Seidel

De naam Seidel is sinds 1749 verbonden aan Vollenhove. Toen solliciteerde een Duitse muzikant bij de Dragonders, gelegerd op het Oldehuis, maar werd uiteindelijk schout van Schokland. Zijn kleinzoon had ook die functie. Op hoge leeftijd kreeg hij de erefunctie kastelein. Een achterkleinzoon werd koffiehuishouder en 'echte' kastelein in het Raadhuis van Vollenhove. Tot 1948 deelde Restaurant Seidel het gebouw met de gemeente. Vanaf 1956 is het geen Seidel meer die er de scepter - of liever: pollepel - zwaait. De naam blijft echter, en is inmiddels in binnen- en buitenland gerenommeerd.

De uit Herborn in Duitsland afkomstige Eberhard Philip Seidel (1728 - 1814) was de eerste kastelein uit het geslacht Seidel, hij werd in 1801 benoemd. Een benoeming tot kastelein moet men in het licht van die tijd niet onderschatten, het was een heel andere functie dan tegenwoordig! Seidel was toen 73, en ook al meer dan tien jaren als schout van Schokland in functie. Hieronder zijn verhaal.

Een Duitse jongeman solliciteert in 1749 naar Vollenhove

De naam van deze jongeman was Eberhard Philip Seidel. In 1808, het jaar waarin hij 80 jaar oud zou worden, schreef hij zijn autobiografie. De 119 keurig geschreven en duidelijk leesbare bladzijden werden tot een boekje ingenaaid. Het raakte in de vergetelheid. Alle feiten en wederwaardigheden waarnaar men tot aan het voorjaar van 1963 zocht, stonden in dit boekje. De door Seidel genoemde namen konden ten dele in archieven en musea, uit boeken en familiepapieren worden achterhaald. Al dit tijdrovende werk werd door de heer Hans Seidel verricht. In de Kamper almanak 1966-1967 verscheen zijn uitvoerig artikel: 'Met een dukaat en een dubbeltje'. Eberhard Philip Seidel werd op 12 juli 1728 in het Duitse Herborn geboren. Over de ligging van de stad schrijft hij: Herborn, een stad gelegen in het vorstendom Nassau-Dillenburg, anderhalf uur van de vorstelijke residentie Dillenburg gelegen. 'Vermoedelijk stammen zijn voorouders af van de Zwitserse vluchtelingen die met Wilhelm Tell naar Duitsland zijn uitgeweken'.

Deze eerste Nederlandse Seidel was een veelzijdig begaafd mens van goede huize. een levenskunstenaar niet een drang naar zelfstandigheid en moedig in het nemen van initiatief. Het was vooral een man met een groot doorzettingsvermogen en een ruime kijk op het leven; een geboren leider die openstond voor mensen uit alle lagen van de samenleving. Eberhard Philip leerde in zijn geboorteplaats niet alleen Duits en Latijn maar ook de beginselen van de architectuur en geometrie en het schrijnersvak. Door zijn leergierige aard onderhield hij goede contacten met de studenten van de academie van Herborn; een van deze studenten leerde hem "het clavier trakteeren". Hieraan was de Stads- en Academiemusicus Fischer verbonden;  waarvan Seidel muzieklessen kreeg en van wiens orkestje hij later zelfs deel uit maakte.

Hofmusicus en lakei

In 1747 werd door de Prins van Oranje en Nassau, Willem Carel Hendrik Friso, stadhouder der Nederlanden en vorst van Nassau, een rekwisitie uitgeschreven waarbij de dienstplichtigen van zijn Nassauer erflanden werden opgeroepen om tegen Lodewijk XV te strijden, die Staats-Vlaanderen had laten bezetten. De negentienjarige Eberhard Philip Seidel vond deze oproep onrechtvaardig; hij probeerde uit Herborn te vluchten: "maar helaas, de Poorten der stad waren gesloten!" Met de hulp van de musicus Hendrik Willem Haubach, die er tien jaren als trompetter in Franse dienst op had zitten en sedert circa 1746 tot 1748 als musicus aan het hof van de vorst van Solms verbonden was, wist de jeugdige Seidel uit Herborn te ontsnappen. Tijdens het musiceren in het plaatselijke logement had Haubach, die voor zijn plezier in Herborn logeerde, met Seidel kennisgemaakt. Op voorspraak van Haubach werd Seidel musicus en lakei aan het hof van de vorst van Solms in Braunfels. Hij speelde daar piano, cello en hobo.

