Vollenhove en de Noordoostpolder

In de negentiende eeuw was Vollenhove een vissersplaats geworden. De rol als bestuurscentrum was langzamerhand verdwenen, er was alleen nog een regionale functie met een kantongerecht en het waterschap. De adel verdween met de Bataafse Republiek, hun imposante huizen raakten in verval en werden afgebroken. Het Bisschoppelijke fort werd tot de laatste steen afgebroken, met het puin werden de dijken versterkt. De slotgracht werd vissershaven die na de komst van veel Schokker vissers werd uitgebreid met een buitenhaven: de rede voldeed niet meer.

Zo werd de Zuiderzee dus de inkomstenbron. Maar regeringsbesluiten over inpolderingen maakten hieraan een einde. Op 28 mei 1932, om 13.02 uur, werd het laatste gat in de Afsluitdijk, gesloten – en de vlaggen op de vissersschepen in Vollenhove hingen halfstok. Vier maanden later, op 20 september 1932, werd de naam Zuiderzee officieel geschiedenis.

Nog even kon Vollenhove profiteren van het oude Zuiderzeestrand – nu IJsselmeerstrand. Het werd in 1933 een badplaats voor de hele regio, met een heus strandpaviljoen waar kon worden gezwommen, geroeid, gezeild en getennist.

Inpoldering dichtbij

Helaas was inmiddels besloten om na de Wieringermeer niet de Markerwaard in te gaan polderen, maar voorrang te geven aan de Noord Oostelijke Polder. Die was kleiner, goedkoper en er was in het noorden meer behoefte aan cultuurgrond.
Op 2 februari 1936 werd met de voorbereidende werkzaamheden begonnen, en in 1937 werd de aanleg van in totaal 31,5 kilometer dijk aanbesteed.  Daarmee was het met de visserij vanuit Vollenhove praktisch gedaan.

Het dijkvak Voorst – Kadoelen werd aangelegd door Blankevoort. Hoofduitvoerder ir. Van Seventer woonde in een ark, die aan de ‘Leegte’ in de buitenhaven lag.
Er werd hier van moderne cutterzuigers gebruik gemaakt: met een schroef werd de bodem los gewoeld, het zand-watermengsel opgezogen en direct in een leiding geperst.

Tegelijkertijd werd het Vollenhoverkanaal aangelegd langs de nieuwe dijk, vanaf het Zwarte Meer via Vollenhove naar Blokzijl (in Vollenhove bekend als ‘de geul’). De resterende vissers konden zo nog naar een deel van hun visgronden. Het werd later het werkgebied van de laatste Vollenhoofse visser, die er palingfuiken zette.

Eerst werd een kleidijk aangelegd, tegen de binnenkant werd vervolgens zand gespoten. Arbeiders zorgden met de schop voor verdeling van het zand. Een dragline werkte de dijk af.

Tegenover de buitenhaven van Vollenhove was een loswal voor het rijshout, en een productieplaats voor de zinkstukken. Vlechters uit Sliedrecht maakten zinkstukken van wilgenhout, die aan de buitenkant van de nieuwe dijk werden afgezonken met basaltblokken om afslag te voorkomen. Omdat vanwege de oorlog import van basaltblokken niet mogelijk was, werden de oude basaltblokken uit de kliffen bij Vollenhove gebruikt, de vroegere en nu overbodige kustbescherming. Die kliffen werden overigens enkele jaren geleden gerestaureerd.

Door een grote storm, begin augustus 1938, werd een stuk van 250 meter tussen Smeenge en Vollenhove weer weggeslagen.

Op 3 oktober 1939 werd de dijk tussen Lemmer en Urk gesloten. Urk was voortaan geen eiland meer. In 1940 werd de dijk aan de zuidkant van de polder nabij Schokkerhaven gesloten, en kon het droogmalen beginnen.

Ontginning

Na het sluiten begon eerst gemaal Buma te Lemmer, en op 23-4-1941 ook gemaal Smeenge bij Vollenhove te pompen. Gemaal Vissering bij Urk kwam pas veel later klaar.
Gemaal Smeenge, tegenover de Voorst, geeft toegang tot de Zwolsevaart naar Marknesse. Deze vaart was al gebaggerd voor de dijk klaar was: het zand werd o.a. voor de dijk gebruikt.
Met motorbaggermolens zoals de Labrador 2 werd het zand naar boven gehaald en gestort in een zgn. onderlosser, een varende modderbak waarvan de bodem bestaat uit twee kleppen die men kon openen, o.a. op die plaatsen waar de dorpen zouden komen te liggen.

