In Vollenhove ontstond in de 19e eeuw rond de visserij enige nijverheid, o.a. in de vorm van rokerijen. Eén daarvan werd in de 20e eeuw voortgezet door de firma Jongman. Henk Jongman is de zoon van Harm "de Slenger", een beroemde palingroker.
Ik ben geboren in het toenmalige eerste huisje aan de Vissersstraat rechts,
gezien vanaf het kerkplein. Het telde twee vertrekken: een voorkamer en een
achterkamer, eigenlijk een woonkeuken. De voorkamer had één raam en een deur met
daartussen de ingang naar een ruime kelder, die later door hotel Seidel als
opslagplaats van dranken werd gebruikt. Wij woonden er toen al niet meer. In
beide vertrekken zaten een paar bedsteden. In één van die bedsteden aanschouwde
ik het levenslicht.
Herinneringen aan mijn geboortehuis heb ik nauwelijks. Ik was namelijk nog maar
een paar jaar oud, toen mijn ouders hun spulletjes bij elkaar pakten en naar een
ander onderkomen trokken. Ze zochten het niet ver.
Ongeveer in het midden van de Vissersstraat aan de andere kant van de straat
kregen we een andere woning. Ze stond naast de timmerwinkel van Stoffel IJspeert.
Ook deze woning had een voorkamer en een achterkamer. Net als in ons vorige huis
verbleven we alle dagen in de achterkamer, onze woonkeuken. In het najaar konden
we ook niet in de voorkamer wonen, want dan deed dat vertrek dienst als winkel
in droge groenten als rode en witte kool, koolrapen, winterwortels, knollen,
enz. Moeder verdiende er op die manier wat hij. Haar voorraden lagen in hoopjes
op de vloer tegen de wanden. Ze had door deze winkel ook wat aanspraak, al
liepen de klanten de deur niet plat.
Mijn vader was Harm Jongman, een visserszoon. Elke ochtend fietste hij van
Vollenhove over Genemuiden naar zijn baas, de visroker en vishandelaar Reumer,
in Kampen. Mijn moeder was Jentje van Eerde. Ze kwam van de Schaarweg in Ambt
Vollenhove, waar haar ouders een boerderij hadden. Moeder was voor haar huwelijk
als dienstbode werkzaam geweest bij de familie Van der Linde aan de Hareweg, een
zijweg van de Grindweg, later Oppen Swolle geheten. Deze boerderij staat er nog
steeds en is ook als zodanig in gebruik.
Achter ons huis en dat van Stoffel IJspeert lag een tuin, die doorliep tot de
huidige straat Aan Zee. Stoffel gebruikte zijn tuin als opslagplaats van hout.
Er bleef echter genoeg ruimte over voor mij en later ook voor mijn broer Piet om
er te spelen. Met een half gesloopte kinderwagen op hoge wielen, onze
"bokkenwagen", vermaakten we ons daar uren lang. Op straat mochten we niet
komen.
Ik zal een jaar of vijf geweest zijn toen we van de Vissersstraat naar de
Haven verhuisden. Daar had vader de
leegstaande haringrokerij van de vroegere eigenaar
Van Smirren overgenomen.
Vader werkte hier alleen in de maanden september, oktober en november.
Zuiderzeeharing werd namelijk uitsluitend in die periode gevangen. In de andere
maanden fietste hij elke dag naar Reumer in Kampen. Dat deed hij overigens niet
lang meer. "Wat Reumer kan, kan ik ok!" had hij op een dag tegen moeder gezegd,
en zij had hem niet tegengehouden korte tijd daarna had hij zijn bedrijf aan de
Haven zo ingericht, dat hij met de inkoop, het roken en de verkoop van
verschillende soorten verse vis het hele jaar door een boterham kon verdienen.
Vader stond er niet alleen voor, hij werkte samen met zijn jongste broer Riekend
en een paar knechten.
Vader en oom Riekend begonnen niet op een erg gunstig tijdstip met een eigen
zaak. De voorbereidingen voor de aanleg van de Afsluitdijk waren in volle gang.
Deze dijk, die in 1932 werd voltooid, zou het einde van de Zuiderzeevisserij
inluiden, dat was in Vollenhove genoegzaam bekend. Ander werk was in Vollenhove
en de naaste omgeving moeilijk te vinden. Tientallen mensen, die direct of
indirect met de visserij te maken hadden, waren daarom al naar elders getrokken
of zouden dat nog doen. Ze kregen voorrang bij een sollicitatie naar een
betrekking bij de overheid, onder meer bij rijkswaterstaat. Ook twee broers van
vader en oom Riekend, vissers in hart en nieren, namen afscheid van hun boot. De
ene werd brugwachter in Souburg op Walcheren, de andere kreeg een aanstelling
als kantonnier en zou later eveneens brugwachter worden. Diens standplaats werd
Emmeloord.
Onze woning aan de Haven was veel ruimer dan die aan de Vissersstraat, maar er
lag nauwelijks grond bij voor een tuin. Wanneer ik in en om huis was uitgekeken,
ging ik naar onze rokerij. Ik mocht van moeder inmiddels ook wat verder van huis
spelen. Buiten het Kerkplein kwam ik evenwel weinig. Ik had daar geen behoefte
aan, want op het plein was het altijd bedrijvig, vooral bij de
pomp. De grote huizen hadden zelf
een pomp. Ook wij hadden er zowel aan de Vissersstraat als aan de Haven één. De
bewoners van de meeste kleine huizen waren aangewezen op één van de stadspompen.