Vacatures bij de Dragonders in het Brabantse Raamsdonk

Hoe kwam deze Eberhard Philip Seidel nu, na verloop van twee jaar, in Vollenhove terecht? De aanleiding daarvan was een duel tussen twee hoboïsten van het Garnizoensregiment Dragonders van generaal Slippenbach in Raamsdonk, waaraan Haubach sedert 1748 als musicus verbonden was. In dit jaar werd de Vrede van Aken gesloten, waarbij de Zuidelijke Nederlanden onder Oostenrijks bestuur terugkeerden en de Staten in de ontmantelde barrièresteden weer garnizoenen mochten leggen. Bij dit duel, dat in 1749 op de degen werd uitgevochten, kwam een van de muzikanten om het leven; de andere ontvluchtte. Opeens waren er twee vacatures hij het regiment Dragonders ontstaan, dat spoedig naar Vollenhove verplaatst zou worden. Haubach schreef aan Seidel of hij ervoor voelde om naar Nederland te komen om als hoboïst bij de Dragonders dienst te nemen; hij moest zich daarvoor bij hem in Vollenhove melden. In deze tijd was het voor buitenlanders niet moeilijk om in Nederland carrière te maken: de Republiek, later het Koninkrijk, gold als het beloofde land. Toch werd Seidel door dit aanbod overvallen.
Na lang beraad besloot hij ontslag te nemen en vroeg een afscheidsbrief aan. Alleen met zo'n afscheidsbrief, een soort paspoort in die dagen, kon Seidel legitiem op reis gaan. Kostbare tijd verstreek doordat deze brief lang op zich liet wachten: dit zou hem later opbreken. Door inschakeling van een van de secretarissen van de vorst kreeg Seidel de begeerde brief eindelijk in handen. Zij was echter ongeldig omdat het vorstelijke zegel en de handtekening van de vorst of diens gemachtigde ontbraken. Door een list van Seidel kwam de brief toch nog compleet, de consequenties daarvan waren echter dat Seidel zonder het hem toekomende salaris moest vertrekken.

Per postkoets, op vrachtkarren, te voet en per schuit

Te voet reisde Eberhard Philip Seidel over Dillenburg, de geboorteplaats van Willem van Oranje en Prins Maurits, naar zijn familie in Herborn waar hij acht dagen bleef. Het in 1255 door Graaf Hendrik den Rijke van Nassau gestichte slot in Dillenburg zou in 1760 door de Fransen met de grond gelijk worden gemaakt. Omstreeks 20 oktober 1749 vervolgde Seidel zijn reis naar Nassau-Siegen. In de plaatselijke herberg maakte hij kennis met de bediende van een officier van het Groningse garnizoen. Samen trokken zij verder langs de rechter Rijnoever naar Keulen: vandaar ging de tocht over Emmerich en 's-Heerenberg naar Elten. Zij maakten gebruik van vrachtkarren en postkoetsen (,, ter sluik: dat is zonder ons bij den Postmeester te doen aantekenen."). Daarna trokken de reismakkers verder over Zutphen en Deventer. In Zwolle namen zij afscheid van elkaar: "Mijn Rijsgenoot ging over de Bergenbrug (Berkumerbrug) naar Groningen en ik de stad Zwol door: al vragende naar de weg naar Vollenhove. Ik ging dus de Camper Poort uit, Frankhuis voorbij en bij de Herberg de Riesebos links den Dijk af en Mastenbroek door. Ongeveer aan het einde van Mastenbroek gekomen zijnde zag ik ter regter hand een Plaats met een Tooren." Seidel meende dat het Vollenhove was. maar het bleek Hasselt aan het Zwartewater te zijn. In de buurt van Hasselt ronddolend ontmoette hij twee "perzonen" in een schuit die hem meenamen naar Genemuiden, daar bracht hij de nacht door.
In het najaar van 1749 moet de deels onder water gelopen Mastenbroekerpolder er troosteloos hebben uitgezien. Het enige wat Seidel hiervan in zijn autobiografie vermeldt is dat de weg glibberig was, soms met water bedekt zodat hij "al heen en wederom slobberde". De volgende morgen vertrok hij opnieuw met een schuit ,,den Voorst voorbij" en werd 's middags aan de "Brug of Stijger" van Vollenhove afgezet. Hij gaf de schipper een "vooitje": van zijn reisgeld had hij een dukaat en een dubbeltje overgehouden.