De polder viel officieel droog op 9 september 1942, maar toen was op de hoger gelegen delen al de eerste roggeoogst geweest. De eerste pioniers hadden zich al op de kale zandvlakte gevestigd. Voor de polderwerkers, die greppels moesten graven en drainagebuizen leggen, werden uiteindelijk 21 werkkampen gebouwd. Elk werkkamp had plaats voor 300 arbeiders die er konden eten, slapen en douchen (modern voor die tijd!). Er werd geslapen in kamers van 10 man, in kribben met een strozak. Er waren ook gezinsbarakken, wel van hout maar helemaal compleet - alleen geen echte WC. De vader van Jaap Boekee uit de Hoeksewaard kwam op 13 juni 1942 met zijn gezin als ploegbaas naar de polder en kreeg zo'n woning in kamp Vollenhove, lees het verhaal van Jaap over die tijd.

Kamp Blokzijl, op de hoger gelegen grond, was het eerste werkkamp en opent op 1 september 1941. Jonge enthousiaste mensen zochten een nieuwe toekomst in de polder, waaronder Lucas Huizinga die later in Marknesse ging wonen. Hij vertelde over zijn belevenissen in het boek Ex Undis. Veel werkers komen aanvankelijk uit het noorden, uit Noord-Holland en uit de Zuiderzeestadjes. Later meldden zich ook veel zuiderlingen in de kampen Vollenhove en Ramspol. Hij verhaalt over het leven van hem als katholiek, in een groepje van twintig tussen al die protestanten die hen toch snel accepteerden. Er was een sociaal leven op zondag, met het bezoeken van de mis in Vollenhove, waar hij in aanraking komt met de vissers, soms nog in Schokker klederdracht, en het aansluitende bezoek aan café Belt in de Moespot, op de oude zeedijk naar Blokzijl.
Pas veel later is er de Culturele Commissie, die zelfs artiesten naar de polder haalt om de arbeiders na het harde werk wat ontspanning te bieden.

Het werk is zwaar en het materiaal primitief. Er wordt in het begin zelfs met ossen gewerkt, maar die zijn niet vooruit te branden en belanden uiteindelijk als vleespakket in de zwarte handel. Pas na de oorlog is er ruimte voor mechanisatie, die dan ook snel de helft van de ‘handen’ vervangt. Toch zijn er voortdurend zo’n 4000 arbeiders in de polder bezig, waaronder / waarnaast duizenden onderduikers (er wordt zelfs gesproken van 20.000!).

Vondsten

Ook het eiland Schokland ligt nu droog in de nieuwe polder. De lichtwachter, de enige bewoner, kan zijn baken doven. Het is dan nog geen honderd jaar nadat de toenmalige bewoners in 1859 op last van de regering hun eiland moesten verlaten voor hun eigen veiligheid: het water spoelde er bij storm overheen. Een deel van de bevolking ging in Vollenhove wonen en zette van daar uit de visserij op de Zuiderzee voort. Inmiddels is Schokland ingericht als museum en benoemd tot Werelderfgoed. De plaatsen Emmeloord en Ens ontlenen hun naam aan de dorpen op Schokland.

Er zijn veel archeologische vondsten gedaan. Naast de vele scheepswrakken uit de tijd van de Zuiderzee, verspreid over de hele bodem, werd tussen Vollenhove en Kraggenburg in 2003 een boomkano uit de ijzertijd gevonden. Helaas is (mij) onbekend of ook het wrak is gevonden van het Belgische schip dat in 1917 verging tussen Lemmer en Schokland, waarvan de bemanning liefdevol in Vollenhove onderdak vond bij Lieve Tijm.

Veranderingen

Het aanzicht van Vollenhove veranderde allengs door de beginnende exploitatie van de Noordoostpolder. De buitenhaven veranderde in een werkhaven voor de aanvoer van diverse materialen als zand en grind, en later voor de afvoer van de oogsten zoals suikerbieten en vlas. Er lagen ook diverse arken van waaruit de directie werd gevoerd of waar opzichters waren gehuisvest. Voor anderen werden huizen gebouwd, zoals in de Groenestraat..
Ten noorden van de haven werd de polder door een brug met het oude land verbonden. Pas in 2012 kwam er een volledig nieuwe, zeer modern ogende brug. Het brugwachtershuisje, al jaren niet meer in gebruik doordat de brug op afstand werd bediend, verdween.
De Weg van Rollecate, eeuwenlang de invalsweg naar de stad door de Voorstad, werd verlengd en met een boog om de stad aangesloten via de polderbrug op de weg naar Marknesse en Emmeloord op het nieuwe land. Langs die weg werd de Clarenberglaan aangelegd, vele polderpioniers werden er gehuisvest. Aannemer Kingma, die na de oorlog vele boerderijen liet verrijzen in de polder, bouwde er een groot huis. Er kwam een granietfabriekje waar keukenbladen werden geproduceerd.

