Vanaf de omwenteling in 1795 waarbij de macht van de adel werd vervangen door
de vrijheid, gelijkheid en broederschap van de Franse tijd verdween vrij snel de
adel als bron van bestaan uit Vollenhove. De visserij, sinds de 15e eeuw door
enkele tientallen vissers uitgeoefend, werd nu langzamerhand de belangrijkste
bron van inkomsten voor de burgerij. De visserij op zoetwatervis (eerst steur,
later zalm) werd vanwege de verzilting van de Zuiderzee vervangen door zoutwatervis (eerst haring, later ansjovis,
garnalen, bot, paling en spiering).
Er was echter geen haven, zelfs de (enige) aanlegsteiger was erg verwaarloosd. De afbraak van het oude bisschoppelijke kasteel, later bestuurszetel van stadhouders en daarna drosten en uiteindelijk garnizoenslegering en gevangenis, leverde een haven (de voormalige slotgracht) en haventerrein op voor de vestiging van prille industriële bedrijven.
Vollenhove groeide uit tot een belangrijke vissersplaats aan de Zuiderzee,
welke positie nog eens werd versterkt door de komst van enkele tientallen
vissers met hun schepen, die gedwongen werden om hun thuisbasis
Schokland te
verlaten (1859). De haven werd alras te klein waarop er een
nieuwe haven
buitendijks werd aangelegd.
De periode 1860 - 1914 gaf jaren van grote voorspoed, afgewisseld met magere jaren. Er waren enkele belangrijke families van reders en vishandelaren die diverse initiatieven namen om de economische bedrijvigheid te ondersteunen. Zo kwam er een scheepswerf, waarop uiteindelijk een eigen Vollenhoofse bol werd ontwikkeld en gebouwd. Er kwam een stoomtram voor de afvoer van vis naar het achterland, vooral Duitsland en Frankrijk. De handel naar deze landen kwam echter stil te liggen in de Eerste Wereldoorlog. Dat, gevoegd met de afnemende visstand, de dalende visprijzen en de roep om het afsluiten van de Zuiderzee luidde het einde in van een tijdperk.
Meer over de geschiedenis van en de ontwikkelingen rond de Vollenhoofse visserij: