Ten
zuiden van de oude stadskern van Vollenhove liggen in het park van het landgoed
Oldruitenborgh op een eilandje de laatste resten van het eens zo omvangrijke
kasteel Toutenburg, omspoeld door de brede vierhoekige slotgracht.
De Toutenburg werd gesticht door Georg (of Jurjen)
Schenck, die als edelman van
Frederik van Baden, bisschop van Utrecht, in 1496 in ons land kwam en begiftigd
werd met het drostambt van Vollenhove en later met het stadhouderschap van de
noordelijke Nederlanden.
Het kasteel is bij gedeelten verrezen, waarvan elk deel afzonderlijk bewoonbaar
was. In 1524 ving men aan met het "getimmer", in 1531 werd met een
deel begonnen, wat bleek uit een opschrift boven een poort en in 1552 was men er
nog mee doende.
De bouwtijd geeft reeds aan, dat hier niet van een kasteel in de eigenlijke zin
van het woord sprake kan zijn geweest. Sterkten met stenen muren van nog geen
meter dik konden immers aan het geschut van de zestiende eeuw geen weerstand van
betekenis meer bieden. Maar niettemin kreeg het coulissenkasteel, zoals wij het
dan maar zullen noemen, het uiterlijk van een geduchte sterkte, gebouwd als het
werd als waterburcht met een smalle houten brug naar het indrukwekkende
poortgebouw.
Het
gebouw had een bijna vierkante grondslag. Aan de westzijde, tussen twee torens,
was de ingang gesitueerd. Twee torens met uivormige bekroning bevonden zich op
de hoeken van de oostelijke muur. Het gehele gebouw was onderkelderd, waarboven
zich slechts één verdieping verhief. De vertrekken waren geconcentreerd bij de
oostelijke torens, het zogenoemde zuider- en noorderhuis, terwijl op het
binnenplein zich het 1-vormig hoofdgebouw - het middelhuis - bevond.
Een zeventiende-eeuwse gravure en een schilderij uit dezelfde tijd, vervaardigd
door F. Camerlinck, lichten ons in over de omvang en het exterieur van de
Toutenburg. Wij zien dan een naar het westen gekeerde ingangspartij, bestaande
uit een van een trapgevel voorzien poortgebouw tussen twee ronde torens, die met
een spits dak zijn gedekt. Op deze torens sluiten aan beide zijden vleugels aan,
met een zadeldak gedekt en voorzien van een trapgevel aan de beëindiging. Op
het dak zijn verschillen de dakkapellen aangebracht, terwijl de muren in
spaarnissen aangebrachte raamopeningen vertonen van verschillende grootte.
Op
de zuidelijke vleugel sluit een muur aan, waarin ook weer openingen zichtbaar
zijn van kruisvensters. Ook is hier een erkerachtig uitbouwsel op consoles te
zien. De zuidoostelijke hoektoren, rond van vorm, is gedekt met een achtzijdige
spits die uitloopt in een ui, een in deze streek ongebruikelijke maar niettemin
zeer sierlijke bekroning van een toren. Op de eerder genoemde gravure is ook een
noordoostelijke hoektoren te zien, identiek aan de zuidoostelijke, waartussen
een muur. De noordmuur tenslotte sluit weer aan op de eerder vermelde
noordelijke vleugel terzijde van de ingangspartij. Hoe de bebouwing van het door
deze muren omsloten binnenterrein is geweest laat zich moeilijk uit de
afbeeldingen aflezen. In ieder geval is er sprake geweest van een hoog, door
zadeldaken gedekt hoofdgebouw waarvan de topgevels de veelvuldig in dit complex
voorkomende getrapte bouwwijze vertonen. Bij de noordoostelijke en
zuidoostelijke hoektorens staan ook gebouwen, die vermoedelijk in de vorm van
een L zijn gebouwd.
Georg Schenck overleed (op de Toutenburg, net zoals zijn beide vrouwen) aan de gevolgen van een kwetsuur door een musketschot opgedaan bij de belegering van Genemuiden op 21 februari 1540 en hij werd op het koor in de Grote Kerk te Vollenhove begraven.
