Deze
havezate heeft gelegen komende vanaf de stad rechts voor de rotonde in de
provinciale weg; waar de
wegen links afsloegen naar de Moespot - Blokzijl en rechts naar de Krieger -
Zwartsluis, aan het einde van een oprijlaan die oorspronkelijk in het verlengde van de Weg van
Tweenijenhuizen lag (nu De Weijert) - in de volksmond 'het Allee' genoemd. Zo heet de weg vanaf de
volgende rotonde aan de rand van het
industrieterrein tot aan het gemaal halverwege de dijk naar Blokzijl.
Het was het stamslot van het geslacht Sloet in deze streken, vanaf het begin der
15e eeuw. Achtereenvolgens wonen hier steeds Jan (of Johan) - Arend - Jan etc.
Sloet. De laatste bewoner en ook de laatste telg uit dit geslacht, Joan Sloet,
stierf in Zwolle in 1874. Hij bepaalde dat het huis na zijn dood afgebroken
moest worden.
In 1882 is het hoofdgebouw afgebroken, maar de beide bouwhuizen uit 1775, één ingericht als boerderij, de andere als schuur, bestaan nog.
Als
wapen voerde het geslacht Sloet een wassenaar. In een gedrukt vers op de
Ridderschap en Steden van Overijssel, van 1663, wordt omtrent dit geslacht
gezegd: Sloet - mijn adellijk Geslacht Sloot steets de legering / als onder
veltheersvaen den anval wiert geblasen / het Turckse wapenschilt ons dapperheit
ontfing / Soo deet de stale kling het vijants heer verbasen.
Bewijsbaar vinden wij dit geslacht vermeld in 1358 en 1365 toen een gedeelte van
een erf en een boterpacht in de IJhorst bij de Wijk (Drenthe) werd verkocht,
terwijl Johan Sloet in 1355 een ruiling tussen de gebroeders ridders Johan en
Henric van Kunre en 't klooster van Hasken-alter-huus mede bezegelt.
Tweenijenhuizen was van ouds een bisschoppelijk leengoed. In de lijst van
leenmannen van het Sticht, opgemaakt circa 1382 en uitgegeven door Mr. S. Muller
Fzn zal men het in het register van plaatsnamen tevergeefs zoeken, maar op
pagina 472 staat: Item Evert van Essen hout .... item tot Vollenho die twe nye
huys mit al horen toebehoren ende dat daeruyt ghecomen is ende daerin roret ….
etc.
Evert van Essen was gehuwd met Margaretha van Eerde Jansdochter en bezitter van
het in 1380 verwoeste kasteel Eerde, dat nadien in het bezit kwam van het
geslacht van Twickel.
In het familiearchief Sloet bevindt zich een belening van 16 januari 1431,
waarbij Frederik van Twickel als leenheer in tegenwoordigheid van Stichtsmannen
van Utrecht, Zijse van den Cloester en Foloff van der Becke, Jan Sloet bij
ziekte en ten name van zijn vader Folkier, beleent met het erf en goed, geheten
"de twe Nye hus ende daertoe soeven acker hoghes lands" met hun
toebehoren, gelegen in het kerspel van Vollenhove, buurtschap Zuurbeek.
Evert Kruijse werd op 12 september 1457 beleend met goederen, tienden en 5
akkers die Volkier Sloet toebehoren, gelegen in het kerspel Vollenhove,
strekkende van de Leeuwte aan de Zuurbekerweg, geheten de Schadeweg. Dit is de
Schaarweg, en ligt dicht bij Tweenijenhuizen.
