In 1580 of 1581 kwam de Grote- of Nicolaaskerk van Vollenhove in handen van de Hervormden.
Het kleine aantal katholiek gebleven inwoners werd in de l7e eeuw een keer in de zes weken bezocht door seculiere priesters uit Zwolle. Aanvankelijk bekommerde Volqueris Herckinga (pastoor in Zwolle sedert 1618) zich om Vollenhove. De Statie Vollenhove werd vanaf 1631 bediend door paters Jezuieten. In de oorlog met Frankrijk en Munster werden vele
Jezuïeten verdreven en is de Statie opgeheven.
Kort na 1632 zien we de bekende Zwolse pastoor Arnoldus Waeijer de Rooms-Katholieken te Vollenhove bezoeken. Hij heeft dit 30 jaar gedaan. Hij was tijdens zijn oponthoud in het geheim woonachtig bij plaatselijke notabelen, zoals het echtpaar
Hagen (van Oldhagensdorp).
Hij geeft hiervan een boeiend verslag in zijn boek "Nopende het Aertspriesterschap van Swolle naer de beroerten deser Nederlanden, mitsgaders van eenige gedenckweerdige voorvallen", waaruit blijkt, dat de verhouding tussen hem en de Jezuïeten nogal te wensen overliet. De competentie tussen hen, men zou haast spreken van concurrentie, vormde doorlopend een bron van onenigheid en wrijving.
Vanaf 1632 verbleef ook van tijd tot tijd een pater Jezuïet te Vollenhove. Deze pater, genaamd Kelderman, had vast onderdak bij mevrouw Van
Westerholt op het huis "Herxen" bij Deventer. Spoedig eiste pater Kelderman het alleenrecht op voor de bediening van Vollenhove. Hij wist zelfs te bewerkstelligen dat het echtpaar Hagen hem in plaats van Waeijer voortaan onderdak zou verlenen. Ondanks Keldermans pogingen het werk voor Waeijer onmogelijk te maken slaagde deze erin zich te handhaven mede dankzij de Vollenhovense families Rentinck en
Bannier, bij wie hij beurtelings eens in de zes weken te gast was (zie ook de beschrijving van het portret van
Egbertus Rentinck).
In 1652 werden de Katholieken tijdens hun godsdienstoefening ten huize van Nicolaas
Rentinck overvallen door den burgemeester, op aandrijven van den medeburgemeester Timen Coops; en ofschoon Waeijer ontkwam, werd
Rentinck toch met f 300 beboet.
De problemen met de paters Jezuïeten bleven tot 1672 voortbestaan.
Bij de komst in dat jaar van Lodewijk XIV en de bisschop van Munster kregen ook de Vollenhovense katholieken, weliswaar voor korte tijd (1672-1674), de vrijheid hun godsdienst in het openbaar te belijden. Na veertig jaar gaven de paters Jezuïeten de strijd op Vollenhove alleen te bedienen en trokken zich geheel uit deze plaats terug. Arnoldus Waeijer profiteerde meteen van de gelegenheid door in Vollenhove een statie “van de Clergie” (van wereldlijke geestelijken) op te richten. In 1674 werd Hermanus Sevenstern tot pastoor van Vollenhove aangesteld.
Dat de bewoners van Oldhagensdorp door de rooms-katholieke overheid officieel als beschermers van de Vollenhoofse parochie erkenning vonden, blijkt uit het feit, dat zij gekend werden in kwesties als beschuldiging van jansenisme, die Sevenstern trof, en in benoemingen van
pastoors.
Sevenstern ondervond tijdens zijn pastoraat grote tegenwerking van de plaatselijke overheid.
Gedurende ongeveer 125 jaar kwamen de katholieken van Vollenhove
samen in "Oldhagensdorp" of zoals Van der Aa het uitdrukt "in het bovenvertrek van een bijzonder huis”.
Het nieuwe reglement van 1622 op de admissie (toelating) als riddermatige tot de statenvergaderingen bepaalde dat de ten landdage geadmitteerden de gereformeerde religie moesten belijden. Daar de Hagens, bewoners van de
havezate Hagensdorp, rooms-katholiek gebleven waren, voldeden zij niet aan die eis van het nieuwe reglement. Met een aantal andere rooms-katholieken verlieten de gebroeders Seino, Pelgrim en Hendrik Hagen in 1622 voorgoed de vergadering van de Overijsselse staten.