Voor de havenbuurt was dat de pomp op het kerkplein. De vissers haalden hier
eveneens water, voor ze uitvoeren.
Op maandag, de wasdag, gebruikten veel vrouwen ook wel regenwater uit de grote
waterkelder van de Grote kerk. Oortien, die met haar zuster en haar broer Willem
(Kuisien) schuin achter ons woonde, schuifelde vooral op deze dag talloze keren
met emmers vol regenwater langs ons huis om haar voorraad aan te vullen. Zij
verkocht dat water voor een cent per emmer. We woonden overigens nog maar korte
tijd aan de Haven toen Vollenhove werd aangesloten op het
waterleidingnet.
Op mijn vierde ging ik naar de bewaarschool van juffrouw Pereboom. Deze stond
aan de Kerkstraat tussen de oude rooms-katholieke kerk en het weeshuis. De
school ging uit van de Maatschappij tot Nut van het Algemeen. De school werd
bezocht door alle kinderen uit de stad, ongeacht de geloofsovertuiging van hun
ouders. Soms had de juffrouw, bijgestaan door een paar helpsters, wel zo'n
tachtig kinderen onder haar hoede. Van hetgeen ik bij haar heb geleerd, herinner
ik me weinig of niets meer. Wel is me bijgebleven dat we allemaal heel gezeglijk
waren.
Twee jaar was ik toevertrouwd aan juffrouw Pereboom. daarna mocht ik naar de
grote school, de openbare school aan de Bisschopstraat. Ik zie de juffrouwen
Bos, Helderman en Vennink nog zo voor me, en ook de meesters Breman, De Jong,
Linstra en Wansink. Ik heb er vaardigheden opgedaan als lezen, schrijven en
rekenen, ik weet een en ander van de vaderlandse geschiedenis. ken de provincies
en heel veel plaatsen in ons land en kan me zodoende redelijk oriënteren in het
eigen land en daarbuiten. Maar vraag me niet hoe me dat alles op school is
bijgebracht.
Van de buitenschoolse activiteiten daarentegen herinner ik me wel een en ander;
vermoedelijk omdat ze elk jaar maar tot enkele beperkt bleven. Zo maakten we in
de lagere klassen iedere zomer steevast een schoolreisje naar Hattem. Het
tochtje van onze klas met ruim twintig leerlingen werd geleid door meester
Breman. Vanaf de school liepen we met de meester voorop naar het tramstation bij
de Voorpoort. In een gereserveerde wagon reden we naar Zwolle. Op het
tramstation aan de Veerallee stapten we uit. Daar stelde de meester ons op in
een rij, liep daarna vooruit met de woorden: "Volg mij", en zo ging het over de
Nieuwe Havenbrug en door de Westerlaan naar het station van de spoorwegen. De
trein bracht ons naar Hattem. Net zo rustig als in Zwolle liepen we vervolgens
naar de boerderij Molencaten. Hier werden we getrakteerd op een flesje limonade,
een kogelflesje. Wat een feest! Gelaafd en uitgerust zetten we daarna de tocht
voort naar de leemkuilen, waar we enkele uren spelend doorbrachten. De kosten
van dit schoolreisje bedroegen een gulden en vier cent.
De hoogste klassen brachten jaar in jaar uit een bezoek aan Ouwehands dierenpark
in Rhenen. Daar reisden we in mijn tijd al met de bus naar toe. Deze dag was
prijziger: twee gulden en acht cent. Veel geld voor die jaren, waarin een modale
werknemer met vast werk aan het eind van de week met vijftien tot hooguit
twintig gulden naar huis ging.
Op 31 augustus vierden we 's morgens de verjaardag van koningin Wilhelmina op de
Laan van Toutenburg. Het was er druk die ochtend, want ook de bijzondere school
had daar haar feest. Net zo gescheiden als we op andere dagen kennis vergaarden,
gaven we ieder op ons eigen deel van de fraaie laan blijk van onze
aanhankelijkheid aan de jarige vorstin. Na de middag vierden de Vollenhoofse
opgroeiende jongeren en de volwassenen gezamenlijk feest.
Zondagsmorgens gingen we met een grote groep kinderen een uur naar de
zondagschool van de hervormde gemeente aan de Bisschopstraat bij de
kleine kerk.
Het kerst feest vierden we in de kleine kerk, die toen nog eigendom was van de
hervormde gemeente.
In mijn lagere schooljaren verkende ik de straten, stegen en pleinen van de stad.
De Bisschopstraat , Kerkstraat en Vissersstraat waren geplaveid met klinkers; de
pleinen moesten het doen met keien. In de stegen lag in het midden een strook
klinkers met aan weerszijden daarvan keien. De ijzeren hoepels om de wielen van
de boerenwagens maakten daardoor een hels lawaai, maar de paarden hadden een
mooi vlak pad. De Groenestraat was in die tijd nog maar gedeeltelijk verhard. De
klinkers in de straten en de keien in de stegen liepen aan beide kanten door in
een goot. Daarin vond het regenwater zijn weg en ook het spoelwater met allerlei
ongerechtigheden uit de huizen. Op verschillende plekken was een verbinding
gemaakt van een soort gresbuizen tussen deze goten dwars door de straat. Een
brede plank over zo'n dwarsgoot zorgde er voor dat het verkeer er onbelemmerd
over kon. Een "pompe" noemden we zo’n dwarsverbinding. Bij deze pompen speelden
we vaak tikkertje. Het water uit de goten van de hele stad kwam samen op de
Vismarkt. Van daar liep het naar een moddersloot op de plaats van het huidige
Goor. De moddersloot mondde uit in de stadsgracht (nu de straat Molenberg) en
ging dan bij hotel Van der Veen (nu een supermarkt) onder de weg door in de
richting van de Benten. Hier zakte het in de bodem.
