In
1811 behoorde tot de stadsbezittingen o.a. de Doelenhof in huur bij de Weduwe
Ekker.
De gemeenteraad van Vollenhove besloot op 14 augustus 1818 opnieuw tot verhuring van de Doelenhof. Op 10 mei 1825 werd die hof in erfpacht uitgegeven aan Leendert Jans de Olde.
De doelen bevonden zich in het noordoosten van de stad, in de buurt van de
(nieuwe) Molenberg.
Het is van oorsprong de plaats waar de schutters oefenden. De Doelenstraat is waarschijnlijk altijd de weg die naar die oefenplaats toe leidde. De oudste schuttersdoelen zijn al bekend vanuit de middeleeuwen en zijn véél ouder dan de straatnaambordjes, die pas eind 17e eeuw uitgebreid geplaatst werden. Nergens wordt meer op die doelen geschoten, maar elke stad die zich in het verleden wat waard vond, heeft nog een straat die aan de plaatselijke verdediging herinnert, waaronder - naast Vollenhove - ook Delft, Arnhem, Heenvliet, en Brielle, zie: www.doelenstraat.nl. De huidige Doelenstraat in Vollenhove is pas in 1948 vanuit de stad, over de gedempte stadsgracht, naar het oosten verlengd. Naast de Doelenstraat was er ook de Doelensteeg, vanaf de Doelenstraat langs de stadsgracht naar de Voorpoort. De Doelen was de weg naar de molen toe (noordwaarts vanaf de Doelenstraat).
De schutters van een stad hielpen in geval van oorlog mee de stad te
verdedigen en in vredestijd om de rust te bewaren. Ze werd verdeeld in
dienstdoende en rustende schutterij. En onrustig werd het ook in Vollenhove aan
het begin van de 18e eeuw, de zogenaamde
plooierijen.
Bij de wet van 24 juli 1901 (Landweerwet) is de schutterij opgeheven en pas echt
verdwenen in 1907.
In het oudarchief van de stad bevindt een reglement op de schutterij, herzien in
1685, met in 1713 en 1720 vernieuwde artikelen, waaruit hieronder het een en
ander volgt.
Alle jaren werden uit de gewone schutters drie nieuwe schutmeesters gekozen die
tot taak hadden alles wat de schutterij betrof in goede orde te dirigeren. Deze
kozen drie assistenten, die opzicht moesten houden, en de boetes namens de
schutmeesters innen of doen innen. Zij waren de beoogde opvolgers voor het
schutmeesterambt.
Artikel 20 van het schuttersreglement luidt: iedere schutter zal binnen de
tijd van een jaar een roer (geweer) moeten hebben om mee te schieten. Iemand
mocht naar de papegaai (een houten vogel) schieten, mits eerst afgeroepen bij
trommelslag. De toeschouwers moesten oppassen voor verdwaalde kogels of enig
ander ongeluk door het barsten van de geweren of anders ontstaan. Elke schutter
moest zelf schieten. Schoot een ander voor hem, dan had dat geen waarde. Hij
moest zelf zijn roer laden om naar de papegaai te schieten. Hij mocht wel zijn
geweer op zijn kosten door een ander laten schoonmaken. Bij het uitgaan of
binnenkomen binnen Vollenhove zal geen der schutters met scherp of proppen mogen
schieten noch bij het schieten de stempel in de loop van het roer laten steken.
Teneinde gevaar te voorkomen werd bepaald, dat elk zijn roer, dragende of
afschietende, zo hoog moest houden dat het voorste gedeelte van de loop zeven
voet van de grond was. Het stond hem vrij zijn roer aan te leggen op een "vorket"
of ander "schamel", zoals de schutmeesters zullen doen maken. Wie de papegaai
van de paal schoot was een "vrije konink". Hij hoefde de vertering die dan
gemaakt werd niet te betalen. Er werd dan een schild gemaakt met daarop zijn
naam tot gedachtenis. Hiervoor behoefde hij niet mee te betalen. Dit gebeurde
elk jaar (artikel 17). Nadat de papegaai er af geschoten is, zal ieder in
volgorde weer inrukken.