Langs de Weg van Rollecate verrezen ook enkele houten keten (o.a. het latere politiebureau) en houten woonhuizen, inmiddels allemaal verdwenen. In het begin van de jaren ’50 kwamen hier ook twee vlasschuren, waarvan er één overleefde en een belangrijke rol kreeg bij het Vollenhoofse feest. Kort geleden is die schuur als industrieel erfgoed erkend en gerestaureerd. Sinds 1964 gaat de weg vanuit de polder, nu Flevoweg, rechtdoor naar St. Jansklooster en verder.

 

 

Vlak voor de polderbrug lag aan de rechterkant van de weg het ziekenhuis voor de polderwerkers. Voor die tijd modern geoutilleerd, met operatiekamer en röntgenafdeling, en met 60 bedden. Het functioneerde tot in 1957 in Emmeloord de voorloper van het Dokter Jansenziekenhuis gereed kwam, genoemd naar polderpionier dokter J.H. Jansen die vanaf 1944 tot hij omkwam bij een motorongeluk in 1950 in de polder actief was en zeer geliefd.

Na de polderbrug lag aan de rechterkant de zogenaamde difteriebarak, een plaats die in de oorlog zorgvuldig gemeden werd door de Duitsers en dus een rol kon spelen bij het verborgen houden van mensen voor de bezetter.
Aan de linkerkant was de Centrale Werkplaats, waar het materieel werd onderhouden. Er was ook een smederij waar de vele paarden die in de polder werkzaam waarden van nieuwe hoefijzers werden voorzien.

Tweede Wereldoorlog

In de oorlog stortten enkele vliegtuigen neer in de polder, die op de aanvliegroute van Engeland naar Duitsland lag - in het hele IJsselmeergebied zelfs honderden. Omgekomen bemanningsleden werden begraven op de begraafplaats in Vollenhove. Na de oorlog werden velen – vooral de Amerikanen – herbegraven op centrale erevelden. Er zijn nog een negental goedverzorgde graven over, die incidenteel nog door nakomelingen van overzee worden bezocht.
De polder was ook een plek waar het verzet wapens uit de lucht kon ontvangen en verbergen. Dat was één van de redenen – naast het illegaal verblijven van veel voor de Duitse oorlogsindustrie benodigde werkers – voor een razzia in november 1944, waarbij de polder structuurmatig werd ‘leeggeveegd’ door een Duitse troepenmacht en iedereen werd weggevoerd via Vollenhove naar het station in Meppel. Uiteindelijk kon door onderhandelingen en ontsnappingen – o.a. tijdens de overnachting in Vollenhove - de helft de dans ontspringen.

Voor de nieuwe polder waren verschillende namen in omloop; zo werd in 1944 de naam Urkerland officieel vastgelegd, net als de namen van de dorpen. In 1948 werd Noordoostpolder de officiële naam. Vanaf de instelling van de gemeente Noordoostpolder in 1962 tot de vorming van de provincie Flevoland in 1986, hoorde de polder bij de provincie Overijssel. Voor die tijd viel het gebied bestuurlijk onder het Rijk. Inmiddels zijn er plannen om Flevoland samen te voegen met de provincies Utrecht en Noord-Holland, maar voor de Noordoostpolder met de gemeenten Urk en Noordoostpolder wordt vermoedelijk een uitzondering gemaakt: die komen dan weer bij Overijssel. Overigens hoort inmiddels een heel klein stukje van de polder bij Lemmer en dus bij Friesland.