Het zou tot 1953 duren voor we van open goten werden verlost. In dat jaar gingen
de straten op de schop en werd er riolering aangelegd. Stad Vollenhove kende al
in de jaren twintig de geneugten van elektriciteit. Ze werd opgewekt door een
eigen centrale, die stoomkracht werkte. Het gebouw stond in de Kerksteeg. Brandsma was de machinist. Hij verhielp ook allerlei mankementen aan de
straatverlichting en verving kapotte lampen in de lantarens. Heel behendig ging
hij met klimijzers aan zijn voeten in de houten palen omhoog.
Veel tijd om door de stad te slenteren had ik echter niet. Na schooltijd ging ik
meteen door naar de rokerij. Daar wachtte een bak met palingen om te worden
schoongemaakt. Zelfs in de middagpauze ontdeed ik een paar pannen vol van de
ingewanden. Mijn ouders gingen er van uit dat mijn toekomst in de vis zou
liggen. Voor mij sprak dat overigens ook vanzelf. Met alleen lager onderwijs zou
ik het niet gemakkelijk krijgen, vonden vader en moeder. De handelsschool in
Zwolle zou me goed voorbereiden voor een taak in ons bedrijf. Om tot deze school
te worden toegelaten, moest ik een examen afleggen. Er zou wat meer kennis van
me worden gevraagd dan ik op de lagere school had opgedaan, onder meer op het
gebied van boekhouden. Daarom kreeg ik een poes lang bijles van meester Lindstra,
de hoofdonderwijzer van onze school, en van Van der Linde, die werkzaam was op
het kantoor van het waterschap Vollenhove. Het examen verliep mede daardoor
zoals ik had gehoopt.
Zo fietste ik vanaf 1 mei 1934 alle dagen op en neer naar de stad met de
peperbus. Bij de Noorde bracht de pont me over het Zwartewater naar Genemuiden.
Van daar reed ik een eindje over de zeedijk in de richting kampen en vervolgde
dan mijn tocht door de polder Mastenbroek. Zaterdags hadden we alleen op de
morgenuren les. Een paar jaar later ging mijn broer ook mee naar deze school.
Omdat we op onze fietstochten elke dag al veel lichaamsbeweging kregen, waren we
vrijgesteld van de lessen lichamelijke oefening. Niettemin maakten we lange
dagen.
Tijdens de lagere schooljaren moest ik geregeld meehelpen in ons bedrijf, ik
vermeldde het al. In de jaren van de handelsschool namen mijn taken nog toe.
Zelfs op zondag was er vaak een karweitje voor me. Er bleef daardoor niet veel
tijd over om naar eigen believen te besteden. Toch kreeg ik mijn ontspanning
wel.
Zondagsmiddags zocht ik meestal mijn kornuiten op. We trokken wat door de stad
en belandden ten slotte meestal in het bos bij Old Ruitenborg. Met goed weer
legden we daar nu en dan een kaartje. Uiteraard haalden we ook wel eens
kattenkwaad uit, maar dat bleef doorgaans wel binnen de perken. We hadden al op
jeugdige leeftijd ontzag voor de gemeenteveldwachter Bos in zijn bruine uniform.
Dat bleef ook zo toen we ouder werden. Wie een keer kennis had gemaakt met de
gummistok van deze dienaar van de heilige Hermandad wachtte een tweede tik niet
af. Als de man bij dreigende wanordelijkheden zijn knuppel te voorschijn haalde,
zocht een ieder een veilig heenkomen. Ook met het ontruimen van een café of een
feestzaal na sluitingstijd had Bos geen moeite.
Net als in mijn kindertijd ging ik één keer in de week naar het
zondagschoolgebouw aan de Bisschopstraat. Nu niet als destijds op zondagmorgen,
maar op een doordeweekse avond. Daar bezocht ik de bijeenkomsten van de
knapenvereniging en toen ik ouder werd de jongelingsvereniging. Van de laatste
vereniging ben ik ook enige tijd secretaris geweest. Ik herinner me nog goed de
samenspraken, die we op deze avonden hielden. Nu zouden we zeggen: de
toneelstukjes die we opvoerden. Maar dat woord werd in die tijd te werelds
gevonden. Eén maal in het jaar hadden we een feestavond, waarop belangstellenden
konden komen kijken en luisteren naar deze samenspraken. Wie zijn dorst wilde
lessen of voor de gezelligheid iets wilde drinken, moest het doen met warme
chocolademelk. Andere dranken werden er niet geserveerd. De chocolademelk werd
gemaakt door Roelofje Oldenhof aan de overkant van de straat en later door
Annigje Drok. De bijeenkomsten van deze beide verenigingen hebben niet de
behoefte bij me gewekt om lid te worden van de hervormde gemeente, noch van een
andere geloofsgemeenschap.
Verder werden mijn broer en ik lid van de plaatselijke zangvereniging Zanglust.
