In
de Romeinse tijd, aan het begin van onze jaartelling, was er op de plaats van
het huidige IJsselmeer een zoetwatergebied, het Flevomeer.
Ten zuiden van de lijn Enkhuizen - Staveren lag dit meer dat ook een eiland
genaamd Flevo omvatte en de Rhenus - een der drie Rijnarmen - tot voedingsbron
had. Langs de Flevus, later Vliestroom genoemd, vond dit water zijn uitweg naar
de Friese Middelzee en vervolgens naar de Noordzee tussen Terschelling en
Vlieland. Een andere arm – de Isala (IJssel) – stroomde tussen Terschelling en
Ameland. De Isala (IJssel), destijds een minder belangrijke arm van de Rijn, zou
Iater voor steden als Deventer Zutphen en Kampen van groot belang zijn.
De meeste Friese rivieren loosden hun water via de brede Vidrus in de Noordzee.
Een deel van de huidige Noordoostpolder was land en de eilanden Urk en Schokland
vormden samen een veel groter eiland. Dat land bestond vooral uit een dikke laag
veen.
Door de hoger wordende temperatuur steeg de zeespiegel. Het water sloeg in 250 na Christus grote delen weg van Denemarken, de Noordzeekust van Nederland en Noord-Duitsland. Het Flevomeer werd aanmerkelijk groter en het gebied tussen de grote rivieren kwam blank te staan. Wie daar woonde, moest uitwijken naar hoger gelegen gebieden. Ook in deze provincie raakte een groot deel van de Kop van Overijssel, het gebied tussen IJssel en Sallandse heuvelrug, onbewoond.
Vermoedelijk was het Flevomeer van de Noordzee gescheiden door een
uitgestrektheid van veenland en een samenhangende duinenreeks welke onderbroken
werd door het Vlie.
Door verbreding van de uitmonding van de rivierarm Flevus konden stormvloeden
binnendringen. Dat had doorbraken ten gevolge zoals in 1170 waarbij het dorp dat
zich op het eiland Griend ten zuiden van Terschelling bevond een prooi der
golven werd. De ramp voltrok zich tijdens een zware noordwester storm met hoog
water.
De strandwal langs de Noordzee tussen Den Helder en Texel werd toen doorbroken.
Het Flevomeer werd brak door de invloed van eb en vloed. De benaming werd toen
Almare of Almere.
,,In de herfst van het jaar 1170 stak er een zoo felle storm uit het noordwesten
op dat de zeegaten tot over de hoge duinen aan de Noordzee gedreven werden”.
Enorme watermassa’s spoelden een deel van het Graafschap Staveren weg. Niet
alleen ten
noorden van het eiland Urk maar ook ten zuiden daarvan ging veel land verloren.
Westelijk van Vollenhove werd eveneens een ware verwoesting
aangericht: het hele gebied tussen de nog niet voltooide
bisschoppelijke burcht tot ver voorbij
het voormalige eiland Schokland sloeg weg waarbij een derde van de landstreek
verloren ging. Dorpen en gehuchten verdwenen in de golven, veel mensen kwamen
om. Het zoetwaterbekken Almere was op slag een binnenzee geworden: uit het
noodlot werd iets goeds geboren.
Tijdens de stormramp verbleef bisschop Godfried van Rhenen in het slot waaraan hij weinig plezier beleefd had. Na de ramp keek hij door de hoge ramen uit over een eindeloze watervlakte die tot dicht bij de burcht opgerukt was. Hij moet zich deze gebeurtenis zo hebben aangetrokken dat hij ,,van zielsverdriet in een uitterende ziekte verviel welke hem na weinige jaren ten grave sleepte".
De Zuiderzee had later nog veel slechts in petto voor het land achter de dijken, die vanaf de 13e eeuw werden opgericht om het water tegen te houden. Het kwam regelmatig tot dijkdoorbraken, zoals in 1825 en 1925. deze laatste leidden uiteindelijk tot het aanleggen van de Afsluitdijk waardoor het IJsselmeer ontstond en de inpolderingen waardoor o.a. de Noordoostpolder ontstond.