Nieuwe welvaart

Na de oorlog bracht het werk in de polder Vollenhove nieuwe welvaart. Veel visserszonen werden omgeschoold tot bouwvakker en bouwden boerderijen, hielpen mee aan het tot stand komen van dorpen zoals Marknesse, Emmeloord, Kraggenburg en Ens.
Al in de Tweede Wereldoorlog werd begonnen met de bouw van boerderijen, in eerste instantie dezelfde typen als in de Wieringermeer. Deze staan voornamelijk aan de oostkant van de Polder, meestal aan het begin van een weg. Omdat ze gebruikt werden om de polder in cultuur te brengen heten deze boerderijen Cultuurboerderijen.
Na de Tweede Wereldoorlog waren stenen en metselaars nog schaars; men maakte toen voor het eerst gebruik van prefab betonelementen. Er werden ook houten huizen gebouwd, de zogenaamde Oostenrijkse woningen. Ondanks het tijdelijke karakter staan er nog vele.
In 1947 begon de uitgifte van grond. De nieuwe boeren werden streng geselecteerd. Ze kwamen voornamelijk uit Friesland, Noord-Holland, en Zeeland (onder andere uit Walcheren dat in oktober 1944 door de geallieerden onder water was gezet). Na de watersnood van 1953 kwamen er nog veel boeren van Schouwen-Duiveland, Tholen en Zuid-Beveland over.

Vollenhove was het aanvoerpunt van water en elektriciteit in de polder. Al in 1932 was de watertoren in Sint Jansklooster gebouwd met dit vooruitzicht. De daar geslagen bronnen voorzagen in vers en schoon drinkwater dat naar de nieuwe poldertoren in Emmeloord werd geleid. Inmiddels is van beide torens deze functie verdwenen.
Op het hoogste punt bij Vollenhove, de Voorst, kwam het schakelstation in de hoogspanningslijn vanuit Zwolle (IJsselcentrale) naar de polder. De masten aan weerszijden van het Vollenhoverkanaal zijn enkele jaren geleden verhoogd om onder de doorbuigende kabels voldoende doorvaarthoogte te creëren voor de grote zeiljachten die bij Royal Huisman Shipyard vandaan komen.

Ook kwamen nieuwe polderwerkers van elders naar Vollenhove, en gingen er met hun gezin wonen. Ondernemers vestigden zich, zoals Van de Graaf (elektromotoren en tandwielkasten) en Van Arkel (loonbedrijf). De vlasoogsten in de polder gaven werk in de eerder genoemde vlasschuren waar het vlas werd behandeld en opgeslagen, en voor transporteurs zoals Visscher (nu VTV) en Uffels. Maar toen de dorpen klaar waren verdwenen de bouwvakkers, en ook het vlas verdween. Zelfs de oogsten van aardappels en suikerbieten kwamen niet meer langs de haven in Vollenhove, die opnieuw helemaal stil viel.
Sommige bouwvakkers vonden opnieuw ander werk, zoals bij de nieuwe fabriek van Hazemeijer (elektrotechnisch schakelmateriaal). Anderen trokken mee met de aannemers naar Emmeloord en later naar de Flevopolders.

De dependance van het Waterloopkundig Laboratorium uit Delft, bij de Voorst, gaf vele Vollenhovenaren een baan – en zorgde voor een invasie van ingenieurs. Er werden allerlei proef- en meetopstellingen op schaal gebouwd voor het ontwerp van de Deltawerken. Toen de computer dit soort zaken overbodig maakte en het laboratorium werd geprivatiseerd was het gedaan met dat werk. In 1996 kwam er een einde aan. In de gebouwen - o.a. nu het Geomaticapark - kwamen wel enige andere bedrijven, maar met veel minder werkgelegenheid. De overblijfselen in het Waterloopbos vormen inmiddels nieuwe geschiedenis.

Een andere, nog grotere werkgever voor Vollenhove was en is het Nationaal Lucht- en Ruimtevaartlaboratorium. Ook deze dependance van de hoofdvestiging in Amsterdam ligt aan de rand van het Voorsterbos op enkele kilometers van Vollenhove (formeel Marknesse). Samen met een Duitse collega richtte dit lab in de jaren ’80 de Duits Nederlandse Windtunnel op, gevestigd langs de Repelweg (die naam is ontleend aan een zandbank die er ooit lag in de Zuiderzee).

Rol van de polder

Naast werkgelegenheid voor Vollenhovenaren is de polderbelangrijk vanwege de middelbare scholen in Emmeloord. Sinds begin jaren ’60 waren daar de Christelijke HBS, nu Emelwerdacollege, en het Prof. Ter Veenlyceum, nu Zuiderzeecollege. Vollenhove had twee Mavoscholen tot eind jaren ’80, maar voor Havo en VWO moest je naar elders – en de afstand naar Emmeloord was dan het kortst. Inmiddels gaan bijna alle middelbare scholieren uit Vollenhove naar Emmeloord, met de bus of op de fiets. Gelukkig zijn de winderige polderwegen inmiddels voorzien van veel beplanting!

