Rudolf van Diepholt

(bisschop van Utrecht 1423 - 1455)

Gulden, geslagen uit naam van Rudolf van DiepholtRond 1423-1425 laaide de strijd om de opvolging van Frederik van Blankenheim hoog op. Nieuw was misschien de kracht waarmee niet alleen de kapittels, doch nu ook Ridderschap en Steden van Over- en Nedersticht hun kandidaat Rudolf van Diepholt pousseerden. Deze eensgezindheid vormde voor de wantrouwige paus een argument om de benoeming nietig te verklaren. Hij week voor de druk van de andere zijde, Filips van BourgondiŽ, die liever de Utrechtse domproost Zweder van Culemborg verkozen zag. Deze riep door zijn optreden weerstanden op, maar belangrijk waren zijn connecties met de Hollandse partij die de BourgondiŽr welgezind was.
Het Oversticht had de pauselijke beslissing niet afgewacht. Rudolf oefende in de praktijk het bisschoppelijke gezag in Overijssel reeds uit. Zweder begon te Utrecht 'sijn regiment dat cort was, als nauvelic thien maenden lanck'. Zijn eerste daad was de vele sympathisanten van Rudolf uit de domstad te verwijderen. Dit geschiedde uiterst krachtdadig en niemand rouwde toen als gevolg van de onrust in Holland Zweder moest uitwijken. Hij sloot zich nu openlijk bij de volgende Bourgondische hertog Filips 'de Goede' aan.
Curieus was de nu gevonden oplossing; Rudolf werd in zijn ambt officieel bevestigd als bisschop van Utrecht (1430). Zweder werd in naam bisschop van een reeds lang aan de islam opgeofferd diocees waarmee zijn eer als gered mocht worden beschouwd. Toen hij daar geen genoegen mee nam en bij het concilie te Bazel, het hoogste kerkelijke college van dat moment, in beroep ging, kwam hij als winnaar uit de bus en werd Rudolf uit zijn ambt gezet.
Muntzijde gulden van Rudolf van DiepholtMet zijn spoedige dood in 1433 was Zweders politieke rol echter uitgespeeld en het was zijn opvolger Rudolf die strijd tegen BourgondiŽrs en Geldersen moest leveren. Toen hij er blijk van gaf in Utrecht werkelijk te willen regeren, kwam hij in conflict met zijn onderdanen in de rumoerige stad. In het Diepholt-gezinde Oversticht zag men met afkeuring hoe hij energie en geld investeerde in een oorlog om de bisschopszetel van Munster, waar zijn broer Koenraad kandidaat voor was. Het werd een dure, schadelijke en voor het Overijssels-Duitse grensgebied riskante onderneming, waardoor het Sticht in grote problemen raakte. In 1435 erkende het Concilie van Bazel Walraven van Meurs als Utrechts bisschop, een erkenning waar Diepholt zich weinig van aantrok. Hij bleef de wereldlijke macht uitoefenen. Weliswaar kwam het in 1438 tot een vergelijk tussen de tot kardinaal benoemde Diepholt en Van Meurs, maar dat loste weinig op. Rudolf was zeker gedwongen geweest zijn bisdom aan BourgondiŽ over te dragen als zijn dood in 1455 hem deze vernedering niet had bespaard.

Munten: hij gaf een gouden munt uit met een diameter van 21,5 mm, een zogenaamde postulaatsgulden, zie afbeeldingen.

Rol in Vollenhove

Niet zeker maar wel waarschijnlijk is deze Rudolf ook degene, die in zijn voor-bisschoppelijke tijd Pelgrim van den Rutenberghe (eigenaar van wat nu Oldruitenborgh is) tot 1426 in Diepenheim gevangen zette (en hem later tegen borgsom vrijliet).
Hij werd in 1433 op het bisschoppelijk kasteel Oldehuis in Vollenhove tot bisschop van Utrecht gewijd.
Op 18 april 1445 deed hij uitspraak in een geschil tussen de buren van het schoutambt Vollenhove en het klooster Clarenberg over de schatplichtigheid der kloostergoederen: dat het erf ten Doerganck (in 1423 door het klooster aangekocht) met zijn toebehoren en de hofstede en were, daar hun huis en convent nu op staat, als die gelegen is tussen de hofstede van Alphert van IJsselmuiden (dat is de latere Rollecate) en de stadsgracht strekkende van de Bentweg tot aan de straat die gaat tot de Landpoort schatvrij zullen zijn.

In zijn privilegiebrief van 7 november 1448 over versterkingen van de stad wordt de omvang van de stad aldus omschreven: "gelegen in 't begrijp streckende breetvlakes van onsen huyse van Vollenhoe thent (tot) aan der Oestenwoldigen lant bynnen der seluer onser stat soe wyt endesoe breet als dat selue begrijp nu begrauen ende beplanket is".

In 1450 veranderde hij in een privilegie de wijze van verkiezing van de schepenen totaal: de zeven aftredende schepenen zullen zeven uit de gemeente (dat zijn de burgers) kiezen. Deze zeven begeven zich met de zeven aftredende zwoerne meenten op het raadhuis, waar zij loten welke zeven van hen veertienen als kiescollege zullen optreden. Er mogen niet meer dan vier 'haveluden' (dat zijn zij die men later havezatebewoners noemde) in de raad worden gekozen, waarvan dan twee schepenen en twee raden zullen zijn. Vermoedelijk aldus bepaald ter wering van overmacht van deze groep.
Bisschop Rudolph van Diepholt schonk op15 augustus 1451 aan de kerspelkerk der stad Vollenhove een verguld zilveren kruis met een relikwie van het H. Kruis, dat in zijn tegenwoordigheid bij de mis gebruikt werd. Met toestemming van de kerkvoogden van die kerk erkende de bisschop op 18 oktober van dat jaar dit kruis en relikwie in gebruik te hebben ontvangen op voorwaarde van teruggave op verzoek.

Hij overleed op 20 maart 1455 in het Oldehuis. Op het hoge koor van de Grote Kerk is een zes (of acht?)kantige steen, een herinnering aan hem, met zijn wapen in het midden, op het wapen van het bisdom van Utrecht (een kruis). Het randschrift vermeldt, dat zijn ingewanden in Vollenhove rusten en zijn lijk in Utrecht begraven is (zie tekening in Rijksarchief te Zwolle) in de Domkerk. In 1867 is deze plaat ingemetseld in een der nissen op het hoge koor. In de Domkerk in Utrecht, waar in zijn grafkapel elke middag een korte dienst gehouden wordt, was lange tijd zijn grafsteen te bezichtigen maar inmiddels is het grafschrift verdwenen. De wapens zijn echter nog duidelijk te onderscheiden. Zijn zegel hangt aan een charter van 1444 in het archief abdij te Assen (Rijksarchief aldaar).

Literatuur. Borst, P., R. Roks e.a., Graven en begraven in de Dom van Utrecht, Bunnik 1997,63, 69-70.

www.henkvanheerde.nl/vollenhove