In 1542 werd er aan het begin van de oprijlaan ('Donkere Allee'), bij de Bentpoort, een kleine toegangspoort gebouwd.
Op 1 juni 1543 verkocht het klooster St. Johanscamp aan Karel (Schenck) van
Tautenburgh, de zoon en erfgenaam van Georg, een rente uit de kloostergoederen.
Nadat hij meerderjarig was geworden verscheen Karel Schenck in 1546 als
riddermatige op de landdag, waardoor de Toutenburg ongemerkt als
havezate werd
aangemerkt.
In 1556 sloot hij met gedeputeerden van Kampen een overeenkomst over de betaling
van vier stukken geschut, terwijl hij 11 januari 1565 op het huis Toutenburg met
zijn meiers te Dwingeloo nieuwe voorwaarden voor verhuur aan zijn erven maakte,
waarin stond dat de huurders op verlies van huur verplicht waren, de rogge te
leveren op het huis Toutenburg of "voor 't Lant te Vollenhoe", vanwaar
ze op kosten van de Heer zou worden afgehaald.
Direct
na het overlijden in 1571 van zijn halfbroer Karel, de tweede eigenaar van de Toutenburg, gaf
aartsbisschop Frederik Schenck van Toutenburg als erfgenaam opdracht een gerechtelijke inventarisatie van de boedel in het
sterfhuis Toutenburg op te maken. Die is bewaard gebleven en daaruit is op te
maken wat er op een dergelijk kasteel in die tijd aanwezig was.
Het kasteel omvatte de grote 'steinen' zaal, het oude salet met onder meer een
beeld van Maria Magdalena uit 1528 met het wapen van Georg Schenck, de garderobe
met twee vertrekken en de 'stove'. In de kamer bij de 'stove' bevond zich 'ein
tafreili van ein schoen Marienbelde mit de figuer van zalige Jurgen Schenck ende
sin gemahelin vrouw Joanna van Eggemondt'. Tevens was er een harnaskamer, de
secreetkamer, Steenrichskamer, bisschopskamer, de bottelarije of de kelder, de
bierkelder, de wijnkelder, de keuken, de sniderkamer, de poortkamer, de
meidenkamer, mr. Arentzkamer en nog verschillende andere kamers. In de
secreetkamer werden de meest kostbare goederen aangetroffen, waaronder vergulde
bekers waarmee de stad Groningen Jurjen Schenck had vereerd, alsmede
lijfssieraden. Ook bevonden zich hier de kisten met archiefstukken. Opvallend
zijn de vele schilderijen die overal in het huis hingen, meestal met
voorstellingen van heiligen. In 'de kamer boven 't nye sallet' hing een portret
van Georg Schenck, dat in het Provinciaal Overijssels Museum te Zwolle
wordt bewaard.
Karel Schenck liet alleen een bastaardzoon achter, jonker Lodewijk Schenck, die
in 1637 overleed.
Aartsbisschop Frederick Schenck overleed in 1580 zonder testament na te laten
en toen was het hek van de dam! Na de gevoerde processen, die bijna een eeuw
duurden en waarin de partijen (v.d. Boetselaer en De Mangelaer's) elkander van
moord en valsheid in geschrifte betichtten, bleven de bezittingen in Overijssel,
Drenthe en Holland van Frederik Schenck aan leden van het geslacht van den
Boetselaer, achterneven van de aartsbisschop.
In 1581 werd de stad Vollenhove door staatsgezinde soldaten uit het leger van
Sonoy, onder bevel van de Engelse veldheer John Norrits, ingenomen. Deze legde
garnizoenen op het Oldehuis en de Toutenburg, die aan de huizen veel schade
berokkenden.
Bij
het bezetten van Hasselt 26 oktober 1582 door de Staatsgezinde partij werd o.a.
bij Jan van Wilp, die rentmeester en pachter van enige Toutenburgse goederen
was, te zijnen huize vele goederen, de huize Toutenburg toebehorende en bij van
Wilp in bewaring, geroofd.