Van
1457, nog in 1526 was het geslacht van den Water of ten Water door de bisschop
van Utrecht met Tweenijenhuizen beleend. Vervolgens treedt het geslacht
Ripperda, verwant aan de Twikkelo's, als achterleenheer op. In een verklaring
van Unico Ripperda, van 20 juni 1667 (voor afschrift getekend door de Secretaris
van Vollenhove in 1728), schrijft deze dat, alhoewel nu enige jaren herwaarts,
het huis en havezate Tweenijenhuizen, bij en omtrent Vollenhove gelegen, aan het
huis en havezate Hengelo leenroerig is geweest en van de tijdelijke eigenaren in
leen ontvangen, hij "om goede redenen daartoe moverende",
Tweenijenhuizen voor een vrij en eigenlijk goed verklaart. Of Tweenijenhuizen
toen nog leenroerig is gebleven aan de provincie, is niet bekend.
In 1448 of 1449 verklaart Arend Sloet gerechtelijk aan de cureit (pastoor) te IJhorst overgedragen te hebben een roggepacht uit een kamp op Lewetcamp onder het kerspel Vollenhoe in het zuiden schietende aan de Scaderweg en hij verklaart vervolgens, dat die kerkheer ter IJhorst op St. Maarten van hem te zijnen huize, waar hij woont te Vollenho, die pacht heeft ontvangen en daarvoor heeft verbonden een weidekamp bij zijn huis. De opvolging in het bezit na deze Arent was om en om Jan, Arent, Arent, Jan. Een achterkleinzoon van deze Arent berichtte vanuit zijn huis "Vollenhoe ten twe Neyenhuysen" de 29 december 1612 aan Kampen, dat hij de stad met penningen op Lichtmis of 8 dagen daarna niet zal kunnen helpen en dat hij eerstdaags te Kampen komt.
Op
deze havezate maakte Jan Sloet ten overstaan van de drost Johan van Echten en
Alphert van Isselmuden als leenmannen van Overijssel 22 mei 1613 zijn testament.
Zijn oudste zoon Arent Sloet zal krijgen de havezate Twienyenhuisen met huis,
hof, schuur, boomgaarden, voorts alle landerijen, bepotingen, plantagiën in het
drostambt van Vollenhove, testateur van zijn vader aangekomen met raad en
onraad, voorts recht en gerechtigheid met alle manschappen daaraan toebehorende,
geen goederen uitgezonderd als alleen de geldpacht en renten benevens de 6
dagmaat land bij de Zwanekolk. De vier jongste zonen met hun zuster juffer
Jorriana zullen hebben alle goederen op het land van Vollenhove, als ook die in
het ambt van IJsselmuiden, die van zijn overleden moeder afkomstig zijn, voorts
de geldpachten en de 6 dagmaat bij de Zwanekolk. Verder alle goederen onder
Lochem, testateur door erf toegedeeld en ook hetgeen hij in dezelfde goederen
van zijn overleden broer Peter aangekocht mag hebben. Zijn dochter, juffer
Jorriana Slooth zal vooruit hebben 200 goldguldens tot een golden ketten. Zijn
vrouw Adriana Cruse, indien hij voor haar sterft, zal de lijftucht van al zijn
goederen hebben. Indien zijn oudste zoon Jr. Arent Sloet kwam te huwen en zich
in de "huycken achtstant begeve", zo zal die bij zijn moeder mogen
inwonen of anders het geheel vervallen huis weer laten optimmeren en alleen
bewonen en ook genieten de halve boomgaard met de halve hof en de opbrengsten
van de 2 kampen voor het huis gelegen, n.l. de Woerte en de Gasthuys verder naar
Jr. Alphert Isselmuden (arch. Marxveld).
Jans
zoon Arend werd van Tweenijenhuizen verschreven. Deze was dus kleinzoon van
Arend en Jurriana van Keppel en zoon van Joan en Adriana Cruse. Hij werd 17
september 1614 door Ridderschap en Steden tot rentmeester van St. Janscamp
aangesteld in plaats van zijn vader en huwde Armgard, dochter van Rutger van der
Marck en Margaretha van den Clooster tot Vledderinge (een havezate bij Meppel).
