In de periode 1850 - 1889 verdubbelde het aantal schepen dat de
Zuiderzeevisserij uitoefende. Nieuwe transportmogelijkheden via de spoorwegen
maakten export van Zuiderzeevis naar afzetgebieden als Duitsland en Frankrijk
mogelijk. Tevens ging men gebruik maken van koelijs, waardoor de vis langer
houdbaar bleef.
Omstreeks 1880 trad een stagnatie in. Een aantal jaren met bijzonder slechte
vangsten deed de strijd tegen de kuilnetten weer oplaaien. De angst voor
overbevissing leidde in 1881 tot een verbod van kwak- en wonderkuil, dat echter
in 1884 gedeeltelijk (de kwakkuil werd weer toegestaan) en in 1890 geheel werd
opgeheven. De groei van de beroepsvissersvloot kwam tot stilstand bij een totaal
aantal van circa 1600 vaartuigen. De jaren negentig van de negentiende eeuw
werden gekenmerkt door bijzonder rijke ansjovisvangsten. Het aantal
gelegenheidsvissers dat met de nieuwe staande ansjovisnetten trachtte een
graantje mee te pikken, nam enorm toe, mede als reactie op de malaise in andere
bedrijfstakken. Vooral de landbouwcrisis, die ongeveer van 1877 tot 1895 duurde,
speelde hierbij een rol. Als gevolg van toenemende concurrentie van de
trawlervisserij en afgeschrikt door enkele rampen, trokken met name de Huizers
en de Volendammers, en later ook de Enkhuizers, zich van de Noordzee terug. De
goede jaren voor de Zuiderzeevisserij waren echter voorbij en na 1902 trad een
langdurige malaise in, die ongeveer tot de Eerste Wereldoorlog duurde.
De visserij ontwikkelde zich gunstig en het aantal grote vissersschepen nam in Vollenhove toe van 21 in 1847 tot 26 in 1850. Deze toename valt voor een belangrijk deel toe te schrijven aan de bemoeienis van de aannemers J. van Smirren en A. van Bessum, die schuiten opkochten, waarmee zetschippers de visserij gingen beoefenen. Anderen, zoals schilders en timmerlieden gaven hun beroep op en schaften zich een schip en vistuig aan.
In tegenstelling tot het begin van de eeuw vormden rond 1850 de vissers een betrekkelijk welvarende groep. Drie leefden uitsluitend van de rente "hunner penningen", terwijl de overigen "voor het meerendeel uit min of meer gegoede, gezonde, krachtige en naar hunner staat, tamelijk beschaafde burgerlieden bestaat". Een kleiner deel verkeerde in een "minder gegoede staat". Mededelingen over de gunstige sociaal-economische situatie van de vissers vindt men ook in de gemeenteverslagen van die tijd. Niet alleen in Vollenhove ging het de vissers voor de wind. Uit de toename van het aantal vissersschepen langs de oostwal blijkt dat het ook elders goed ging. Alleen op Schokland viel een achteruitgang te bespeuren. Deze gunstige ontwikkeling van de visserij in het midden van de 19e eeuw werd door verschillende factoren veroorzaakt:
Niet alleen ontwikkelde de visserij zich gunstig, maar ook de
nevenbedrijven
bloeiden op.
Voor 1840 ontbraken vishandelaren en visventers in Vollenhove en waren de
vissers aangewezen op andere havens waar wel handelaren aanwezig waren. Vooral
Genemuiden was voor de Vollenhovenaren van groot belang, waar niet alleen zij,
maar ook de vissers van Schokland en Urk regelmatig hun vangsten losten. In
Genemuiden waren drie bokkinghangen en verder vond er een levendige handel
plaats in verse zeevis. Deze werd verkocht in de steden langs de IJssel, tot
zelfs in Arnhem. In de periode van 1840 tot 1850 werd het roken van haring en
het venten van vis een beroep waar steeds meer Vollenhovenaren een middel van
bestaan in vonden. Hierdoor werd Vollenhove steeds belangrijker als marktplaats
voor haar eigen vissers en voor die van Schokland. De toename van het aantal
visventers werd vooral veroorzaakt door het verdwijnen van de
beroepsmogelijkheden in de beide calicotweverijen. Die in Sint Jansklooster
brandde in 1854 af, terwijl het aantal arbeidsplaatsen in Vollenhove steeds
verder terug liep en de lonen daar in 1856 zelfs verlaagd werden. De visventers
bestreken een tamelijk groot afzetgebied. De bokking, bot en blei werd door hen
vervoerd met kruiwagens en hondenkarren en verkocht in Overijssel, Gelderland,
Friesland, Drenthe en Groningen.
In de jaren vijftig begon men vanuit Vollenhove zelfs rechtstreeks vis te exporteren naar Osnabrück en Bremen. Dit was het werk van J. van Smirren, die zich in deze periode volledig ging toeleggen op de handel in vis. Er werd voor hem in 1852 een grote bokkinghang met bijbehorende inrichting voor het zouten van vis gebouwd. De capaciteit hiervan werd na 1852 vergroot en tevens vestigde zich een expediteur voor Van Smirren in Keulen, die verantwoordelijk was voor de verkoop op de Duitse markt. In Vollenhove ontstond in het midden van de 19e eeuw een goed toegeruste nevenbedrijfstak.
Aan de haven begon Ebel van der Schoot in 1852 een smederij en in 1856 kwam er een scheepswerf gereed waar schuiten gerepareerd en gebouwd konden worden.
