(1746-1813)
De Heer Jan Arend Baron de Vos van Steenwijk was, bij de oprigtinge en
plegtige bevestiginge van deze Maatschappije in 't jaar 1766, een geacht Lid van
dezelve, en onder de oudste nog overgeblevene Leden thans de vierde in rang na
de Heeren Tollius , van Wijn en Tijdeman , die, gaat het naar onzen wensch, nog
vele jaren in 't leven gespaard zullen worden, om ook aan dit Genootschap tot
roem en luister te verstrekken.
De Heer de Vos van Steenwijk had het genoegen uit een aloud en hoogaanzienlijk
geslagt gesproten te zijn, 't welke eeuwen lang in ons Vaderland bekend was, en
vermaagschapt met de voornaamste adelijke stammen, waarvan het genoeg zal zijn
te noemen Boetzelaer , van Borssele , Burmania , van der Does , Randwijk ,
Ripperda , Reede , van der Dussen , Sloet , Tuijl van Serooskerke , Isselmuden ,
om meer soortgelijke verbindtenissen te verzwijgen. Het is reeds in de
veertiende eeuwe beschreven geweest in de Ridderschap van 't kwartier van Veluwe
in Gelderland. Naderhand bevonden zich sommigen van hetzelve in Drenthe en
Overijssel. Hendrik de Vos van Steenwijk onderteekende, den elfden van grasmaand
1580, wegens het Graafschap van Drenthe, de Unie van Utrecht, gelijk mede blijkt
uit de oorspronglijke uitgave, te Haarlem in 't jaar 1778 op last van den Raad
van State vervaardigd. Zijn Grootvader was eerst Lid der Ridderschap van
Drenthe, daarna van Overijssel; in welk laatstgenoemde Gewest dit geslagt vooral
gevestigd bleef. De overledene werd te Vollenhoven geboren den zesėntwintigsten
van lentemaand des jaars 1746. Zijn vader was Jan Arend Godaard Baron de Vos van
Steenwijk, Heer van Nijerwal, Oldenhof, Havixhorst, Hogenhof, Ambachtsheer van
Serooskerke en Welland in Zeeland; beschreven in de Ridderschap van Overijssel;
Landdrost van Vollenhoven; en wegens dat Gewest Afgevaardigde ter Vergaderinge
van de Algemeene Staten. Zijn moeder was Vrouwe Geertruid Agnes Baronesse van
Isselmuden tot de Rollecate.
Zulk eene afkomst was hem zonder twijfel tot groote eere, doch zekerlijk niet
minder de edele zucht voor de letteroefeningen, aan welke hij zich van zijne
jeugd aan toewijdde.
Na behoorlijk voorbereid te zijn, begaf hij zich naar de Hoogeschole te Utrecht,
bleef aldaar den tijd van vijf jaren, en genoot toen het onderwijs zoo van den
grooten Wesseling, als van andere Hoogleeraren, wier lessen in de Letteren,
Wijsgeerte, het Natuurlijke Regt, het Romeinsche en algemeene Staats-Regt, hij
met lust en nut hoorde. Dat niet zoo algemeen in dien tijd was, en in onze dagen
nog minder gebruikelijk is, de adelijke jongeling
maakte een naarstig gebruik der lessen van den vermaarden Bonnet over de
Godgeleerdheid. Den Akademischen loop ten einde gebragt hebbende, werd hij in 't
jaar 1765 tot Doctor in de Regten bevorderd, en schreef bij deze gelegenheid
eene Dissertatio, continens quaestiones, partim ex iure naturae, partim ex
civili Romano petitas. Hier bleek, welke vruchten hij uit de gehoorde lessen
verzameld had. Dit werd niet minder kenbaar, toen hij, tegen de gewoonte der
meeste Edelen in ons Vaderland, zich in de pleitzalen liet hooren, om het regt
der onschuldigen te verdedigen. In dit loflijk werk volhardde hij tot den tijd
toe, wanneer hij tot de behartiginge van 's Lands zaken geroepen werd.