Moeder vond de contributie van een dubbeltje voor elke repetitieavond aan de
hoge kant, maar ze had het graag voor ons over. Aan deze zangavonden, in het
begin onder leiding van dirigent Teunis Scholten uit Lemmer, denk ik met veel
genoegen terug. De jaarlijkse uitvoeringen in het
Nutsgebouw aan de Bentstraat /
hoek Kerkstraat vormden hoogtepunten.
Er is nog een reden om die zangavonden te koesteren. Ik leerde er mijn vrouw Pim
Uitterdijk kennen. Pim is geen Vollenhoofse; ze is in Akkerwoude in Friesland
geboren. Haar vader was aannemer. In de jaren dertig verhuisde hij met zijn
gezin naar de Wieringermeerpolder. Daar bouwde hij onder meer een paar
boerderijen en een kerk. In de jaren veertig kwam het gezin naar Vollenhove,
waar vader Uitterdijk in de nabij gelegen Noordoostpolder nieuw werk wachtte.
De Uitterdijken werden hier niet met gejuich ontvangen. De stad kampte nog
steeds met een grote werkloosheid. Vanwege de kwijnende visserij werkte de
malaise van de jaren dertig in Vollenhove langer door dan in veel andere
plaatsen. De bevolking zag werkkrachten van elders als indringers.
Hoewel ik met plezier in Zwolle naar school ging, vond ik het helemaal niet
erg, dat vader op een dag zei: "ie em now wel genog eleerd, ie mutten ons mar
koom elpen." De overgang van school naar hele dagen werken was niet erg groot.
Ons bedrijf had geen enkele verrassing meer voor me. Ik was met alle voorkomende
werkzaamheden vertrouwd.
We hadden een boot om verse vis te halen en een vrachtauto om de gerookte en ook
verse vis naar de klanten te brengen. De boot heette Zeester. Er zat veel
bunruimte in, zodat er een flinke partij levende vis, onder andere paling, mee
kon worden vervoerd. De Zeester was oorspronkelijk open geweest, waardoor er met
stormachtig weer veel water naar binnen spoelde. Het gaf nogal wat soesa om dat
er steeds uit te pompen. Daarom hadden vader en oom Riekend er een dek op laten
maken. De boot was uitgerust met zeilen en met een dieselmotor. Als we thuis
waren, lag ze altijd op haar vaste plek aan de kade in de oude haven vlak bij
ons huis. Dat stukje kade met het aangrenzende strookje water had vader
indertijd van de gemeente kunnen kopen.
We kochten onze vis op de afslagen in Vollenhove, Lemmer, Stavoren, Makkum,
Enkhuizen, Den Oever en op Urk, maar ook van vissers, die met de vangst naar hun
thuishaven voeren. Iedere visser kende onze Zeester. Voor de dichting van de
Afsluitdijk ging onze belangstelling vooral uit naar paling, haring en spiering.
Er werd ook bot en ansjovis gevangen op de Zuiderzee, maar daar handelden we
niet in. Bij het zoet worden van het water in het IJsselmeer verdwenen de
haring, ansjovis en bot. Er kwam echter snoekbaars, baars en blei voor terug.
Haring betrokken we vanaf toen van de afslag in Harlingen. Een commissionair
kocht ze daar voor ons in. Deze haring kwam van de Waddenzee. Het was vis van
een puike kwaliteit.
Het was niet gebruikelijk haringen van de Zuiderzee en de Waddenzee meteen na de
vangst te zouten. In de rokerijen als die van ons werden ze in verse toestand
als zogenoemde "natte bokkingen" aan een houten spijl geregen, een "speet"
geheten. Voor dat aanspeten hadden we vrouwen in dienst. Ze kwamen bij oproep.
Als we een partij vis hadden aangekregen, hoefden we het maar aan een van hen te
zeggen. Deze gaf dan aan de anderen door: "D'r is haring!" In een ommezien was
onze ploeg dan aanwezig.
De volle speten kwamen in rijen naast elkaar en in etages boven elkaar te hangen
in een stenen rookruimte met de naam "hang". Zo'n hang was om en nabij een meter
breed, vijf meter diep en vier meter hoog. Het bouwwerk liep in een schoorsteen
uit. Vaak stonden er drie of meer van zulke hangen naast elkaar.
Het houtvuur onder natte bokkingen mocht niet te fel branden. Natte bokkingen
mochten namelijk alleen maar droog worden en licht gerookt. Als ze voldoende
droog waren, werden ze met twee zestallen bijeen aan een wilgentwijg geregen en
daarna verkocht. Zo'n volle twijg heette een "riesien" bokking. De twijg, die we
gebruikten, was afkomstig uit de "twiegbente" even ten oosten van de
rioolzuiveringsinstallatie aan de Noordwal. Door het licht roken en het drogen
was dit soort bokkingen een paar dagen houdbaar. Alvorens ze te bakken sneed een
huisvrouw ze aan de rugzijde door, vouwde ze open en zoutte ze desgewenst.
Op maandagochtend om vier uur stonden de eersten al met hun grote manden bij ons
op de stoep om zoveel "riesies" te komen halen als ze die dag dachten te zullen
verkopen. Ze wilden ze versgerookt hebben. Het betekende dat we in de haringtijd
ook op zondag in touw moesten. Nu was deze dag voor ons wel vaker geen rustdag.
Onze afnemers in plaatsen in het hele land, waar op zondag in de namiddag de
jaar¬lijkse kermis of een ander feest begon, wilden op die ochtend bevoorraad
worden. Enschede beet elk jaar de spits af met de paaskermis in het Volkspark.