Het aantal schepen steeg in 1859 ineens van 32 tot 49. Deze toename werd
veroorzaakt door de komst van 34 vissers van het eiland Schokland. De bevolking
had op last van de regering het eiland moeten verlaten, ondermeer vanwege het
voortdurende overstromingsgevaar en zo'n 140 bewoners vestigden zich in
Vollenhove. De bewoners ontvingen van het rijk een tegemoetkoming in de
verhuiskosten van f 100, en het onroerend goed op het eiland werd door het rijk
overgenomen onder voorwaarde dat zij hun woningen zouden afbreken. Nadat alle
Schokkers zich schriftelijk daartoe bereid hadden verklaard, ging men in 1859
tot ontruiming over. Eveneens werd bepaald, dat, wanneer de Schokkers armlastig
zouden worden in hun nieuwe woonplaats, het rijk de kosten hiervan voor zijn
rekening zou nemen.
Deze uitkering kreeg de naam "Schokkergeld" en is wellicht één van de eerste
rijksuitkeringen geweest. De financiële situatie van de Schokkers was slecht.
Dit mag blijken uit het feit, dat in 1864 van de 29 huisgezinnen slechts één
schoolgeld betaalde en één aangeslagen werd in de hoofdelijke omslag.
Maar de situatie van veel Vollenhovenaren was weinig beter. Het aantal inwoners bedroeg in 1862 1559 en daarvan ontvingen er ongeveer 500 bedeling. Van de 318 gezinnen en alleenstaanden werden er slechts 107 aangeslagen in de hoofdelijke omslag en die werd geheven bij een jaarlijks inkomen van meer dan f 100,-. Tevens waren veel ouders in dat jaar niet in staat om de schoolkosten voor hun kinderen te betalen, hetgeen voor de gemeente een uitgave betekende van f 1280, -. De armoedige situatie in Vollenhove werd enerzijds veroorzaakt doordat tijdens de winter in veel takken van nijverheid niet gewerkt kon worden, terwijl anderzijds het aantal arbeidsplaatsen zich nauwelijks uitbreidde. Nieuwe werkgelegenheid ontstond in 1869, toen er een siroopfabriek gebouwd werd voor baron Sloet van Marxveld. In de fabriek, annex kuiperij en mandenmakerij, werkten in 1871 9 arbeiders voor een weekloon van vijf á zes gulden.
Alleen in de visserij en aanverwante bedrijven nam de werkgelegenheid nog toe en zij werden zelfs de belangrijkste bestaansbron. Het aantal vissers groeide van 70 in 1850 tot 244 in 1892 en het aantal grote schepen nam in deze periode toe van 30 tot 113.
In 1863 bestond de vloot uit 50 schuiten en dertien punters
en boten. Van negen schuiten was de eigenaar geen visser:
C.E. Bessum 1 schuit, geen beroep.
J.P. Beens 1 schuit, molenaar.
G. Costers 2 schuiten, winkelier.
E. Ekker 1 schuit, scheepstimmerman.
J. van Smirren 3 schuiten, vishandelaar.
J.D. Westendorp 1 schuit, onderwijzer.
Rond 1875 kwam er aan de periode van goede tot zeer goede vangsten een einde.
De vangsten werden wisselvalliger en de prijzen kwamen door de agrarische crisis
en de import van goedkoop vlees onder druk te staan. Dit leidde tot grote
verschillen in jaarinkomen. In 1885 verdienden de vissers die met grotere
schepen visten ongeveer f 1100, - en zij die een punter bezaten rond f550,- per
jaar. Een vissersknecht verdiende toen f 5,- per week plus de kost. Drie jaar
later verdienden de zelfde vissers respectievelijk f 500, - en f 300, - per
jaar. Een knecht verdiende toen f 3, - á f 4, - per week plus de kost.
In dezelfde periode verdienden de arbeiders, werkzaam in een touwslagerij in
Kampen f 7,50 per week en in de houtzagerij bij Blokzijl f 6,50 per week.
Jongens, jonger dan 16 jaar verdienden in beide bedrijven f 2, - per week. In
1888 waren de gemiddelde besommingen ongeveer 40 % lager dan voor een redelijk
bestaan noodzakelijk was, waardoor vissers, die in voorgaande jaren onvoldoende
reserves hadden weten op te bouwen tot armoede vervielen. In financieel slechte
tijden bezuinigden de vissers op het onderhoud van hun schepen en netten en
kochten ze veel op krediet. Het knechtsloon werd soms pas in de volgende
haringstijd, in kwartjes uitbetaald.
In 1882 bestond de vissersvloot uit 74 schuiten, 11 punters en 16 boten. Tien
schuiten waren eigendom van niet-vissers, terwijl 21 aan 9 vissers toebehoorden.
Nu het slechter ging trokken de reders zich uit de visserij terug terwijl de
vissers die meerdere schepen bezaten één of meer verkochten.
Na 1893 (het jaar waarin de vloot in Vollenhove zijn grootste omvang bereikte met 114 schuiten met 250 vissers) verminderde het aantal schepen. In de periode dat het met de visserij goed ging, waren steeds meer buitenstaanders (reders) begonnen om kapitaal in de visserij te investeren en had een aantal vissers zich meerdere schepen aangeschaft.
In 1905 waren er 110 vaartuigen met totaal 228 man:
Het betreft dan 43 vissers van 55 jaar en ouder, 16 vissers tussen 50 en 55, 133 van 20 tot 50 en 35 beneden de 20 jaar.