Op 31 juli 1585 werden Joachim, Steven en Oswald van den Boetzelaer, zonen van
Rutger en Anna Schenck, dochter van overste Willem Schenck, George's broer, die
commandant van Steenwijk was erkend door het Hof te Utrecht als erven, naast
(hun oom?) overste Christoffel Schenck
Door de schade, aangericht bij de bezetting door de Staatse troepen in 1581
bleek deToutenburg, evenals het Oldehuis, geen geschikt verdedigbaar bouwwerk
meer te zijn. De Overijsselse Staten wilde beide huizen dan maar ontmantelen. De
nieuwe eigenaren wisten dit te voorkomen door de bezettingstroepen uit te kopen
en zo hun bezit veilig te stellen. Tevens beloofden zij de Staten dat zij het
huis goed zouden bewaren en geen andere bezettingen zouden toelaten.
Joachim van den Boetzelaer nam aanvankelijk vanwege het huis Batinge bij
Dwingeloo deel in de Drentse Ridderschap. In 1613 stond hij dit goed af aan zijn
zoon Rutger en verzocht hij in 1619 vanwege de Toutenburg toegang tot de
Overijsselse Ridderschap. Dit verzoek werd echter aangehouden; blijkbaar kwam
dit voort uit het feit dat niet het gehele huis aan hem toebehoorde.
In de zomer van 1615 werd nabij de Toutenburg het lijk gevonden van een door
messteken om het leven gebrachte man. Volgens getuigen was dit het lijk van een
bedelaar of landloper. Maar vanaf 1638 werd dit feit anders geïnterpreteerd,
toen Adriaan van Mangelaar tegen de erven een proces begon over de nalatenschap
van Georg Schenck. Van Mangelaars vrouw Levina Schenck zei de zuster te zijn van
de vermoorde man, Joost Schenck.
In
1617 maakt Claes Jansz. Visscher een kopergravure met daarop een gezicht op de
Toutenburg bij de stad Vollenhove vanuit het noordoosten, met de stadsmolen op
de voorgrond. Onderschrift: Toutenburch, te Vollenhove, int Lant van Overijsel.
Het kasteel is vanuit het noordoosten getekend met op de voorgrond de
standaardmolen, eigendom van de stad. In 1629 verscheen nog een ets over de
Toutenburg, gebaseerd op die van Visscher. Maker is Sebastian Furck. Het is een
zinnebeeldige voorstelling met als motto: Wie schatten verzamelt, verzamelt ook
zorgen.
Op 27 september 1619 schrijft Oswald van den Boetzelaer aan Kampen dat hij en
zijn broer Joachim meermalen verzocht hebben in de Ridderschap van Overijssel
verschreven te worden daar hunne voorvaderen in de Graafschap Berg, waar zij
gevestigd zijn geweest, tot alle adellijke vergaderingen enz verschreven zijn.
Zij beiden bevelen zich bij Kampen daarvoor aan.
De broers hadden in 1621 geschillen en riepen op 13 maart de tussenkomst van
Ridderschap en Steden in. Voormelde Joachim van den Boetzelaer had uit zijn
eerste huwelijk twee zonen, Rutger die drost van Drenthe is geweest en Willem
Jurriaen die verschreven werd in de Overijsselse Ridderschap (zie ook onder
Westerholt). Op Batinghe legde deze 23 januari 1621 een verklaring af dat de
niet in de boedelscheiding van die datum opgenomen voorplaetze (voorhof) voor
het huis Toutenburg met zodanige kruidgorens (tuinen) en boomgaarden, als ook
het houtgewas en het halve bouwhuis voor die voorhof van Toutenburg staande en
alle roerende goederen op de huizen Toutenburg en Batinghe in gebruik bij zijn
vader, eigendom zijn van zijn broer Rutger.
Toutenburg werd bewoond door de broers Joachim "het suyderhuys totte
poort", Steven (naderhand diens zoon Rutger) "het huys naet
westen" en Oeszewoldt "het middelhuys", hetgeen blijkt uit een
proces gevoerd door de broers onderling omtrent het jaar 1622.