Verder bevat dit reglement de gewone bepalingen, die in gildebrieven voorkomen. Ieder artikel eindigt vrijwel met een strafbepaling, bestaande uit geld of een hoeveelheid (ton) bier. Het bier werd door de gezamenlijke schutters opgedronken. Artikel 19 van het Reglement luidt: "Soo jemant een glas breeckt, sal geholden wesen alsulcke twee glaesen wederom in de schutterije te geven, soo het averst moetwillich geschiede, alsdan sal denselven alsuicke ses glaesen weder an de schutterije geven". Ten opzichte van de vertering werd op 22 april 1715 bepaald dat een oxhoofd wijn en twee tonnen Haarlemmer bier voor f 8 de ton zal worden opgelegd (ingeslagen)."
Tot kapitein werd volgens dit reglement verkozen: Burgemeester, tevens dokter, Joan van Setten, tot luitenant de Burgemeester Boudewijn Bernars, tot vaandrig Martinus Ter Gelde, tot sergeanten mr. Wycher IJspeert en Gerrit Ter Braeck, tot schutmeesters Arent Hildrinck, Arnoldus Spoor en Berent Jurriens. Tot assistenten, die op 6 april 1686 tot schutmeesters werden verkozen: Lambert van Setten, Gerrit Vriese de pander en Berent Lucas evenzo. Ook werd op 6 april 1686 verkozen tot derde sergeant Hermannus Werners, tot assistenten Herman IJspeert, Christiaan Visscher en Derck Pols en in plaats van Jan Vos tot tamboer Jan Willems de Vorst.
In 1715 had men drie tamboers. Niemand mocht op de schutterij meer dan één borgersdochter meebrengen en indien meer, dan moest daarvoor worden betaald. De dag van het optrekken werd vastgesteld op 15 juni. In 1713 werd dit gewijzigd in: een dochter, vrouw of weduwe. Tussen 1696 - 1713 staat vermeld dat de schilden die de Koningen droegen bij de vaandrig Derck Pols zijn, die de laatste maal koning is geweest. Op 22 april 1715 werd besloten dat de schilden als voorheen ten profijte van de schutterij zullen blijven en door de opvolgende koningen zullen worden gedragen. De magistraat besloot 31 mei 1713 onder meer dat voortaan de nominatie van de officieren eerst aan haar moet worden aangeboden om goed te keuren of anderen aan te stellen.
Schepenen en Raad besloten op 1 mei 1720 dat niemand in het optrekken heen en wederom zijn roer mag afschieten, maar alleen wanneer en ter plaatse alwaar de kapitein zulks beveelt met een algemeen salvo. Werd dit artikel overtreden moest voor iedere overtreding een boete betaald worden, die was voor de stad. Wanneer de schutterij op de tweede dag - doch niet langer - zou willen optrekken, zal maar één tocht door de stad mogen worden gedaan. De schutterij zal vergaderen in de grote kamer van het Stadhuis. Daar zullen ze alle bijeenkomsten houden. Werd er iets gebroken of beschadigd moest het door de schutterij worden hersteld, waarvoor de schutmeesters zorg hadden te dragen.
Burgers en ingezetenen verzochten in 1784 een geschikte plaats aan te wijzen waar zij hun exercitie in de wapen"handel" (hantering) zouden kannen verrichten. Door het College van de Volle Stoel werd op 11 december 1784 toegestaan de grote school daarvoor te gebruiken en de zogenaamde Latijnse school voor de schooldienst in te richten, terwijl op 29 december van dat jaar ook goed gevonden werd de Kleine Kerk daarvoor te gebruiken en de godsdienstoefening, zowel op zondag als op woensdag in de Grote Kerk te houden. Dit wat betreft het exercitiegenootschap uit die tijd.
