Deze bisschop, benoemd op voorspraak van keizer Frederik 1 was uit ander hout
gesneden dan zijn voorganger. Hij bouwde rondom zijn gebied een ring van forten.
Het kasteel Horst tegen de Geldersen, Montfoort tegen Holland, Woerden tegen
zijn eigen stad Utrecht en Vollenhove tegen de Friezen.
Omstreeks 1165 bouwde hij zijn burcht te Vollenhove, een zogenaamde motteburcht,
die tot aan het einde van de vijftiende eeuw dienst bleef doen als
verblijfplaats van de bisschoppen.
Tijdens de stormramp van 1170, waarbij de
Zuiderzee werd gevormd, verbleef
bisschop Godfried van Rhenen in het slot waaraan hij weinig plezier beleefd had.
Na de ramp keek hij door de hoge ramen uit over een eindeloze watervlakte die
tot dicht bij de burcht opgerukt was. Hij moet zich deze gebeurtenis zo hebben
aangetrokken dat hij ,,van zielsverdriet in een uitterende ziekte verviel welke
hem na weinige jaren ten grave sleepte".
,,In de herfst van het jaar 1170 stak er een zoo felle storm uit het noordwesten
op dat de zeegaten tot over de hoge duinen aan de Noordzee gedreven
werden". Enorme watermassa's spoelden een deel van het Graafschap Staveren
weg. Niet alleen ten noorden van het eiland Urk maar ook ten zuiden daarvan ging
veel land verloren. Westelijk van Vollenhove werd eveneens een ware verwoesting
aangericht: het hele gebied tussen de nog niet voltooide bisschoppelijke burcht
tot ver voorbij het voormalige eiland Schokland sloeg weg waarbij een derde van
de landstreek verloren ging. Dorpen en gehuchten verdwenen in de golven, veel
mensen kwamen om. Het zoetwaterbekken Almere was op slag een binnenzee geworden:
uit het noodlot werd iets goeds geboren.
Godfried van Rhenen overlijdt op 27-5-1178 in Vollenhove. De dreiging uit
voornoemde gebieden bleek later reëel, zoals met name zijn opvolger, bisschop
Boudewijn (1178-1196) aan den lijve ondervond.