Aak:
De aak als vissersschip van de Zuiderzee en de Wadden komt voor het eerst voor
in 1798 maar zijn geen aken in de algemene betekenis (platbodem
binnenvaartvrachtschip). Zij hebben ook niet de algemene kenmerken, maar zijn
een mengvorm van de schokker en de rondgebouwde Friese scheepjes als de boeier.
Varianten: Lemster Aak (12 – 14 meter), Wieringer Aak (10 – 13 meter).
In 1927 waren in Vollenhove 7 aken op in totaal 135 schepen.
Bol:
De bol (bolletje) is een klein rondbodemd vissersscheepje (7-10 meter lang), dat
pas na 1900 ontstond. Het was scheepstimmerman
Jan Kroese uit Vollenhove die de
eerste bol maakte met als uitgangspunt een bons, maar met het lijnenplan van een
botter. De diepgang was klein, uiterst geschikt om binnen te komen bij extreem
laag water door oostenwind (veel havens aan de oostkant van de Zuiderzee hadden
hier last van).
De bol was oorspronkelijk niet langer dan 8 meter en werd gebruikt voor de
ansjovisvangst op de Zuiderzee. Het scheepje is typisch rond (bol) gebouwd en
werd genoemd naar de thuishaven. Vollenhovense bol, Enkhuizer bol, Wieringer bol
etc. In Enkhuizen werd de bol ook wel aalboot genoemd. Voor de pleziervaart
wordt het type nog steeds gebouwd.
NB: Er zijn veel schaalmodellen gemaakt door oud-vissers, o.a. onlangs door
Klaas Vis.
Bons:
De bons (bonsje, bonsien) is een kleine schokker (9-12 meter) met bolle wangen,
waarvan de mast wat verder naar achteren staat en de steven iets minder schuin
is dan de schokker. Het zijaanzicht van een bons doet enigszins aan een botter
denken. Alle schepen die de vroegere Zuiderzee bevoeren lijken echter op elkaar.
Per vissersplaats of -gebied werden wijzigingen aangebracht en gebruikte men
eigen benamingen, zoals in Vollenhove ook wel schuit. Kwam vooral voor in Elburg
en Vollenhove. Geschikt voor ondiep water.
Botter:
Een oud vissersvaartuig met een licht V-vormig vlak, met een net uitspringende
kiel en hoekige kimmen die overgaan in bol naar buiten lopende zijden, waarvan
het boeisel boven het berghout naar binnen valt (invalling), met als opvallend
kenmerk een zeer grote fok, die nodig was om de netten te slepen, maar moeilijk
te hanteren bij overstag gaan. Botters visten op de voormalige Zuiderzee en
worden door kenners beschouwd als snelle vaarders en een van de meest elegante
Nederlandse vissersschepen. Vooral de schepen van de Zuidwal (Huizen, Muiden,
Spakenburg) met de hoge kop en sterk geveegd achterschip zijn een lust voor het
oog. Als de botter met een zakvormig net, de kwakkuil, op garnalen of paling
viste heette het een kwak. De Volendammer kwak is een slag groter en minder
gezeegd dan de andere Zuiderzeebotters. De botters waren vaak botslepers. Zij
voeren doorgaans in span met een net tussen twee schepen in.
Verwant: markerrondbouw en voorloper tochtschuit.
Kubboot:
Open houten roeiboot op spanten voor het uitzetten en binnenhalen van
palingkubben. Kubben waren korte, van wilgenteen gevlochten korven [Zuiderzee]
of van garen gebreide fuiken [Zeeland]. De korfkub werd geaasd met spiering en
verzwaard met stenen aan een schuin in de bodem gestoken stok gehangen, waarbij
de korf schuin op de bodem rustte en aan de onderkant een kleine opening
overbleef waardoor de paling naar binnen kon zwemmen. De bovenkant was
afgesloten door een houten dekseltje. De netkub die veel meer leek op een gewone
fuik werd door stokjes opengehouden en met meerdere aan een lange lijn op de
getijdestroom vastgelegd. Kubbevisserij zag je buiten de Zuiderzee en Zeeland
ook op de Hollandse plassen.