Vacature van hoboïst vergeven

Op het ogenblik dat Seidel uit de Heilige Geeststeeg rechtsaf de Kerkstraat insloeg, stond zijn begunstiger Haubach op de stoep van zijn logement met de dochter van de Iogementhouder Van Bergen te praten. Zij maakte Haubach attent op de vreemdeling en vroeg hem "Wat is dit tog voor eene? zo met goed en degen beladen." Het logement van Van Bergen werd in Vollenhove "De Schoole" genoemd. Met het gezicht naar de Grote Kerk lag het aan de linkerzijde van de Kerkstraat, ongeveer vijfenzeventig meter van de Heilige Geeststeeg verwijderd. Het huis bestaat niet meer. Schuin aan de overkant was de opvallend geklede jongeman in gesprek met een voorbijganger. "Hij droeg 'Hooghdeutsche' kleeding, het port d'épé of degenkoppel, met den Degen er in, om de hals, op het schouder, en het veleiser, of rijszak, op den rug, en den stok in den hand." Hij stak de Kerkstraat over en stevende regelrecht op Haubach af. De hoboïst van het Garnizoensregiment Dragonders begroette Seidel en vroeg hem binnen te komen. Daar kreeg hij te horen dat er reeds een hoboïst benoemd was...

Opzichter van paal- en dijkwerken op Schokland

Ongeveer twee jaar nadat Eberhard Philip Seidel in Vollenhove neergestreken was, trouwde hij met een Vollenhoofs meisje, Dirkje Brummelbos (1723 - 1777). Toevallig was zij hetzelfde meisje dat met Haubach op de stoep van het logement stond toen Seidel voor het eerst de Kerkstraat in Vollenhove overstak. In zijn autobiografie schrijft hij over haar: "En ziet! zij was 't juist, welke ruim twee jaaren daarna mijn Egtgenootin wierd." Wonderlijk snel paste Eberhard Philip zich in Vollenhove aan. Om in zijn onderhoud te kunnen voorzien had hij aanvankelijk een betrekking aanvaard als bediende bij Arnout van Hoey, destijds majoor van het regiment Dragonders. Hij bekwaamde zich als schrijnwerker, een beroep dat destijds in aanzien stond, en gaf muzieklessen aan kinderen van aanzienlijke families bij wie hij in de smaak viel. Na verloop van tijd leidde dit tot zijn benoeming tot opzichter "van paal en dijkwerken van Ens". In deze tijd werd Schokland door de "Oude sloot" in twee delen gescheiden. Het noordelijke deel werd Emmeloord genoemd, het zuidelijke deel Ens. In l789 bracht Eberhard Philip Seidel het voormalige Zuiderzee-eiland in kaart, het is de oudst bekende afzonderlijke kaart van Schokland. Eens was het eiland, dat door landverlies steeds kleiner werd, met Urk en het legendarische Nagele een deel van een omvangrijk eiland dat zich tot voorbij het huidige Ketelhaven uitstrekte. Het moet in drie delen uiteengevallen zijn, waarbij Nagele op 't laatst door de opdringende zee verzwolgen werd.

De municipaliteit was aan het vissen

In 1793 werd Seidel tot schout van Schokland bevorderd, hij bleef tevens opzichter van paal- en dijkwerken. Twee jaar daarna werd de Bataafse Republiek ingesteld. Tot 1810 heeft ons land nog een schijn van onafhankelijkheid gekend. Door ons traktaat van 25 juni 1803 werden wij echter geheel tot een wingewest verlaagd. Op 2 maart 1795 werd de "buitenlander" als schout van Schokland ontslagen; Seidel weigerde om zijn eed van trouw aan stadhouder Willem V te breken. Nadat de bijna zevenenzestigjarige schout eveneens geweigerd had om de protocollen en stukken over te dragen schreef hij een brief aan het provinciale bestuur waarin hij de nieuwe regering en de onhoudbare toestand op het eiland hekelde. Na ontvangst van de brief trokken de heren Sloet en De Vos van Steenwijk direct naar Schokland, waar niemand van het gemeentebestuur aanwezig bleek te zijn. Alle zojuist benoemde leden waren uit vissen gegaan en niemand kon vertellen wanneer zij zouden terugkeren. De municipaliteit werd daarop voor het gerecht ontboden maar op de vastgestelde datum kwam er niemand opdagen. "Zullende dezelve waarschijnlijk van hunne vischpartij nog niet weder zijn te huis gekomen" zo meldt het desbetreffende verslag. Op 12 augustus 1795, na een onderbreking van ruim zes maanden, werd Seidel opnieuw tot schout aangesteld. Hij bleef nog negen jaar in deze functie.