De boedel van hen werd gescheiden bij akte van 12 juli 1651 tussen Johan Sloet
ten Tweenijenhuizen, Juffer Anna Geertruida Sloet en Lodewijk Gansneb genaamd
Tengnagel, gehuwd met juffer Margaretha Sloet. Jr.
Jan Sloet kreeg als leenvolger, door zijn zusters toegestaan, de adellijke havezate Tweenijenhuizen leenroerig met manschappen, recht en gerechtigheid. Daarvoor behoeft hij volgens testament van zijn vader, door die bij zijn leven opgericht, geen vergoeding te geven. Een en ander in het drostambt van Vollenhove gelegen. Verder krijgt hij land in de Leeuwte, te Barsbeek en 1/3 deel van de tiende grof en smal over de Wijk in Drenthe gelegen. Juffer Anna G. ontvangt de adellijke havezate Vledderinge bij Meppel met recht en gerechtigheid, verhuurd aan Roelof Jacobsen. Verder het erf ten Stee of Cloostererve in Barsbeek enz. en 2/3 deel van voornoemde tiende enz. Juffer Margaretha is toegedeeld het huis en hof met zijn adellijke gerechtigheden binnen Vollenhove gelegen enz. Een pacht uit Oom van der Marck's land in Drenthe (arch. Marxveld).
Op verzoek van Johan Sloet toe den Tweenijenhuizen besloten Schepenen en Raad op 28 maart 1661 zijn tegenwoordige knecht Otto Hendriks het stadsdienaarsambt toe te zeggen, wanneer dit door de dood van Claes Beerens of zijn ongeschiktheid zou openvallen. Deze gunst werd verleend, omdat de verzoeker de stad niet alleen goede dienst bewezen had, maar ook nog zou bewijzen. Vervolgens werd in 1644 zijn zoon Jan van Tweenijenhuizen verschreven. Hij koopt in 1667 't recht van havezate Hagensdorp en verlegt dat op zijn huis in Vollenhove en sterft in 1690. Van zijn sterven op 14 en begraven op 25 maart 1690 zijn twee rouwdichten van Ds. H. van der Poel en Ds. A. Krul aanwezig in het archief Marxveld.
Diens zoon Arent volgt hem op en overleed in 1706 ongehuwd. Hagensdorp kwam aan zijn broer Arent Herman. Deze broer Arent Herman werd van Tweenijenhuizen verschreven in 1707, met zijn overlijden stierf de oorspronkelijke tak Sloet van Tweenijenhuizen op 3 maart 1728 uit.
In 1676 werd opgegeven "Twenienhusen toebehoorende de heer Joan Sloet, daarop is staende een sleght huijs, onbewoont." De erfgenamen van Arend Herman Sloet waren Gijsbert Frederik Sloet tot Marxveld en de kinderen van de landrentmeester Coenraad Willem Sloet tot Lindenhorst. Bij de maagscheid van 16 januari 1746 tussen de kinderen van C. W. Sloet tot Lindenhorst en Anna Judith van Echten ter zake van de boedel van deze echtelieden en van de boedel van Arend Herman Sloet van Hagensdorp en Tweenijenhuizen is aan Arent Sloet tot Hagensdorp ten deel gevallen de havezate Tweenijenhuizen, bestaande uit drie kampen, liggende aan de Steenstraat, beginnende aan de allee en strekkende tot het einde van de Holtkamp bij de Eikhof van de Rollecate, zullende de wal, strekkende langs de kamp, door Noorman in huur en van de Steenstraat tot aan de Vorslag, geheel bij Tweenijenhuizen blijven. Voorts vorslag, schuur, hoven, boomgaarden, houtgewas; met de Leenkamer en het recht van verschrijving. Ook de twee stukken land met het lege, de Oosterwolden genaamd, naast de hof van Tweenijenhuizen gelegen. De wal tussen dit land en de Oosterwolde daarnaast gelegen, beginnende van de Hagenstege tot aan de Bentstege behoort tot deze Oosterwolde.