Droge bokking werd gemaakt van ijle haring. Ze werd omstreeks de jaarwisseling
gevangen voor de Zeeuwse kust als ze net kuit geschoten had. Ze was dan mager en
dus goed geschikt om er droge of harde bokking van te maken. Ze werd langer
gerookt dan de overige haring.
Het was tamelijk goedkope vis en daarom aantrekkelijk voor de visventers.
Stoombokking was haring uit de Noord- of Waddenzee die licht werd gezouten om
haar op smaak te brengen.
Ze werd boven een flink vuur gerookt, maar kon gewoon gegeten worden. Haring uit
de Noordzee die direct in vaten werd gedaan, moest voor de houdbaarheid
uiteraard meer gezouten worden. We haalden ze met de vrachtwagen uit Vlaardingen.
Het water in de vaten werd bij de rokerij steeds weer ververst om het zout eruit
te spoelen. Daarna werd de haring uit de vaten gehaald en zwaarder gerookt dan
de haring uit de Zuiderzee en de Waddenzee.
We verkochten ze onder de naam Engelse bokking of spekbokking. Ze was zo sterk
van smaak dat ze alleen op de boterham gegeten werd. Vaak namen we uit
Vlaardingen tevens makreel, spiering en bliek mee. Makreel werd gestoomd, dat
wil zeggen boven een zo heet vuur gerookt, dat ze gaar werd. Ook spiering werd
gestoomd en daarna onder de naam sprot in de handel gebracht. Spiering kwam van
de Zuiderzee en later het IJsselmeer. De bliek haalden we uit Dokkumer Nieuwzijl.
Vissers op de Lauwerszee brachten de vis daar aan wal. Bliek werd net als
makreel en spiering gestoomd.
Er ging heel wat hout door in de vuren in onze hangen. Ik zie mijn grootvader
nog zo bezig met zijn bijl op de kade aan de haven bij onze houtvoorraad. Nog
tot in zijn tachtigste was hij daar actief. In het begin gebruikten we meestal
boomstammen, die opgevist waren uit het water tussen Schokland en Urk. Dat soort
boomstammen werd ook aangetroffen in het veen in Noordwest-Overijssel en op de
bodem van het
Belter- en het Beulakerwiede. In de middeleeuwen en misschien al wel daarvoor
moet dit uitgestrekte gebied begroeid geweest zijn met een uitgestrekt bos. Het
lijkt erop dat de bomen zijn omgewaaid bij een noordwesterstorm, de ligging van
de stammen wijst daar althans op. In de eeuwen erna zijn ze met veen overgroeid.
Toen dat soort boomstammen niet meer te koop was, stookten we vooral het hout
van afgedankte botters, bollen, zeepunters en andere vaartuigen.
Paling was de duurste vis die we rookten. In tegenstelling tot de meeste andere
vissoorten werd ze het hele jaar door gevangen. We betrokken ze in hoofdzaak van
de afslagen aan de Zuiderzee en later het IJsselmeer onder meer van die in
Lemmer, Stavoren, Makkum en Den Oever. Maar de binnenvissers waren ook
leveranciers van betekenis. Berend Miggels in Jonen was er zo een. Heel
regelmatig haalden we een partij bij hem op. De paling en de andere vis, die we
meenamen uit zijn karen op de hoek van de Vaartsloot en de Cornelisgracht voor
zijn huis, had hij niet allemaal zelf gevangen. Berend kocht ook vis op van
vissers uit zijn omgeving. Eens in de maand betaalde vader Berend uit. Soms
fietste hij zelf met het geld naar Jonen, maar meestal liet hij het mij
wegbrengen. Het was een ommelandse reis over de Blauwe Hand en Giethoorn. Het
laatste stuk over het smalle zandpaadje van Dwarsgracht naar Jonen vereiste
bovendien nogal wat behendigheid, in het bijzonder met regen en wind.
Het heeft mij al eens bijna een nieuwe pet gekost en nog wel een zeemanspet van
drie rijksdaalder die ik, opgroeiende jongen, zelf gekocht had en waar ik zo
trots op was. Het hoofddeksel dobberde op de Cornelisgracht. Er zat niets anders
op dan in het water stappen. Met een nat, koud been, de pet stevig op het hoofd
en een flesje bier van Berend achter de knopen reed ik terug naar huis.
We haalden niet alleen vis uit de wateren van Noordwest-Overijssel, we brachten
er ook vis naar toe; jonge palingen, glasaaltjes genoemd. Zo droegen we bij aan
de instandhouding van deze vissoort in die streek. Palingen schieten kuit in de
Sargassozee, een gebied in de Atlantische Oceaan. Dat wordt althans aangenomen,
maar zekerheid daarover bestaat er niet. Meegevoerd door zeestromen komen de
jonge palinkjes vele maanden na hun geboorte de binnenwateren in West-Europa op.
Ze zijn dan een centimeter of zeven lang. Kleur hebben ze dan nog niet, je kunt
er doorheen kijken; vandaar de naam glasaaltjes. In de maanden maart en april
zoekt een aantal van deze beestjes het zoete water in Nederland op. Op
verschillende plaatsen worden ze echter tegengehouden door obstakels als dammen,
stuwen en sluizen. De in mijn jongensjaren net nieuwe Afsluitdijk was en is ook
nu nog steeds zo'n obstakel. Er zijn wel openingen in deze dijk, er zijn
keersluizen voor het spuien, er is een schutsluis bij Kornwerderzand, er is
indertijd zelfs een speciale sluis in gebouwd, waar glasaaltjes naar binnen
kunnen het IJsselmeer op, maar voldoende is het niet. Willen ze van het
IJsselmeer verder naar het merengebied van Noordwest-Overijssel, dan vinden ze
het gemaal aan de Ettenlandse kolk en de sluis in Blokzijl op hun weg. Om de
palingstand in dit gebied enigszins op peil te houden, haalden wij in het laatst
van de jaren dertig elk voorjaar met de Zeester een partij glasaaltjes op van
het Hollands Diep. De beestjes waren daar door vissers uit het water geschept.