Op de landdag van Drost en Gedeputeerden van Drenthe van 19 november 1623 werd
geklaagd, dat de ontvanger - generaal van Dr. Rutger van den Boetzelaer, of te
Dwingeloo (hij was eigenaar van Batinge, en zo lid en zelfs gedeputeerde van de
Drentse Staten) of te Vollenhove zich bevond en niet te Assen. Een excuus was
het overlijden van zijn vader Joachim.
Toen
na de dood van Joachim een overeenkomst in 1625 werd gesloten tussen zijn zoons
over deToutenburg, bleek dat het huis reeds geruime tijd in drie eenheden was
opgesplitst. Zo bezaten Joachims zonen slechts de 'suydersyde van het huys,
beginnende van de poortcamer, incluys de Bentzyde mettet suyderhuys tot aan 't
brouhuys'.
Oswald, de broer van Joachim van den Boetzelaer en diens zoon Steven bezaten de
rest: Oswald het middelhuis en Steven de 'noordersyde, de hofmeesterscamer, het
backhuys ende de torens tot aen de graft'. Het brouwhuis, de zolder en de kelder
bleven aan Joachim en zijn broer Oswald, terwijl Steven nog het bakhuis
verkreeg. De poort, het portiershuis, de grachten, de brug, de buitenmuren en de
buitengrachten bleven in gezamenlijk eigendom. Deze situatie had dan al geruime
tijd bestaan. Verder was bepaald dat het recht van verschrijving vanwege het
huis alleen zou toekomen aan de oudste zoon van Joachim.
Rutger van den Boetzelaer schrijft op 27 februari 1627 aan Hasselt, dat hij het
huis Toutenburg heeft doen herstellen en daarin graag een glas met Hasselts
wapen wilde plaatsen.
Willem Jurriaan, zoon van Joachim en broer van Rutger van den Boetzelaer woonde
in 1635 op Toutenburg, terwijl in een ander deel op dat moment ene Capitein
Thomas van der Lawick woonde. In 1637 werd Willem Jurriaan eigenaar van de hele
Toutenburg en alles wat er bij hoorde. Hij kon zich dus ook van de Toutenburg
laten verschrijven, maar was inmiddels ook eigenaar van
Westerholt en zodoende
lid van de Ridderschap.
Door
het huwelijk in 1639 van Ernestina, kleindochter van Steven van den Boetzelaer
tot Toutenburg met Antonie van Haersolte kwam Toutenburg in het geslacht Van
Haersolte.
Door Rutger van den Boetzelaer en zijn echtgenote Beatrix Mulert werd met de
Gedeputeerden der Geestelijke goederen te Vollenhove op 16 april 1644 een
scheiding van een bente omtrent Toutenburg gelegen getroffen waarbij hij de
voorste helft verkreeg. Hij had het recht van de helft van die bente gekocht van
de erfgenamen van Jr. Boldewijn van Renoy, scholtes van Giethoorn. Rutger,
Floris en Joachim van den Boetzelaar tot Westerholt met A. van Haersolte,
erfgenamen van de Toutenburgse venen in Friesland, machtigden 12 juni 1658 hun
neef Antonie van Haersolte die venen op te vorderen en te verkrijgen.
In 1663 dichtte Anthony van Mierlo het volgende over de Toutenburg:
Het Vorstelijck Toutenburg tuygt van myn heerschappy, 'k heb Utrechts staf
geswaeit, en Karels kroon verdedicht, En 1 Lant als Vooght bestiert voor
Spanjens Monarchy, 'k heb mannelijck gestreen, en vredelijck bevredicht.
Door het kinderloos overlijden van Anthony's zoon Sweer of Zweder in 1674 kwam
Toutenburg aan zijn broer Rutger van Haersolte, van Toutenburg verschreven in
1696.
Omstreeks 1676 werd Toutenburg bewoond door de heer van Hercksen (Rutger van
Haersolte tot Herxsen met vrouw, 3 kinderen, knecht, één jongen en 3 meiden.
Hij was landrentmeester van Vollenhove en legde in die functie op 31 mei 1678 de
eerste steen van de kerk te Kuinre. Van Haersolte gebruikte de Toutenburg
slechts dan als woning wanneer zijn functie van landrentmeester vanVollenhove
zijn aanwezigheid te Vollenhove gewenst maakte. In 1671 was Van Haersolte met
Geertruid van Ittersum gehuwd, die in 1681 te Vollenhove in de kraam overleed.
