vervolgens dichtgetrokken. De ingesloten vis werd verzameld in het diepe middendeel, de boezem of het kuilstuk.

Het staand want is onder te verdelen in staande haring-, ansjovis-, bot- en spieringnetten, kubben, fuiken, kommen en hoekwant. De maaswijdte van de staande netten werd bepaald door de soort vis waarvoor de netten gebruikt werden. De i bleef met de kop achter de kieuwen in de mazen vastzitten. De netten werden 't en rechte lijn uitgezet en waren aan elkaar gebonden tot repen of perkjes. De staande netten voor haring- en ansjovisvisserij werden voornamelijk gebruikt in gebieden met getijdenstroming, met name in het noordelijk deel van de Zuiderzee. Door de uitvinding van het machinale nettenbreien omstreeks l880 nam het gebruik van staande netten enorm toe. Vooral voor de ansjovisvisserij, tot die tijd vrijwel uitsluitend beoefend door beroepsvissers met de wonderkuil, betekende de invoering van de nieuwe netten een grote verandering. De betrekkelijk eenvoudige methode van vissen, waarvoor speciale kennis niet vereist was, en het voordeel dat staande netten ongeacht de weersomstandigheden in zee konden blijven staan deed het aantal gelegenheidsvissers geweldig groeien. Schippers, boerenknechten, arbeiders, ieder die een boot had en zich een net kon aanschaffen probeerde mee te profiteren van de ansjovisvisserij. De zee stond in de ansjovistijd (mei en juni) zo vol dat voor de overige visserij en scheepvaart geen plaats meer overbleef. Staande netten voor de botvisserij werden zijdenetten genoemd, naar het gebruikte materiaal, en waren vooral in gebruik op ondiepe kustgebieden. Deze netten werden tot op de bodem neergelaten, omdat de bot zich laag bij de grond ophield. 's Winters gebruikte men staande spieringnetten die, als de Zuiderzee bevroren was, door gaten in het ijs te hakken uitgezet konden worden.
Kubben waren klokvormige tenen korfjes om paling te vangen. Ze werden op of net boven de zeebodem opgehangen aan een staak. Als aas gebruikte men gewoonlijk garnalen, spiering of haringkuit, waardoor de paling werd aangelokt om door de nauwe opening te kruipen. Een smal toelopend netje maakte de terugweg onmogelijk. De visser kon door een stop aan de bovenzijde van de kub te verwijderen de vangst eruit halen en het aas verversen.
Met fuiken werd vooral langs de kust gevist, op haring en paling. De scholen vis werden langs wanden van netwerk, de schuttingen, naar de opening van de fuik geleid. Haringkommen of -kamers waren een variatie op de fuikenvisserij. De kamer werd gevormd door een langwerpige ruimte, afgezet met stokken en schutwant, waar de vis op dezelfde wijze werd ingeleid als bij de fuiken.
Het hoekwant, dat voor paling- en botvisserij gebruikt werd, bestond uit een stevige lange lijn met dwarslijntjes, met daaraan haken of hoeken, die van aas werden voorzien. De hoekwantvisserij was zeer bewerkelijk. Nadat de lijnen waren opgehaald, moesten ze worden schoongemaakt en ontward. De haken werden in rijtjes op de zogenaamde spleten gestoken en konden daarna weer geaasd worden.

De haringvisserij werd voornamelijk met kuilen, sleepnetten, fuiken en reepnetten uitgeoefend. Ansjovis werd gevangen met staande netten, sleepnetten en wonderkuil. Voor de botvisserij werden zijdenetten, sleepnetten en hoekwant gebruikt. Op spiering viste men met kuilen en sleepnetten, 's winters onder het ijs met staande netjes. Garnalen werden gevangen met kwak- en dwarskuil en kor. Voor de palingvisserij gebruikte men kubben, fuiken, hoekwant, elger en kuil.

www.henkvanheerde.nl/vollenhove