Thuisgekomen voeren we ermee naar Jonen. Daar werden we opgewacht door zo'n
tiental vissers met vispunters met een vaste bun en roeiboten met losse bakken.
Ze waren door de opziener van de visserijen in Overijssel, de heer Van 't Hart,
van onze komst op de hoogte gesteld. Ik voelde me op zo'n dag op onze Zeester
soms even als passagier op een boot naar ons toenmalige Oost-Indië bij Suez.
Daar kwamen de armen onder de plaatselijke bevolking in hun vaartuigje langszij
om te bedelen. In Jonen kwamen de vissers evenwel iets van ons kopen. Ieder van
hen kreeg zijn rechtmatige aantal ponden, onder toeziend oog van Van 't Hart, om
deze in zijn visgebied uit te zetten.
Ook naar de Friese binnenwateren brachten we elk jaar zo'n lading pootaal, zoals
de glasaal ook wordt genoemd. Daar had opziener Bangma het toezicht.
Palingen doen er in onze wateren zeker een jaar of zeven tot acht over eer ze
volwassen zijn. Ze worden dan gevangen. Vissers beginnen er echter al
belangstelling voor te krijgen als ze zo'n vier jaar oud zijn. Het kon dus
gebeuren dat we pootaal, die we aan vissers verkochten, na een jaar of vier al
weer van hen terugkochten. Net als destijds ook dan weer bij het pond. Het
verblijf in het zoete water had ze in die jaren wel goed gedaan. Van pootaal
gaan er om en nabij vijftienhonderd in een pond, van ongeveer vierjarige paling
zeven tot acht en van volwassen dieren vijf tot zes.
Waar we met de snoekbaars, baars, blei en andere witvis bleven, die we van de
vissers kochten? Daarvoor hadden we vaste afnemers, onder meer Wijnbelt in
Woudrichem. We brachten ze er met onze vrachtauto heen. Wijnbelt had een
groothandel in zoetwatervis.
Op zichzelf droeg de handel in witvis niet een groot deel bij aan ons inkomen,
maar ze was zeker niet onbelangrijk. Dat was ook het geval met "nest". Nest was
de bijvangst aan vis, die met de netten werd binnengehaald. Ze bestond uit
allerlei soorten jonge vis. Wij namen dat spul van de vissers over en vervoerden
het met onze boot naar een koper in Harderwijk. Deze verkocht het op zijn beurt
aan eendenmesters op de West-Veluwe.
In het najaar pelden we nu en dan garnalen. Deze kwamen van onze
collega-vishandelaren Hendrik en Johan van Gulik. De beide mannen hadden in de
jaren dertig aan de andere kant van de oude haven een schuur, waarin garnalen
werden gekookt. Ze stond naast de werfschuur van de botenbouwer Jan Kroeze. Als
ze gaar waren, werden ze op zeven van grof gaas uitgespreid om af te koelen.
Harm Lassche (Harm van Tiesekien) had hier het toezicht. De gekookte dieren
moesten zo gauw mogelijk worden gepeld. Dit gebeurde door thuiswerkers uit de
buurt. Ook wij haalden daar meermalen één of meer emmers vol garnalen op om ze
thuis in de keuken van hun harde omhulsel te ontdoen.
De heren Van Gulik waren tevens eigenaar van een ijskelder. Deze lag in de
Rietvink in Blokzijl. Wanneer het in de winter had gevroren, hakten ze een grote
partij ijsblokken uit het Noorderdiep en andere grachten en sloegen die op in
hun kelder. In deze diepe en goed geïsoleerde ruimte smolt het ijs maar
langzaam. Er werd veel meer ijs ingestouwd dan nodig was voor de koeling van de
eigen vis, de heren ver¬kochten eveneens wat aan anderen. Wij hebben er ook
menigmaal een vrachtje gehaald. IJsfabrieken hadden we in die tijd namelijk nog
niet, tenminste niet in onze omgeving. We konden niet met de vrachtauto tot bij
de kelder komen, daarop was het bruggetje dat toegang gaf tot de Rietvink niet
berekend. We lieten de wagen aan het eind van de Kerkstraat of in de Breestraat
staan en gingen lopend verder. Het was niet ver, maar met vismanden vol ijs leek
het wel een kilometer.
In de dagen na de capitulatie op 14 mei 1940 hernam het leven vrij snel zijn
gewone gang. De Nederlandse soldaten kwamen na enkele weken uit hun
krijgsgevangen¬schap terug. Van de Duitse overheersers merkten we in Vollenhove
nauwelijks iets. De vissers trokken weer het water op, er kringelde weer rook
uit onze hangen omhoog en we leverden weer paling aan onze afnemers. Zo zou het
dat hele jaar doorgaan en ook nog het volgende.
Het jaar daarop toonden de bezetters geleidelijk aan meer en meer hun ware
gezicht. Ze begonnen het de bevolking moeilijk te maken. Vooral de joden moesten
het ontgelden. Verschillenden van hen doken onder bij niet-joodse landgenoten.