Hijzelf overleed in 1703.
Op het vuurstedenregister van 1675 komt de Toutenburg voor met twaalf
vuursteden, echter wel met de mededeling dat de vier vuurplaatsen van het
'suderhuys' waren vervallen. Op grond van dit aantal vuursteden was de
Toutenburg het grootste huis in het Ambt Vollenhove - de Rollecate telde elf
vuursteden -maar tevens blijkt hieruit dat het verval al had toegeslagen. Dit
proces van teloorgang zette zich onstuitbaar voort: in 1682 bezat de Toutenburg
nog maar zeven bruikbare vuurplaatsen, de andere waren 'geruineert' .
Rutgers broer Ernst werd in 1705 van Toutenburg verschreven.
Ernst
van Haersolte verzocht 24 juli 1710 aan het College van de Volle Stoel een
stukje van de bent, dat eigendom was van de Geestelijkheid, omdat hij dat nodig
had ter verbreding van de weg tegen Toutenburg. Dit werd hem omdat het maar
weinig grond was op 5 september 1710 voor niets gegeven. Verder verzocht hij de
weg gelegen aan de noordzijde van de Rentambthof en de Bagijnenkamp en aan de
zuidzijde tegen de Benten met bomen te mogen beplanten, beginnende van de
"Scheytsmuyr" tussen de boomgaard van de Toutenburg en de Geestelijke
Rentambthof tot oostwaarts aan de gracht langs de boomgaard van de Rollecate.
Dit verzoek werd toegestaan, mits de passage en de wagenweg daardoor steeds vrij
en ongehinderd zouden blijven.
Hoewel reeds enigszins in verval, moet het huis na 1700 al snel veel van zijn
vroegere glorie hebben verloren. Op de tekeningen van de Toutenburg van Cornelis
Pronk en Abraham de Haen uit 1729 valt te constateren, dat met name de
oostelijke hoektorens en het muurwerk al grote gaten vertonen.
In 1712 volgde Rutger Zwier van
Haersolte tot Herxsen, die uit kracht van dispositie van zijn grootmoeder
Ernestina van den Boetzelaer in 1712 na overlijden van zijn oom Ernst de
havezaten Tautenburg en Paaslo erfde.
Rutger Zwier van Haersolte volgde een militaire loopbaan. Zijn grote
bezittingen, ter waarde van ruim 100.000 gulden, zouden het hem mogelijk moeten
hebben gemaakt een grote staat te voeren; toch werd hij voortdurend door
schuldeisers achtervolgd. In 1700 was hij met zijn verwante Ernestine van
Haersolte tot Hoenlo gehuwd, die in 1729 stierf. Nadien verbleef hij
voornamelijk op Haerst en liet hij deToutenburg over aan zijn zoon Rutger.
Zoon Rutger werd na de dood van zijn vader in 1744 ook met de Haerst beleend. In
1748 resideerde Van Haersolte nog met zijn vrouw Anna Blisabeth van Haersolte op
deToutenburg, twee verwanten en drie meiden en knechten. Kort daarna moet hij
zich definitief op Haerst hebben gevestigd om slechts zo nu en dan op de
Toutenburg te verblijven.
Toutenburg bleef in het geslacht Haersolte totdat Douairière van Heerdt,
geboren Anna Lucia van Haersolte als beneficiaire erfgename van Rutger van
Haersolte op 11 april 1787 de Toutenburg voor f 3200 verkocht aan Jan Arend de
Vos van Steenwijk tot Nijerwal.
In 1787 is er al sprake van verkoop van stenen van de Toutenburg, blijkbaar
afbraak, die werd gebruikt voor reparaties aan de Grote Kerk teVollenhove.
Daarna werd eigenaar Arend Sloet tot Tweenijenhuizen. Arend Baron Sloet tot
Tweenijenhuizen die in 1748 bij zijn oom Ph. G. van Echten op Oldruitenborgh
inwoonde, huwde in 1766 met zijn tweede vrouw Johanna Philippina Barones van
Dedem tot den Gelder. Zij was erg vermogend, en stelde Arend in staat een
compleet landgoed samen te stellen rond zijn havezate Oldruitenborg. Ze overleed
12 mei 1815 op de havezate Ter Heyl, gemeente Roden, na in 1789 hertrouwd te
zijn met Mr. Willem de Lille.
