De Van Baaksteeg loopt van de Kerkstraat naar de Visserstraat. In het verlengde er van ligt de Zeesteeg, al is dat naambordje inmiddels verdwenen.
De steeg denkt vermoedelijk zijn naam aan het feit dat er aan die steeg in de 19e eeuw de werkplaats lag van timmerman Van Baak.
Al in 1715 blijkt een Antoni van Baak lid van het koopmansgilde, en betaalt daarvoor aan het Hervormd Burger Weeshuis 5 gulden en 12 stuivers. Bij de Volkstelling 1748 blijkt het huisgezin van Antonie van Baak uit de Kerkstraat verder te bestaan uit zijn vrouw Catarina Loos en de jonge kinderen Antonie, Catarina en Johannes. Antonie junior behoort later tot de zogenaamde gemeenslieden van de Stad Vollenhove. In 1795 verhuurt hij, inmiddels als senior aangeduid, als rentmeester van zijn Vollenhoofse goederen op 30 augustus aan de leden van de Geestelijkheid van de Stad en het land van Vollenhove het huis genaamd "Reemshuizen" (havezate Rhemenshuizen) met de plaats erbij voor 6 jaren onder voorwaarden, dat jaarlijks 30 caroli gulden als huur wordt betaald en het huis gebruikt wordt door de R. K. gemeente tot het waarnemen van hun godsdienst. Indien door de Nationale Conventie een nadere schikking over de Geestelijke goederen mocht worden gemaakt voor afloop der huurjaren, zouden de huurders van de huur ontslagen zijn. Het huis diende dan zoveel mogelijk in de vorige toestand gebracht te worden enz.
Maar dan de Van Baak waar het bij de Van Baaksteeg waarschijnlijk om draait: Gerrit van Baak. Op 7 oktober 1791 besloten Raad en Meente van Vollenhove het stadhuis door de timmerman Gerrit van Baak en de metselaar Albert de Ruiter te doen herstellen en de kosten werden geraamd op respectievelijk fl. 300 en fl. 400.
Verder staat in de annalen dat bij het nazien van de gemeenterekening van een gedeelte van 1811 aan het licht kwam, dat boven de f 4000 die door Koning Lodewijk Napoleon is verleend volgens zijn besluit van 29 maart 1809 tot herstel en vergroting van het havenhoofd, de opzichter van dat werk, Gerrit van Baak, nog een vordering wegens het opzicht had van f 402. Hiertegen had de vorige stadsregering bezwaar gemaakt wegens de slechte stadsfinanciën. Er werd door de stad voor het vervoer van palen en arbeidsloon voor de brug blijkens de stadsrekening van 1809 al f 561.15 betaald. Op 30 november 1812 werd gesteld dat op de begroting van 1812 en 1813 in achterstand moest gebracht worden 844 francs of 402 gulden voor het daggeld van 3 gulden, die de timmerman G. van Baak zou verdiend hebben als opzichter over de brug die in 1809 en 1810 gemaakt was. En zo zouden meerdere pogingen bij de Prefect worden gedaan om te bereiken dat de gemeente niet meer hoefde te betalen...
Het havenhoofd of brug, waar het hier over ging, werd ook wel de steiger genoemd. Dit onderwerp komt terug in de straatnaam in de Benten: De Steiger. De brug over de ingang van de binnenhaven werd pas in 1823 gebouwd, toen de binnenhaven als zodanig in gebruik werd genomen.