Sedertdien "sluimerde" het recht van verschrijving van deze havezate, totdat dit recht in 1667 door de toenmalige bewoner van Hagensdorp Egbert van Uterwijck, werd verkocht aan Johan Sloet van
Tweenijenhuizen, die dit recht met toestemming van Ridderschap en Steden van Overijssel verlegde naar zijn eigen huis te Vollenhove. Het huis van Egbert van Uterwijck noemde men van toen af Oldhagensdorp.
Dat de opeenvolgende bewoners van het huis rooms-katholiek waren gebleven veroorzaakte enerzijds dat het huis zijn karakter van
havezate verloor door de verlegging van dat recht in 1667, anderzijds kreeg het er een nieuw aspect bij, doordat het huis het centrum van het ondergronds rooms-katholieke leven in Vollenhove werd.
De bewoners stelden namelijk hun huis ter beschikking voor het houden van godsdienstige bijeenkomsten, terwijl in de 17e eeuw ook de rooms-katholieke geestelijken er periodiek onderdak vonden. In het huis Oldhagensdorp verleende mevrouw van Uterwijck, in 1673 weduwe geworden, de pastoor Hermannus Sevenstern (1674 – 1726) verblijf.
Na de dood van zijn moeder Lucia Kockman wordt in 1698 haar zoon Jacob van Uterwijck beleend met Oldhagensdorp en de daaronder ressorterende goederen en in 1710 diens weduwe Allegonda Grammaye. Samen met haar schoonzuster Maria Lucia van Uterwijck, de weduwe van de kolonel Herman Reinholt von Dellwig, en haar dochter Ave van Uterwijck, sedert 1728 weduwe van Gijsbert van Dorth, woonden zij op Oldhagensdorp. Deze dames, alle drie vroeg weduwe geworden, zochten vertroosting in de godsdienst en bedachten pastoor en parochie van Vollenhove met vele giften.
Het archief van Oldhagensdorp bevat een aantal stukken, die op deze periode slaan.
In 1726 (of 1708?) schonk Suzanna Rentink, dochter van Nicolaas Rentinck, haar huis aan de Kerkplaats (no. 6) om als pastorie dienst te doen. Een
portret van Egbert Rentinck uit 1659, mogelijk haar grootvader, is nog in het bezit van de parochie. De familie Rentinck, waarvan Egbert Rentinck tot 1624 stadsecretaris was, was een belangrijke steunpilaar van de parochie. Er waren innige banden met de familie
Bannier.
Het huis van de familie Rentinck werd als pastorie ingericht. De zolder van dit huis aan het Kerkplein werd tot bedehuis verbouwd en was bestemd voor missen op werkdagen.
Mogelijk dateert de collectie oude schilderijen,
die op de zolder van de vorige pastorie werden teruggevonden, uit deze periode
als aankleding van de schuilkerk. Op zon- en feestdagen bleef de huiskapel van Oldhagensdorp in gebruik.
In de resultaten van de volkstelling in 1748 vond ik wonende in ‘de Kerkstraate’ de priester Willem Entink (of Entingh), met als huishoudster Maria Spiegel. Deze priester was de derde
pastoor die na de hervorming in functie was, van 1728 – 1751. Volgens de trouwboeken van de RK Parochie trad deze Maria Spiegel veelvuldig (22x) op als getuige bij huwelijken, voor het eerst in 1726 en voor het laatst in 1778! Haar voorgangsters waren waarschijnlijk Maechtelt Kockmans (van 1686 tot 1706) en Aeltien Dercks (van 1706 tot 1718).
Waar precies de H. Mis werd opgedragen wordt pas in 1778 vermeld: 's winters op een afgeschoten zolder van het woonhuis van de Heer van
Middachten (voordien het adellijk huis en havezate Hagensdorp), en 's zomers in een schuur in de tuin van genoemde heer.
en hier voor het eerste deel tot de hervorming.
www.henkvanheerde.nl/vollenhove