Deze
Mr. W. de Lille, hertrouwd met Sloets weduwe, bracht dit oude huis, Ter Heijl,
weer in bewoonbare staat. Prof. Dr. Jac. de Rhoer, een tijdgenoot, schrijft in
zijn geschiedenis van Drenthe dat van de afbraak van Toutenburg ook is gebouwd
een "nieuw Toutenburg" aan de weg van Roden naar Nietap, in de buurt
van Ter Heijl. Wat er toen nog stond van de Toutenburg liet hij verder afbreken
en van de materialen het tegenwoordige Oldruitenborgh verbouwen.
In 1790 werden de Toutenburgse goederen in hun geheel toegescheiden aan Arends
tweede zoon Anthony, die ook Oldruitenborgh kreeg. De restanten van de
Toutenburg werden door de nieuwe eigenaar niet geheel en al afgebroken, maar
juist welbewust als bouwval behouden. Het was in die tijd modern om tuinen te
voorzien van romantische stofferingen, bijvoorbeeld in de vorm van kapellen of
ruines. De ruïne vormde zo een 'follie' in het nieuwe landgoed Oldruitenborgh,
ingericht in Engelse stijl.
Bij de afbraak vond men drie nissen in een muur, waarin sporen van menselijke
geraamten.
De plek waar Toutenburg eertijds stond bleef in het bezit van de eigenaren van
Oldruitenborgh, totdat deze bezitting bij raadsbesluit van 17 februari en
notariële akte van 30 september 1947 eigendom werd van de gemeente.
Ten noordoosten van de ruïne van Toutenburg ligt de (oude) Molenberg.
Op de gravure van de Toutenburg uit 1617 door Visscher is ook de molen te zien.
De molen, reeds sedert 1465 eigendom van de stad, stond op een verhoging tussen
de Landpoort en de gracht van de Toutenburg. Omstreeks 1647 schijnt de molen
gesloopt te zijn. Mogelijk zijn onderdelen gebruikt voor de bouw van de nieuwe
stadsmolen op het noorderbastion van de stad. De verhoging maakt nu deel uit als
'berg' van het park en landgoed Oldruitenborgh.
In 1759 werd door L. A. Sloet tot Plattenburg aangekocht een gedeelte van een
stukje weiland, waaraan ten oosten de oude Molenberg, ten westen de havezate
Nijerwal, ten zuiden de gracht van Toutenburg en ten noorden de Achtersteeg
(Groenestraat).
In oktober 1953 werd bij wijze van werkverschaffing de slotgracht uitgebaggerd
en aan de zuidkant van het eiland is een gedeelte muur voor de dag gekomen.
Onbekend is of toen ook foto's zijn gemaakt of opmetingen gedaan.
De grachten rondom de ruïne werden in 1977 opnieuw uitgebaggerd en nu van een
beschoeiing voorzien.Tijdens de werkzaamheden stuitte men op de resten van de
houten ophaalbrug van het slot. Bij het uitbaggeren van de gracht werd de
windvaan van de Toutenburg gevonden, met het wapen van Van Haersolte. Deze
windvaan hangt nu in de Oudheidkamer.
De
ruïne, na zijn tweede leven als 'follie', doet nu dienst als decor: er voor
ligt een plankier dat onderdeel vormt van een openluchttheater.
Van het gehele indrukwekkende complex zijn nog slechts de armzalige resten van
de twee het poortgebouw flankerende torens overgebleven. De noordelijke toren
heeft nog een gemetseld koepelgewelfje, twee open en een gedicht schietgat. Ook
in de zuidelijke toren is zo'n gewelfje aanwezig geweest, getuige de
overblijfselen van de aanzetten hiervan.
In de twee ronde bakstenen gedeelten van torens bevinden zich kanonkelders.