In de binnenhaven (de Komme) van Vollenhove lagen tijdens de haring- en
ansjovisteelt de kubboten en sloepen.
Pluut:
Pluit of pluiter, naast de visserij ook veel gebruikt als waterschip en dan ook
zo genoemd, maar er waren meer typen die de talloze bierbrouwerijen van vers
water voorzagen. Heeft veel weg van een schokker en was afkomstig uit het
Gelderse deel van de Zuiderzee, dat ook wel zuidwal werd genoemd (Harderwijk,
Spakenburg). Maar ook aan de oostwal in de plaatsjes Blokzijl, Vollenhove,
Hasselt en Kampen waren ze te vinden. Overnaads gebouwd, met zware rechte
stevenbalk, kleiner dan de schokker (8 -12 meter), slanker, minder zeeg en een
breder vlak. Voerde een smal gaffelzeil en soms een grote botterfok. Duidelijk
ook verwant aan bons en botter. Pluten waren met de Staverse jol de enige
Zuiderzeeschepen zonder zwaarden, maar er waren later ook typen met zwaarden.
Zware vissersschepen met een grote bun werden ook waterschepen genoemd. Er waren
er een aantal gestationeerd op Marken, die echter meer sleepdiensten verrichtten
dan feitelijk visten. Ze trokken zeeschepen over de ondiepte Pampus en na 1691
tot de ingebruikneming van het Noordhollands Kanaal in 1824 werden kamelen
gesleept.
Punter:
Slank platbodemd open vissersbootje voor de binnenwateren, maar ook de Oostwal
van de Zuiderzee. Voerde een sprietzeil zonder giek en is sterk verwant aan de
grundel. De punter werd en wordt veel gebruikt in het waterrijke Noordwest-Overijssel
door de boeren, maar was tegelijkertijd een vervoermiddel. Veevervoer,
verhuizingen en zelfs begrafenissen gingen per punter. Elke streek had z'n type;
de Gieterse-, de Kamper-, de Beulakermeer punter, de Noordwesthoekpunter en
zelfs zee-punters met kajuit. Giethoorn is het meest bekend geworden om de
punter, en nog steeds is "punteren" een jaarlijkse trekpleister voor toeristen.
Heden ten dage worden vooral elektrisch aangedreven punters voor verhuur
aangeboden en ze worden nog steeds gebouwd door o.a. scheepswerf Schreur in
Giethoorn, maar nu met gaffelzeil.
Schokker:
Een aan de botter verwant platboomd vissersvaartuig. De naam stamt
waarschijnlijk van het eiland Schokland. De schokker kenmerkt zich door de sterk
naar binnen vallende boorden en de ronding van de beretanden (de verticale
balkjes tegen het boeisel als geleiding voor de ankertros). De voorsteven van de
schokker maakt een hoek van ongeveer 45 graden met de waterlijn. Schokkers
stonden bekend om hun enorme zeewaardigheid en tot omstreeks 1875 voerden
sommige schokkers zelfs twee masten, de grote met een sprietzeil en stagfok, de
bezaansmast met een bezaantje. Urker vissers voeren ermee, maar ook Elburg had
een grote vloot van kleine schokkers. Daar werden ze bonsein genoemd. De laatste
bons, de EB39, is onlangs in Spakenburg gerestaureerd.
Schouw:
Platbodemd vissersschip met een platte zeshoekige voor- en achterspiegel, daarom
ook wel platkop genoemd, maar ook als boerenschouw, een vrachtscheepje voor het
vervoer van goederen en vee. De zeshoek ontstaat door naar buiten lopende
zijden, waarvan het boeisel boven het berghout een invalling heeft. Lengte 8-10
meter, kwam in de Zuiderzee vooral voor in Hoorn.
Tegenwoordig meer en meer gezien als plezierjacht, zeer geliefd om de goede
zeileigenschappen.
Schuit:
in Vollenhove gelijk aan bons. Zie daar. In 1927 waren daar van de 135
vissersschepen 79 schuiten.