Voor een groot deel weer te voet naar zijn geboorteplaats

Eberhard Philip Seidel was zijn geboorteland niet vergeten. De eerste reis naar Herborn maakte hij al op vijfenveertigjarige leeftijd. Sindsdien waren 33 werkzame jaren verstreken en zijn zoon Lucas was hem als waterstaatsambtenaar in Schokland opgevolgd. Nu had hij ruimschoots de tijd om een tweede reis naar Duitsland te maken. In augustus 1806 vertrok de achtenzeventigjarige Seidel: te voet (!) trok hij via Arnhem, Duisburg, Düsseldorf en Mühlheim (bij Keulen) naar Deutz (nu deel van Keulen), zo'n 250 kilometer gaans. Vandaar reisde hij eerst per postwagen naar Altenkirchen, vervolgens per sjees met een gehuurde koetsier over Hachenburg naar het slot van de vorst van Braunfels (bij Wetzlar), bij wie hij zevenenvijftig jaar geleden als musicus en lakei had gediend.
Het bezoek van Seidel aan de beide prinsen was zo geanimeerd dat zij hem verzochten om toch ook naar hun broer te reizen, die het buitenslot Greiffenstein in het Luinerwoud bewoonde (nu een toeristische trekpleister, 'Glockenwelt'!). Na het afscheid in Braunfels stond er voor het slot een vorstelijke koets klaar die met vier paarden bespannen was, voor de rit van zo'n 24 kilometer. Met Seidels koetsier was afgerekend, hij was met de sjees weer vertrokken. Vanaf het slot Greiffenstein bij Edingen reed Seidel met een koets terug naar Herborn.

De laatste jaren

Rond de tijd van zijn terugkeer in Vollenhove voltrokken zich allerlei veranderingen in ons land. Voor Schokland was bepaald dat het eiland in zijn geheel hij de provincie Overijssel zou behoren. E.P. Seidel wordt zelfs genoemd als de eerste burgemeester, maar in werkelijkheid waren er twee burgemeesters: van de dorpen Ens en Emmeloord. In 1811 werd zoon Lucas – voor korte tijd – de eerste burgemeester van de gemeente Schokland die toen werd gevormd.
In het voorjaar van 1813 kwam Eberhard Philip opnieuw naar Schokland, waarschijnlijk was hij al ziek. Hij werd in het huis van zijn zoon Lucas (1760 - 1827) verpleegd. Op 25 september 1814 overleed Eberhard Philip op Schokland: een deel van zijn leven had hij besteed aan het behoud van dit eiland, dat voor de scheepvaart op de Zuiderzee een belangrijke rol gespeeld heeft. In het nieuwe Ens, onderdeel van de gemeente Noordoostpolder, is een straat naar hem vernoemd.

Lucas Seidel

Lucas Seidel, in de Franse tijd tegenstander van zijn vader, trad voor het overige in diens voetsporen en werd na waterstaatsopzichter (in 1804) ook even burgemeester (in 1811, dat duurde maar een maand) en in 1818 schout en burgemeester. In 1821 werd hij lid van de Kamper afdeling van het Nut en sprak daar een belangrijke rede uit over de visserij op de Zuiderzee.
Zijn oudste zoon, Eberhard Philip II, werd timmerman in Vollenhove, in de Kerkstraat waar zijn grootvader destijds was begonnen. Zijn naam komen we regelmatig tegen in de archieven, o.a. als degene die de toren van de Mariakerk verbouwde in 1823.
De tweede zoon, Casemir Frederik, werd zoals vader en grootvader rond 1840 waterstaatsopzichter en was van 1844-1847 de ‘baas’ in de calicotweverijen, opgericht om de armoede op het eiland te bestrijden. Hij overleed kinderloos.