Overblijfselen van dergelijke kelders, die vooral wat het systeem van rookafvoer
betreft met deze overeenkomen, zijn te vinden in Elburg.
De muurdikte blijkt slechts 0,90 m te zijn, een belangrijke aanwijzing dat hier
inderdaad van een coulissenkasteel sprake is geweest. De torens hebben
zandstenen waterlijsten. Het steenformaat is opmerkelijk klein: 22 x 10 x 6 cm.
Tussen deze torens is in de jongste tijd een boogje gemetseld met het oog op de
functie, die de resten nog hebben als achtergrond van openluchtspelen.
Voor het maken van een overgang van de ruïne naar het houten plankier is op
korte afstand van de noordelijke poorttoren een ontgraving verricht, waarbij een
gemetselde waterput tevoorschijn is gekomen, die een doorsnede heeft van 3,90 m.
Ook hier hetzelfde steenformaat als bij de torens. Op de bodem van deze put
bevindt zich turf. Verder zijn er nog een gedeelte van de buitenmuur en een
overwelfde gang met het poortje, dat vroeger op de gracht uitkwam, ontdekt. Het
nog volledig bestaande, omgrachte vierkante burchtterrein is bezaaid met van het
slot afkomstige stenen, dakpannen en brokken metselwerk.
Ook
het hoveniershuis van de Toutenburg bestaat nog en wordt nog steeds bewoond. Dit
huisje, gebouwd in 1703 (al doet de gevelsteen Anno 1730 anders vermoeden), ligt
aan de Laan van Toutenburg. Jonker Tony Sloet, de laatste particuliere bewoner
van Oldruitenborgh, heeft er vele jaren gewoond (vanaf 1947), aanvankelijk met
zijn huishoudster Geertien.
Rond het witte tuinmanshuis bloeien in het voorjaar duizenden sneeuwklokjes en
wat later in de tijd ziet het er violet van
voorjaarshelmbloem en
holwortel, of
zoals de Vollenhovenaar zegt: 'hanen en kippen'. De Laan van Toutenburgh die met
zijn knoestige leilinden achter het huidige landgoed langs loopt, wordt terecht
aangemerkt als één van de mooiste lanen in Overijssel en heeft op foto's al
menige kalender gesierd. Waar leerde Leentje Lotje ook al weer lopen? Precies!
Het zou deze lange lindenlaan geweest kunnen zijn.
Er
ging een verhaal, dat men indertijd in een onderaardse gang bij of in de ruïne
een brandende kaars aan een touw had laten zakken, die door de opstijgende lucht
was uitgegaan. De familie Sloet had de kelders waar die gang in uitkwam begin
van de twintigste eeuw in gebruik voor het bewaren van ijs. Maar toen de
boterfabriek ijs op andere wijze ging maken werd de kelder waar de gang in
uitkwam, dichtgegooid. In 1944, tijdens de oorlog, kwam er een mevrouw Klein
Sprokkelhorst op Toutenburg om te zien of er ook onderaardse gewelven waren, om
als schuilkelders voor de bevolking van Vollenhove te worden ingericht. Zij wees
met de wichelroede een gang aan naar de Bagijnekamp waar het klooster
Clarenberg
heeft gestaan en beweerde dat er ook gangen liepen naar St. Jansklooster en de
Kleine Kerk in de stad. Daarvan is tot dusver niets gebleken. Bij de opgravingen
op de Bagijnekamp, voor de bouw van Nieuw Clarenberg, kon deze legende
definitief naar het rijk der fabelen worden verwezen.
De naam van het kasteel leeft nog voort in de toneelvereniging "de Toutenburgers", opgericht in 1946. Verder in de multifunctionele accommodatie 'de Burght', en uiteraard in de naam 'Laan van Toutenburg' die de afscheiding vormt van het huidige landgoed Oldruitenborgh en de Bentpolder.
Een animatie van hoe de Toutenburg er uit gezien moet hebben, vind je hieronder.
De geschiedenis in romanvorm en legenden rond de Toutenburg werden meermalen beschreven, o.a. door G. van Heerde in de "Strijd om de Toutenburg" (speelt begin 14e eeuw) en de "Rode marskramer".