Het
bestaat sinds 1919 en dus minder dan 100 jaar, maar het heeft inmiddels een
onuitwisbare invloed achtergelaten in Vollenhove en het gebied daar (ver)
omheen. Sinds 1997 is het een rijksmonument, een belangrijk stuk industrieel
erfgoed in de strijd tegen het water. Maar het is nog steeds volop in gebruik
bij het Waterschap Reest en Wieden. Het watergemaal A.F.Stroink, zoals
het officieel heet, is een uiterst belangrijk kunstwerk in de waterhuishouding
van Noordwest-Overijssel. Zonder dit gemaal aan de rand van het oude en het
nieuwe land, zou bij veel neerslag grote delen van de Kop van Overijssel onder
water komen te staan. In 2003 is de buitenkant gerestaureerd en in 2008 de
binnenkant.
Halverwege de veertiende eeuw legde men in het Land van Vollenhove de
Zuiderzeedijk aan als bescherming tegen
de oprukkende zee. Deze dijk ontstond vermoedelijk door het aaneenschakelen van
lokale waterkeringen van oudere datum. De dijken in dit gebied hadden een
tweeledige functie: ze beschermden het achterliggende land tegen aanvallen van
de Zuiderzee, maar ook tegen te hoge waterstanden van de rivieren. Voor de
afwatering van het binnendijks gebied bouwde men op plaatsen, waar bestaande
waterlopen de dijk kruisten, uitwateringssluisjes (zijlen).
Toen vanaf het eind van de vijftiende eeuw de natte vervening op gang kwam, werd
de natuurlijke afwatering een steeds groter probleem. De Steenwijker Aa, de
belangrijkste afvoerweg naar de Zuiderzee, was smal, kronkelig en ondiep. Door
ontwatering en natte verevening moest de Steenwijker Aa echter steeds meer water
verwerken. Dit had tot gevolg dat lage landerijen regelmatig overstroomden. Door
de aanleg van het Nieuwe Diep of het Steenwijkerdiep (1626-1632) onderving men
dit probleem grotendeels.

Deze
oplossing was echter van tijdelijke aard. Als gevolg van grootschalige
vervening, bodemdaling en inklinking nam de wateroverlast in de achttiende eeuw
steeds grotere vormen aan. Tijdens zware stormen in de winters van 1775/1776 en
1825 verdwenen grote stukken veenland in de golven. Zo ontstonden onder ander de
Beulaker- en de Belterwijde.
Door de overstromingsrampen ontstond de wens de waterbeheersing centraal te
regelen. Een belangrijke stap was de oprichting van het 'Heemraadschap des
Kwartiers van Vollenhove' in 1804. Deze organisatie kreeg de taak de zeedijken
te beheren en te verzorgen
Het uitwateringssysteem van Noordwest-Overijssel werkte in het midden van de negentiende eeuw als volgt. Het overtollige water werd afgevoerd naar de Zuiderzee. Dit gebeurde direct via de schutsluis van Blokzijl en indirect via Linde, Meppelerdiep en Zwarte Water. De uitwatering op de Linde vond plaats via de sluis in Ossenzijl. Op het Meppelerdiep werd uitgewaterd door de sluisjes bij Doosje en Beukers. Daarnaast loosde de Arembergerschutsluis op het Zwarte Water. Voortgaande ontginningen in Drenthe en Friesland zorgden echter voor een toenemende waterafvoer via Meppelerdiep en Linde en hiermee voor hogere waterstanden. Deze hoge waterstanden maakten lozing van het overtollige water uit het Land van Vollenhove nauwelijks mogelijk.
Na
1900 nam het aantal voorstanders van bemaling van de polders snel toe. In 1916
hield men een stemming onder de ingelanden van het
Waterschap Vollenhove en de uitslag
was overduidelijk: 6.184 voorstanders van bemaling en 66 tegenstanders. Hierop
bouwde men in de jaren 1919-1920 bij de sluis aan de Ettenlandse Kolk het gemaal
A.F. Stroink. Men noemde het naar de dijkgraaf, die zich jarenlang had ingezet
voor de komst van het gemaal. De bouw kreeg rijkssubsidie door toedoen van
minister C. Lely, bekend van de latere Zuiderzeewerken en naamgever van
Lelystad. Op 9 juni 1920 werd het gemaal officieel in gebruik genomen met twee
Jaffa centrifugaalpompen. Een jaar na de opening kwam ook koningin Wilhelmina
zich persoonlijk op de hoogte stellen.
Aanvankelijk had het gemaal twee stoommachines, vandaar de naam 'stoomgemaal' die het tot op de dag van vandaag onder de locale bevolking heeft gehouden. Vanwege het kostenaspect werd toch nog gekozen voor stoombemaling, hoewel elders in het land al elektrische gemalen werden gebouwd. In 1928 voegde men hier een derde machine aan toe. Hiervoor breidde men het gebouw aan de zuidzijde uit. Deze capaciteitsuitbreiding, van twee naar drie pompen, was nodig vanwege de plannen rond het Meppelerdiep en de daarbij gepaard gaande waterafvoer vanuit Zuidwest Drenthe.
In
natte perioden, wanneer er 24 uur per dag moest worden gemalen, waren 29 mensen
nodig om de machines te laten draaien. Daarom werden naast het gemaal twee
dubbele dienstwoningen gebouwd, geflankeerd door opzichterswoningen. Tevens
bouwde men een werkplaatsje.
Voor het in bedrijf houden van het gemaal had het waterschap twee machinisten, een hulpmachinist en drie stokers in vaste dienst. Daarnaast waren turfkruiers nodig voor transport van de turf uit de schepen, waarmee deze vanaf Drenthe, uit de omgeving van Emmen, via het verbindingskanaal met de Beulakkerwijde werd aangevoerd. Het ging om 'lange turf', dat zelfs meer energie leverde dan de aanbevolen steenkool ('nootjes'). Het kruien en stoken waren welkome bijverdiensten voor kleine boeren in de omgeving.
De stoommachines werden in 1953, 1960 en 1961 vervangen door dieselmotoren. Het ketelhuis is vanaf 1962, het einde van het stoomtijdperk, in gebruik als machinewerkplaats. De 50 meter hoge schoorsteenpijp, een herinnering aan het stoomtijdperk, sloopte men in 1980 na hevige protesten van het (voormalig) personeel en de locale bevolking, waarvoor het steeds een markant herkenningspunt in het landschap was geweest. En in de Tweede Wereldoorlog zelfs soms een tijdelijke onderduikplaats voor de broers Stoker, die in het verzet zaten en er vlak bij woonden (de schoorsteen had niet alleen ijzeren treden aan de buitenkant, maar ook aan de binnenkant...).
In 1982 is één dieselmotor vervangen door een elektrische motor. en deze leverde het grootste aandeel in de capaciteit. De andere twee diesels zijn in 1994 vervangen door modernere dieselmotoren
Tussen 2000 en 2008 is het gemaal opgeknapt, en zijn de machines gereviseerd.


