Na de afsluiting van de Zuiderzee, vingen de vissers op het langzaam zoeter
wordende IJsselmeer aanvankelijk steeds minder vis. Haring, ansjovis en garnalen
werden sedert 1933 niet meer gevangen. De aanvoer van bot was na 1934 en die van
spiering na 1936 niet meer van betekenis. Alleen paling werd volop gevangen en
in Vollenhove namen de aangevoerde hoeveelheden met het jaar toe. Paling werd
voor de IJsselmeervissers de belangrijkste vissoort en de nog aanwezige
visindustrie richtte zich na 1932 dan ook op het roken van en de handel in
paling.
De vermindering van de vangsten duurde tot 1935/1936, waarna zich weer een biologisch evenwicht ontwikkelde. De vangsten namen weer toe onder andere door de toename van het snoekbaarsbestand.
Vooral de eerste jaren na de afsluiting waren voor de vissers zeer moeilijk.
Door de vissersverenigingen werd dan ook
voortdurend geprobeerd om tot verlaging of afschaffing van de havengelden te
komen. Maar het gemeentebestuur stelde zich op het standpunt, dat het prijsgeven
van inkomsten zoveel mogelijk vermeden moest worden, om te voorkomen dat de
gemeente armlastig verklaard zou worden. Volgens oud-vissers was het pensioen,
dat zij ontvingen in het kader van de Zuiderzeesteunwet zo gering, dat ze
daarvan nauwelijks rond konden komen.
De visventers werden door het beleid van de overheid min of meer gedwongen naar
een andere betrekking uit te zien. De steun aan hen werd regelmatig verlaagd of
zelfs ingetrokken. Hoewel de situatie van de bij de visserij betrokken personen
dus verre van rooskleurig was, verminderde het aantal vissers in Vollenhove
slechts langzaam. Het proces van afvloeiing werd in eerste instantie geremd door
de crisis. Dit kwam omdat men buiten de visserij bijna uitsluitend in de
werkverschaffing een schamel loon kon verdienen. Pas nadat in 1938 met de aanleg
van de Noordoostpolder was begonnen nam de visserij in snel tempo in betekenis
af. Vollenhove werd afgesloten van het IJsselmeer.
Toen in 1941 het kuilverbod van kracht werd, ervoeren de overgebleven Vollenhoofse vissers dat als de genadeklap. Toen de polder in 1942 droog viel zeiden velen de visserij vaarwel en vonden als grondwerker op hun oude visgronden werk in overvloed. Een enkeling bleef stug doorgaan, zoals Albert Kwakman ("Raffles") die het volhield tot aan zijn dood in 1992.