Ook in Vollenhove vonden enkelen een veilige plek, onder andere bij de
kleermakers Piet en Jan IJspeert aan de Kerkstraat.
Zaterdags na het middaguur veranderden de beide IJspeerts hun kleermakersatelier
nog net als voorheen in een barbierswinkel. Ze zetten de scheerkwasten en de
zeep klaar en maakten hun messen scherp. Het was er dan tot ver in de avond een
komen en gaan van klanten. Nieuwtjes uitwisselend en sterke verhalen vertellend
wachtten ze, gezeten op lange banken langs de wand, hun beurt af. Het was er
telkens weer een gezellige boel. Piet en Jan hadden eer van hun werk, vooral bij
de visserlui. Dezen kwamen binnen met een baard van een week.
In de loop van 1942 voelden we gaandeweg meer en meer dat de meeste goederen
schaars werden brood, vlees, aardappelen, groenten, brandstof kleding,
rookartikelen en vele andere producten werden daarom gedistribueerd, of gewoner
gezegd verdeeld, volgens een bonnensysteem. Buiten deze bonnen om was er echter
ook nogal wat koop. Wat het eten en drinken betreft, viel het daardoor op het
platteland met de krapte wel mee. Bijna iedereen daar had wel familie of
kennissen in boerenkringen. Ook ontstond er een levendige ruilhandel. Wie een
aantrekkelijk ruilproduct had, was goed af. Zout was zo'n product. Wij hadden er
nooit gebrek aan; ons bedrijf had een flinke toewijzing. Door er zuinig mee om
te springen, hadden we een voorraadje kunnen aanleggen. Dat spraken we aan als
we de boer opgingen voor graan, aardappelen, melk, enz.
Het kostte in de loop van de tijd wel steeds meer moeite om onze zaak gaande te
houden, vooral toen we nauwelijks meer dieselolie toegewezen kregen. Dat begon
tegen het einde van 1943. De olie, die we nog hadden en verder konden kopen,
gebruikten we vanaf toen voor onze Zeester. Voor onze vrachtauto schaften we een
generator aan. Dat was een vrij hoge, rechtop staande, stalen cilinder, die
gevuld werd met blokles hout of steenkolen. Daaronder brandde een vuur. Door de
hitte werden het hout en de kolen vergast. Dat gas, of beter dat gasmengsel, was
brand¬baar. Het werd onder druk door een leiding naar de motor gevoerd.
De generator stond net achter de cabine van de vrachtwagen in een hokje op de
laadbak. Het was behelpen, maar we redden er ons mee. Als de druk van het
gasmengsel te laag werd, begon de motor te pruttelen. Dan zetten we de auto stil
aan de kant van de weg en rakelden het vuur onder de generator flink op. Zo
konden we na een poosje verder rijden. Een tocht naar Dokkumer Nieuwzijl duurde
daardoor veel langer dan voorheen. Vooral de terugweg met een zware lading bliek
kostte tijd. Wanneer we onderweg ook nog de pech hadden, dat een al enkele malen
opgelapte band langzaam spanning verloor, werd het helemaal een latertje. Ik
herinner me de keer, dat dit bij Smilde gebeurde. Een garage opzoeken om de band
te laten repareren kwam niet eens bij ons op. Garages waren er in die tijd
nauwelijks en in een dorp helemaal niet. We stapelden de zware vracht verse vis
aan de kant met de goede banden, nou ja goede, stookten de gaspot nog eens op,
en sukkelden met het sterk hellende geval op huis aan. Daags daarna repareerde
onze medewerker Gerrit Schuring, een man met een technische aanleg, de band zo
goed als dat nog mogelijk was. Wij stoomden ondertussen de vis, want onze
afnemers in de buurt, onder meer vishandelaar Witvoet in Meppel, verwachtten de
volgende dag hun pakjes bliek. Ze zouden ze in een ommezien kwijt zijn, want vis
was in tegenstelling tot vlees niet op de bon.
Ons bedrijf was één van de zeer weinige in Vollenhove, dat nog de beschikking
had over een vrachtauto. We voerden daardoor nogal eens opdrachten uit, die
niets met onze handel te maken hadden. Zo kreeg vader verschillende malen een
verzoek van het distributiebureau ter plaatse om ergens op een adres meel,
aardappelen, steenkolen of zo iets te halen en naar het ziekenhuis De
Weezenlanden in Zwolle te bren¬gen. Voor een vergunning van een dergelijk
transport moest één van ons naar de commandant van de "Grüne Polizei". Deze
huisde met zijn staf in een grote villa in het park achter het gerechtsgebouw
aan de Potgietersingel.
De steenkolen moesten naar de kelder van het ziekenhuis, waar de kachel van de
centrale verwarming stond. Meel, aardappelen en ander voedsel zeulden we vijf
trappen op naar de bovenste zolder, waar ook de nonnen huisden.
De vissers uit Vollenhove kwamen inmiddels alleen maar zaterdagsavonds voor een
weekend met hun boot naar huis. Op doordeweekse dagen overnachtten ze in
Schokkerhaven. Wij haalden hun dagvangsten daar elke avond op met onze boot.
Over de uitbetalingsprijzen hadden we nooit moeilijkheden; de vissers wisten dat
we de gemiddelden aanhielden van de bedragen op de afslagen in Elburg en op Urk.