Het gemaal A.F. Stroink is van groot belang voor de waterhuishouding van Noordwest-Overijssel en Zuidwest-Drenthe. Het gemaal voert het teveel aan water af. Maar dankzij de waterinlaat bij dit gemaal wordt er sinds 1997 ook voor gezorgd dat het watertekort (in 2003 bijna 14 miljoen kubieke meter) in dit deel van het verzorgingsgebied van het waterschap Reest en Wieden wordt aangevuld met kwalitatief goed water. voorheen werd dit gedaan via de driewegsluis aan de grens met Friesland.
Het gemaal is ondergebracht in een groot gebouw onder met pannen gedekte schilddaken. Aan het gebouw is sinds de uitbreiding van 1928-'29 nauwelijks iets veranderd. Het interieur is nog grotendeels in oorspronkelijke staat met een vloer en wanden die zijn bekleed met geglazuurde tegels.
Het
hoge middendeel met open houten kapconstructie en de lagere noordvleugel met
verlaagd plafond vormen de oorspronkelijke bouwdelen uit 1919-1920. Hun gevels
zijn geleed door middel van lisenen. Die van het middelste bouwdeel zijn sterk
geprofileerd en op de hoeken overhoeks geplaatst. Aan de voorzijde wordt het
gebouw gedomineerd door drie grote woodpomppijpen, die zijn aangesloten op de
twee in het middelste bouwdeel staande dieselmotoren en de elektromotor in het
rechter gedeelte. De pijpen zijn omlijst met uitgemetselde rondbogen met
decoratieve steenverbanden. Aan de achterzijde heeft het hoog opgaand middendeel
twee rechthoekige vensters onder segmentboogvormige ontlastingsbogen.
Het toegevoegde gedeelte met in staal uitgevoerde open dakstoel, heeft aan de
achterzijde drie reeksen stalen vensters. In de zuidgevel en het aangebouwde
muurtje zijn gedenkstenen uit 1919 en 1928 geplaatst. Onder de dakrand bevindt
zich een reeks van tien venstertjes.
Het gemaal is grotendeels nog in oorspronkelijke staat met een tegelvloer en
binnenmuren die zijn bekleed met geglazuurde tegels. De tussenmuur met arcade is
de buitenmuur van de eerste bouwfase.

Het
aan de dijk tussen Vollenhove en Blokzijl gelegen gemaal is door zijn
opvallende, dominante verschijning in het weidelandschap zeer beeldbepalend. Aan
het gebouw is sinds de uitbreiding van 1928-'29 nauwelijks iets veranderd,
waardoor het als gaaf kan worden gekwalificeerd. Het is van cultuurhistorische
waarde als uitdrukking van technische ontwikkelingen op het gebied van de
waterbouwkundige werken en als sleutelproject in de landaanwinnings- en
ontwateringsprojecten in het Land van Vollenhove. Het is in verschillende
opzichten tevens van architectuurhistorisch belang en ondanks het gemis van de
schoorsteen, in interieur en exterieur een fraai voorbeeld van vroeg twintigste
eeuwse utiliteitsbouw. Vanwege formaat en capaciteit heeft het gemaal bovendien
enige zeldzaamheidswaarde.

In oktober 2003 werden de restauratiewerkzaamheden aan de buitenkant met een feestelijke bijeenkomst in het gemaal officieel afgesloten met het plaatsen een gedenksteen in het gemaal. De restauratiekosten bedroegen meer dan een half miljoen euro. Het dak werd volledig vernieuwd, maar ook een groot deel van het voegwerk is hersteld. Nieuwe goten en bijna alle kozijnen en ramen werden vervangen. Tijdens het werk is besloten om het dak van het ‘ketelhuis‘ van isolatie te voorzien, omdat daardoor de binnenzijde van de kap in het zicht kon blijven. Dit was voorheen door een verlaagd plafond aan het zicht onttrokken. Ook kwam er een nieuw krooshek met automatische krooshekreiniger, werden damwanden vernieuwd en kreeg het terrein een nieuwe verharding.
De restauratie van het interieur van het gemaal werd in 2008 afgesloten met de publicatie van het boek van dr. T.J. Rinsema: Watergemaal A.F.Stroink; een monument in het Land van Vollenhove, geschreven in opdracht van het Waterschap Reest & Wieden.