Emmeloord, uitgegroeid tot een plaats met 25.000 inwoners, is naast Zwolle de winkelplaats bij uitstek voor Vollenhovenaren die in veel mindere mate naar de ‘eigen’ hoofdplaats Steenwijk gaan. Ook in Marknesse kun je winkelende Vollenhovenaren tegenkomen, zoals bij de Jumbo supermarkt die net even meer biedt dan de concurrentieloze supermarkt in de eigen plaats. En uiteraard is Marknesse vanwege uitgaansgelegenheid Chez (André) geliefd bij inmiddels twee generaties Vollenhovenaren.

Minder te spreken is men in Vollenhove over de enorme lichtvervuiling vanuit het succesvolle tuinbouwgebied bij Luttelgeest. De oranje natriumlampen die de gewassen laten groeien stralen ook een deel naar boven en vooral bij bewolkt weer verspreidt zich een oranje gloed tot ver in de omtrek. Maar ja, de Orchideeënhoeve in hetzelfde gebied trekt inmiddels zowel dagtoeristen dat ook Vollenhove er een graantje van mee pikt.

Het omliggende deel van de Noordoostpolder hoort inmiddels bij de infrastructuur die de op één van de vele kleine campings rond Vollenhove verblijvende vakantieganger een scala aan mogelijkheden biedt. Prachtige fietspaden slingeren door het Voorsterbos, zowel in de richting van Kadoelen als naar Kraggenburg en het voormalige werkkamp – en nu recreatiecentrum – de Voorst. Wandelen kan men in het Waterloopbos en bewonderen van de voormalige schaalmodellen van het lab, of recreëren bij Brennels. Bijzonder is ook de drooggevallen Kraggenburg, vroeger het eindpunt van de vaargeul vanaf de Zuiderzee naar het Zwarte Water.
Een paar kilometer richting Blokzijl, aan het fietspad over de polderdijk, is een surfstrandje dat ondanks de terugloop in het windsurfen nog erg populair is bij de jeugd om er een zomerdag door te brengen.

Vanwege de doorgaande wegen in de Noordoostpolder ligt Amsterdam op kortere reisafstand dan menige plaats in de Overijssel, vooral door de Ketelbrug en verderop de Hollandse brug. Ook de nieuwe Ramspolbrug en de N50 zorgen voor kortere reisafstanden naar de Veluwe en verder: de oude weg naar Zwolle kost meer tijd. De vele forenzen uit Vollenhove maken er dankbaar gebruik van, waaronder de bouwvakkers die na het bouwen in Lelystad en Almere hun werkterrein nog verder verlegden.

Corso

De belangrijkste rol in het leven van de Vollenhovenaar vervult de Noordoostpolder in de aanloop naar het corso, hoogtepunt van het jaarlijke volksfeest, op de laatste zaterdag in augustus. Door het teruglopend aantal boerderijschuren op het oude land, in combinatie met de steeds groter wordende corsowagens en dus het aantal bouwers, trokken steeds meer wagengroepen naar de grotere schuren in de polder. Eerst alleen langs de Ettenlandse weg, later de Vollenhoverweg en nu ook de Voorsterweg. Dankzij de welwillendheid van veel (ex)landbouwers in de polder bloeit en groeit het corso in Vollenhove!
Zo is de houding van de visserman uit 1932 ten aanzien van de polder drastisch veranderd in die van de honderden wagenbouwers die vrijwillig in juli en augustus vrijwel dagelijks de polder intrekken om aan hun creaties te gaan werken.

Bronnen:

- Aantekeningen Laurent Nering Bögel
- Wikipedia, http://nl.wikipedia.org/wiki/Noordoostpolder
- Namen in de Noordoospolder, door Harrie Scholtmeijer, IJsselacademie Kampen 2001, ISBN 90-6697-036-7.
- Veerkracht en volharding, de geschiedenis van de Noordoostpolder (1942-2007) door Huib van der Wal, isbn 978 90 330 0620 3, Uitgeverij Noordboek, 2007
- Ex Undis - uit de golven ontstaan, geschiedschrijving van het geslacht Huizinga, landbouwers, doopsgezinde leraren en schippers: een familiedocument. Door Alida Huizenga, eigen uitgave. 9789491161018 (ISBN13) en 9491161016 (ISBN-10).

www.henkvanheerde.nl/vollenhove