Op vrijdag 17 november 1944 waren Gerrit Schuring en ik tijdig in de richting
van Schokkerhaven gevaren. Bij de anders zo stille omgeving van de Kadoelerbrug
was een grote bedrijvigheid van Duitse militairen. We vertrouwden deze
activiteit niet, zo begonnen doorgaans razzia's wisten we uit ervaring. Ze
lieten ons ongemoeid. In Schokkerhaven vertelden we de vissers wat we gezien
hadden en gaven hun het advies voorlopig niet naar huis te gaan. Zelf durfden we
ook niet terug. Samen met de vissers voeren we het Ganzendiep op en zochten een
plekje op in de stille eenzaamheid van het riet langs de oever. Anderen hadden
daar hun boot ook al in veiligheid gebracht. Er lagen zelfs een paar verlaten
Rijnaken. Dat soort schepen liep op het open water gevaar door geallieerde
jachtvliegtuigen te worden beschoten. Ze zouden goederen aan boord kunnen hebben
voor het bezettingsleger.
Gerrit en ik hadden wel eten bij ons, maar niet meer dan voor een dag. Gelukkig
bleek bij een verkenningstocht over een van de aken, dat we vooreerst niet
hoefden te verhongeren. We vonden weckflessen met verschillende etenswaren,
onder meer vlees. Van de laatste namen we er een paar mee naar onze boot. Pannen
en potten hadden we zelf wel en ook brandstof. Zo hebben we op ons duveltje, een
kacheltje dat in de kajuit van elke vissersboot stond, een paar lekkere en
voedzame maaltijden kunnen bereiden. Dat we ons het vlees onrechtmatig hadden
toegeëigend, drong onder de gegeven omstandigheden niet tot ons door. Dat het
verstandig was geweest ons een paar dagen niet in Vollenhove te laten zien,
bleek toen we thuiskwamen. Talloze onderduikers uit de polder, en ook
verschillende mannen uit het aangrenzende deel van het oude land, waren
opgepakt. Velen van hen waren tijdelijk ondergebracht in het Nutsgebouw in
Vollenhove. Ze hadden vervolgens in een colonne naar het station in Meppel
moeten lopen. Een trein stond klaar om ze van daar vervolgens naar Duitsland te
brengen. Onder de opgepakten bevond zich een broer van mijn vrouw Pim.
Vader had in die dagen ook een poosje vastgezeten in het Nutsgebouw. Er was een
voorraadje dieselolie in ons bedrijf gevonden. Nadat vader had aangetoond dat
hij deze olie op legale wijze had gekocht, was hij vrijgelaten.
Was het in de weken voor de onderduikdagen in het riet niet gemakkelijk
geweest om ons bedrijf op gang te houden, in de maanden erna, algemeen de
hongerwinter genoemd, werd het ronduit moeilijk. Met bakkers, slagers,
kruideniers en andere middenstanders ging het niet beter. Hun voorraden werden
amper aangevuld. Vaak moest aan klanten "nee" verkocht worden, zelfs al hadden
ze bonnen. Honger is er echter in Vollenhove niet geleden. Maar de bevrijding
heeft de bevolking er net als elders in het land als een warm bad ervaren.
De ingeslapen verenigingen werden weer actief, ook onze zangvereniging.
Bovendien werden er nieuwe verenigingen opgericht, onder meer de
toneelvereniging De Toutenburghers. Ze was een initiatief van Maarten Mantje en
zijn vrouw Joke. Mantje was opzichter van Staatsbosbeheer en woonde in die tijd
in Vollenhove. Pim en ik zijn jarenlang met veel plezier actief lid geweest van
deze vereniging. Bij ons afscheid zijn we tot erelid benoemd.
Ons bedrijf had vrij gauw na de bevrijding zijn vroegere omvang weer bereikt en
het groeide daarna gestadig door. Dat was ook nodig, want vier gezinnen Jongman
en enkele medewerkers moesten er de kost verdienen. In 1946 trouwden Pim en ik
en niet lang daarna volgden Piet en zijn vriendin ons voorbeeld. Vader had de
eerste tijd nog de algehele leiding, oom Riekend was schipper op de Zeester,
Piet was de roker en ik hield me bezig met de handel en de boekhouding. Ik was
daardoor vaak lange dagen op pad, in drukke tij¬den zelfs tot ver in de avond.
Mijn verjaardag op 3 december heb ik daardoor heel vaak niet zoals het zo mooi
heet: "in huiselijke kring" kunnen vie¬ren. Op die dag bezorgde ik op een
vijftigtal adressen, in hoofdzaak bij viswinkels, in en om Groningen en Assen
een partijtje gerookte paling. Hun omzet was net voor sinterklaas aanmerkelijk
groter dan in andere tijden.
In het midden van de jaren zeventig onderging de samenstelling van de firma
Jongman een verandering. Vader liep tegen de tachtig en trok zich terug, oom
Riekend haakte af en mijn fysieke gesteldheid dwong mij het kalmer aan te doen.
Ik trad daarom uit de firma, maar liet me gelijktijdig op de loonlijst van mijn
broer Piet plaatsen. Aan deze dienstverhouding kwam na enkele jaren helaas een
eind. Piet werd ziek en stierf in 1979. Aan de vishandel en de rokerij van de
Jongmans kwam daarmee een eind.
Een interview van T.R. Stegeman, Meppel op 9 en 16 november 1998 voor een artikel in het Kondschap, uitgave van de Stichting Oudheidkamer Brederwiede.