De eerste aanbesteding voor een deel van de aanleg van de Noordoostpolder
vond plaats op 29 april 1936. De werkzaamheden begonnen op Urk waar in de maand
mei van dat jaar een vloot van sleepbootjes, logge bakken en baggermolens de
haven binnenliep. Kort daarna gebeurde hetzelfde in Lemmer. In de jaren 1938 en
1939 konden de mensen in Vollenhove de werkzaamheden niet alleen aan de horizon
maar ook van dichtbij bekijken. Het ontworpen Vollenhoverkanaal van De Voorst
naar Blokzijl werd uitgediept: tegelijkertijd werd de kade opgeworpen die
mettertijd de scheiding tussen de nieuwe polder en dit kanaal zou vormen.
Een aantal vissers zag nog kans om wat te verdienen ofschoon de afstand naar een deel van de visgronden door de dijk die Urk met Lemmer verbond, eigenlijk te groot geworden was. In het jaar 1940, waarin de havens van Vollenhove uitgediept en verbeterd werden en in de buitenhaven een los- en laadwal werd aangelegd, zouden zij de genadeslag krijgen. Ten zuiden en zuidwesten van Schokland werd met de dijkaanleg goede vorderingen gemaakt, evenals met het dijkvak van Ramspol naar Kadoelen.
Enkele vissers waren druk bezig met het leegvissen van het gebied van de
toekomstige Noordoostpolder. In de buurt van Vollenhove was er op 't laatst nog
maar één opening overgebleven om in en uit te varen. Dit "vissersgaatje" was
slechts negentig meter breed en lag in de kade bij het gemaal van de Voorst.
Vóór het invallen van de winter moest ook dit gat gedicht zijn en het randkanaal
met de keersluis bij Kadoelen in gebruik genomen kunnen worden. Dit randkanaal
was niet alleen nodig voor de scheepvaart op Vollenhove en Blokzijl maar diende
tevens om het grondwater van het oude land op peil te kunnen houden en voor de
afvoer van het door het stoomgemaal A. F, Stroink uitgeslagen water.
Het vissersgaatje werd op 29 november 1940 gesloten, het allerlaatste gat ten zuidwesten van Schokland op 13 december daaropvolgend. Enkele vissers konden nog op het nippertje naar buiten komen.