Sedert het jaar 1770 was en bleef hij een' geruimen tijd beschreven in de
Ridderschap van Overijssel; en werd hij, wegens dat Gewest, eerst afgevaardigd
in de Oostindische Compagnie ter Kamer van Amsterdam, naderhand in den Raad van
State, vervolgens in de Admiraliteit te Amsterdam. Na de veranderinge van zaken
in den aanvang des jaars 1795, werd hij een Lid der Representanten van
Overijssel, en wegens dezelven Lid van de Gedeputeerde Staten; in 't volgende
jaar was hij Lid der eerste Nationale Vergaderinge; in 1797 is hij door het
Uitvoerend Bewind in gezantschap naar Parijs gezonden, van waar hij in 't begin
van louwmaand 1798 wederkeerde; eenige maanden later werd hij benoemd tot Lid
van het Departementaal Bestuur van den Ouden IJssel; ten tijde der landinge van
de Engelschen in 1799 werd hij afgevaardigd naar Zijne Majesteit van Pruissen te
Berlijn; twee jaren daarna is hij door het Staatsbewind aangesteld tot
Thesaurier Generaal der Bataafsche Republiek; bij het veranderen van 't bestier
der geldmiddelen, is hij door den Heere Raadpensionaris benoemd tot Lid van den
Staatsraad; na de komste des Konings van Holland bleef hij Staatsraad in gewonen
dienst, tot dat hij in wintermaand 1807 benoemd werd tot Landdrost van
Gelderland; dezen post heest hij drie jaren waargenomen; in dien tijd werd hij
door den Koning gemagtigd tot het regelen der grensscheidinge met het
Groothertogdom van Berg. Het waarnemen van zoo vele en onderscheidene ambten,
onder een steeds afwisselend bewind van zaken, gaf hem overvloedige gelegenheid,
om veel te hooren, te weten, en te beoordeelen.
Geen wonder, dat een Man van zulk aanzien, die daarenboven een' geruimen tijd
Commandeur van de Duitsche Orde ter Balije van Utrecht was, en in de laatste
jaren den rang van Coadjutor bekleedde, ook bij de instellinge der Orde van de
Unie in aanmerkinge kwam, om Ridder, en in 1810 Commandeur te worden, zijnde
door Zijne Majesteit den Keizer bevestigd als Commandeur van de Orde der Reunie.
Vergat nu misschien de Heer de Vos van Steenwijk, onder zoo veelvuldige
Ambtsbezigheden en eerbewijzingen, den ouden smaak der letteroefeningen? was
alle lust, om in dezelve werkzaam te blijven, toen verloren geraakt? In geenen
deele! Want hoewel geene schriften, door hem van tijd tot tijd opgesteld, in
druk uitgegeven zijn, heeft hij echter eenige aanmerkelijke stukken in
handschrift nagelaten. Onder deze is van een bijzonder belang eene Historische
Beschrijvinge der Stad Vollenhoven en van de Nederlandsche Gewesten, zoo verre
de gebeurtenissen van die Gewesten, en bijzonderlijk van Overijssel, in verband
stonden met de lotgevallen van die Stad. Indien dit werk door 's Mans kundige
hand geheel afgewerkt is, of door iemand kan opgevat en voltooid worden, zou het
te wenschen zijn, dat hetzelve vroeger of later in het licht kwame.
Het geeft ons altijd eenig genoegen, als wij vernemen, dat oude en
verdienstelijke geslachten in ons Vaderland niet uitgestorven zijn, maar
voortgeplant worden en in aanzien blijven. De Heer de Vos van Steenwijk, van
wien ik sprak, had zich in echt begeven met Vrouwe Coenradina Wilhelmina
Baronesse van Isselmuden, en hij liet bij zijnen dood, den achtsten van
lentemaand dezes jaars op zijn buitengoed den Oldenhof bij Vollenhoven
voorgevallen, uit dit huwelijk twee zoons na, Jan Arend Godard de Vos van
Steenwijk en Hendrik Antonij Zwier de Vos van Steenwijk, genaamd van Essen: die,
met hunne bloedverwanten, het verlies van hunnen Vader zullen betreuren, zoo
lang zij zelven in het leven gespaard worden, om den roem van hun geslacht te
bevestigen en te vermeerderen.
Ik kan geen andere reden uitdenken, om mij te verschoonen, dat ik Uwe aandacht
zoo lang gevergd hebbe, dan mijn verlangen, om iets bijtedragen tot nut van onze
letterkundige historie; terwijl ik mij verblijde, dat men nu ook bij andere
geletterde Maatschappijen een voornemen schijnt opgevat te hebben, om tot dit
zelfde oogmerk eenig berigt te geven, betreffende hare afgestorvene Leden; ik
zal mij verheugen, indien ik, voor het vervolg, van deze taak bevrijd worde, 't
zij door mijn ontslag van het Voorzitterschap, 't zij door het langdurige leven
van alle de Leden dezer Maatschappije, welker bloei en roem steeds onze
bedoelinge en vreugde blijve!
De Vergadering betuigt den Voorzitter haren dank voor zijne belangrijke
Aanspraak, met bijvoeging van haren wensch, dat dezelve gedrukt worde in de
Handelingen van dezen dag.
De Vergadering ging over tot de behandeling der punten, bij den brief van
beschrijvinge voorgesteld.
Uit: Handelingen der jaarlijksche vergadering van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde te Leyden, Gehouden den 7 van Hooimaand 1813. Toespraak van de voorzitter, J.W. te Water