Arent Sloet werd van Tweenijenhuizen verschreven in 1746 en Coenraad Willem, zoon uit zijn tweede huwelijk, in 1791. Op verzoek van de laatste verkocht het College van de Volle Stoel aan hem 20 juli 1790 twee stukken land, de Lazaruskampen, gelegen voor de havezate Tweenijenhuizen naast de Cruyskamp van Mevr. Douairière de Vos van Steenwijk, welke bezwaard waren met 72 schepel gerst aan Douairière Sloet van Lindenhorst en de heer van Rhemen tot Rhemenshuizen en een jaarlijkse uitgang van 28 st. aan het Weeshuis te Vollenhove enz.
Bij de Overijsselse watersnood van februari 1825 stond het water op Tweenijenhuizen in de schuur 1 el en op de opkamer 0,42 el hoog.
Arent, de zoon van Coenraad, overleed in 1849, een maand na zijn vaders overlijden. Een broer van Arent, Mr. Joan Philip Baron Sloet tot Tweenijenhuizen, wiens echtgenote op Tweenijenhuizen stierf in 1859, overleed te Zwolle op 17 april 1874. Deze zijn de laatste bewoners van de havezate geweest. Een dochter van de laatste bewoners huwde Jhr. G. K. van den Santheuvel en door hem zijn archiefstukken van Tweenijenhuizen op het Rijksarchief te Zwolle (Collectie v. d. S.) terechtgekomen, waaronder leenregisters van Tweenijenhuizen. Aan deze havezate was een leenkamer verbonden. In gemelde collectie bevinden zich leenregisters uit de 17e en 18e eeuw en een lopende van 1696 - 1772. In het Kerkvoogdij-archief (inv. no. 281) is een akte d.d. 30 december 1750, waarbij Fronika Symens ten Holte haar man Gerrit Rensink te Steenwijk machtigt om in haar naam te verheffen het halve erve ten Holte onder Steenwijkerwold, leenroerig aan de havezate Tweenijenhuizen te Vollenhove.
Van de kinderen van de laatste bewoners van Tweenijenhuizen bleven geen mannelijke nakomelingen in leven. Is het daarom, dat de hr. Joan Ph. Baron Sloet bepaalde, dat na zijn dood het huis moest worden afgebroken? Het is wel heel jammer dat ook dit landgoed uiteenviel, het huis gesloopt, tuinen, boomgaarden en bospartijen in weiland veranderd. In een kasboek van Plattenburg en Cannevelt (archief Marxveld) komt voor: 3 augustus 1882, 650 stenen van Tweenijenhuizen en 31 augustus 1882, 20 blauwe vloeren (tegels) van Tweenijenhuizen. Van de afbraak van het huis werden in de stad zes huisjes gebouwd.
Even voor de sloop in 1882 zag de havezate er als volgt uit: de brede laan voor het huis was aan weerszijden bepoot met twee rijen opgaande bomen en heette het Allee, nu de verkeersweg naar de Moespot. Van de weg Vollenhove - Zwolle ging de oprijlaan recht op het huis aan. Rechts daarvan was een wandelbos, 't Engelse bos, met ten oosten een gracht, die met een bocht naar het westen een eindje doorliep. Ter weerszijden voor het huis de bouwhuizen, die nog bestaan, het rechter heet het koetshuis. Boven de baanderdeur is geschilderd: Anno / 1775. Daarachter lag vroeger een gebouw. Achter het huis een put, nog bestaande en daarachter een vijver met grillige vorm en een eilandje hierin. Het linker bouwhuis is nu boerderij met een kelder met tongewelven. Het huis stond niet in de grachten. Een oranjerie was ook aanwezig. Achter het huis de moestuin en ten zuiden daarvan de boomgaard. Ten zuiden van het boerderijtje om de hoek van de straatweg, de vroegere tuinmanswoning, was een brede aarden wal, bepoot met akkermaalshout, waartussen een wandelpad liep.