Burgemeester, Schepenen en Raden met de gezworen meente besloten op 18
september 1786 tot conservatie van de goede rust en veiligheid en tot voorkoming
van alle ongeregeldheden, wederom in te stellen de Burgerwacht, zoals die in
vroegere jaren meermalen heeft plaats gehad en dat daartoe samen met het excercitiegenootschap des nachts zullen moeten waken zoveel personen, als uit
elk rot (wijk) door de rotmeesters, elk op zijn beurt, zullen aangewezen worden
volgens het Wachtreglement of reglement op de burgerwacht dat vanaf de pui van
het raadhuis zal worden afgelezen.
Een kapitein uit de magistraat en een luitenant uit de gezworen gemeente werden
aangesteld. Zolang het excercitiegenootschap hier zal zijn zullen vier mannen
uit de burgerij zonder rotmeester waken, maar zo het volle genootschap
uitgetrokken is zullen zes mannen met een rotmeester de wacht moeten houden.
Ieder die wacht heeft moet precies 9 uur in de wacht zijn, alwaar hem door de
commandant van de wacht geweer en wapenen zal gegeven worden. Niemand zal zijn
geweer en wapens mogen gebruiken dan op bevel van de commandant van de wacht,
uitgezonderd bij het lopen van patrouille of op schildwacht staande. Gaat de
patrouille rond en volk ontmoetende, dan zal deze aan zo één of meerdere
driemaal geroepen hebbende en geen antwoord verkrijgende, verplicht zijn die aan
te houden en in de wacht te brengen. Op de wacht zal ieder zich rustig en vredig
hebben te gedragen en die ruzie verwekt, krijgt boete. In oktober tot en met
februari eindigt de wacht niet voor vier uur; anders door de commandant te
regelen.
Door Raad en meente werd op 31 januari 1787 besloten de gecombineerde wacht van
het genootschap en burgerij tot nader aanzeggen op te schorten of af te
schaffen, omdat het niet meer nodig is.
Het exercitiegenootschap omvatte ook muzikanten, zoals blijkt uit de opschriften van een fagot uit die tijd.
Een aantal voorname inwoners schonken in november 1787 "ter gelegenheid van de gelukkige herstellinge der ruste en oude constitutie" een oranjevaandel aan de stad. Dit zijden vaandel met het wapen van de stad Vollenhove onder een bloeiende Oranjeboom draagt het devies: "Vigilate et Orate", daaronder "dit eereteken zij Oranje toegewijd, die voor het Vaderland, voor stad en godsdienst strijd". Het vaandel hangt in Oldruitenborg, het voormalige gemeentehuis, in de hal die naar de trouwzaal leidt. Ook hangt er het bord met de namen van de schenkers. In 1795, de Patriottentijd, ontdekte de Municipaliteit dat dit Oranjevaandel zoek was. De Municipaliteit besloot daarom 23 september 1795 de stadsroededrager op te dragen de gewezen regering aan te zeggen dat vaandel met zijn toebehoren direct aan haar ter hand te stellen om dat aan de Representanten der stad over te geven. Dit had tot gevolg dat het vaandel weer op het stadhuis werd bezorgd.
Ook in deze tijd bestond een burgerwacht, op 25 februari 1795 opgericht, die ook 's nachts waakte en een schutterij, die op 6 april vermeld wordt, welke laatste 24 april, omdat er in de stad inmiddels rust heerste, onder dankzegging voor het waarnemen van de reeds gedane wachten tot nader orde naar huis werd gezonden. Op 20 juni 1795 werden door de Municipaliteit der stad twee burgerrepresentanten aangewezen om die avond naar het huis van H. H. van Guldener te gaan om hem te verzoeken en te requireren overgave van de "ornamenten", die hij van het vorige exercitiegenootschap nog onder zich had en had hij nog wat te vorderen, dan zou hem dat naar redelijkheid worden teruggegeven.