Casimir Frederik Seidel

Casimir Frederik Seidel (Vollenhove, 1826-1890) was de kleinzoon van Lucas Seidel, zoon van Eberhard Philip Seidel II en Hendrika Maria Ekker. Zijn oom met dezelfde naam was opzichter van waterstaat in Schokland. De Vollenhoofse C.F. Seidel wordt in het stadsarchief als huurder genoemd vanaf 29 december 1849, voor een deel van het raadhuis, vermoedelijk als 'koffiehuis'. Naast het raadhuis, en nu integraal onderdeel van restaurant Seidel, was het logement van Willem Sauer waar in januari van dat jaar de drie geredde Durgerdammers worden binnengebracht en verzorgd door Seidels oom, dokter Ekker. Sauer, die ook gemeentebode was, overlijdt in 1849 en tegelijkertijd wordt de functie van (inwonende) bode afgeschaft. Met het samenvoegen ontstaat een complete 'stadsherberg', zonder dat die naam overigens wordt gebruikt. Maar er wordt al wel wat gedaan om 'vreemdelingen' te interesseren voor een verblijf in Vollenhove, zoals blijkt uit een gezamenlijke advertentie met collega Th. van der Veen in 1880, waarin hij in de Zwolse Courant de rechtstreekse diligence naar Vollenhove aanprijst.

Het raadhuis blijft overigens in functie tot 1949. Het gaat dan om de bovenzaal met de kluis op de tweede verdieping van de toren, en de bovenverdieping van het logement, met secretariekamer en burgemeesterskamer. Casimir Frederik wordt genoemd als gemeente-ontvanger, had dus ook nog een functie bij zijn huurbaas. Zijn oudste zoon Hendrik Jan vertrok naar Hengelo, zijn tweede zoon Gerrit Willem nam de zaak over. Onbekend is wanneer dat precies was, vermoedelijk bij het overlijden van zijn vader die toen pas 63 was. In 1886 trouwde Gerrit Willem, toen koffiehuishouder genoemd - dus vast al in de zaak werkzaam - met Geesje Aleide Veerenhuis (1861-1918) uit Almelo, ook koffiehuishoudster... Het lijkt er dus op, dat dit stel op 31-jarige leeftijd de uitbater werd van 'Seidel'.

Gerrit Willem Seidel

In het begin van de twintigste eeuw zou Gerrit Willem Seidel (1861-1937) zijn stempel drukken op het gerenommeerde familiebedrijf. Tot elf jaar na zijn dood was de bovenverdieping van het raadhuis als secretarie in gebruik. Door de linkerdeur van de galerij bereikte men via een trap de secretarie en de kamer van de burgemeester, die door een secretaris en een klerk werd bijgestaan. Het schoonhouden van de burgemeesterskamer was toevertrouwd aan de dienstbode van de familie Seidel (achtereenvolgens twee zussen De Boer).
Zoals in die dagen gebruikelijk was, werden de perkamenten oorkonden van privilegiën enzovoort op de secretarie bewaard. Daardoor gingen niet alleen in Vollenhove, maar ook elders in het land veel waardevolle stukken door vocht verloren of werden door muizen opgevreten. In de loop der jaren werden dan ook manden vol snippers perkament weggegooid. Kenmerkend voor deze tijd was bovendien het feit dat tegen de buitenkant van de gelagkamer zomaar een keukentje kon worden aangebouwd; bij de restauratie van het oude raadhuis in 1959 werd dit afgebroken.

Gerrit Willem Seidel profiteerde van de sfeer in en om het raadhuis en kreeg bekendheid in binnen- en buitenland. Evenals zijn vader was hij bezig om bezoekers naar Vollenhove te trekken. Van de meest markante plekjes in Vollenhove gaf hij prentbriefkaarten uit (zie hiernaast); het accent legde hij daarbij op de fraaie gevel van het gebouw waarin zijn bedrijf gevestigd was.  Vanaf 1904 was hij directielid van de stoomwegmaatschappij Zwolle-Blokzijl, die vanaf 1913 tot 1933 in dienst was.

Door de jaren heen genoten de Seidels veel vertrouwen; zij zijn dan ook als brievengaarders en distributeurs van de posterijen werkzaam geweest. Naast de zuilengalerij had Gerrit Willem Seidel een uithangbord laten aanbrengen met zijn naam en familiewapen erop; de grote bovenzaal werd als feest- en schouwburgzaal in gebruik genomen.

De eerste hotelaccommodatie stelde niet veel voor, maar nadat in 1947 de havezate Oldruitenborgh door de gemeente was aangekocht, met bestemming toekomstig stadhuis, werd het voormalige raadhuis geheel als hotel ingericht. De gasten die voor het eerst het gebouw binnentraden, vonden het merkwaardig om op de benedenverdieping van zo'n prachtig oud raadhuis opeens in een gelagkamer te belanden; men had er eerder een stijlvolle trouw- of vergaderzaal verwacht. Deze gelagkamer was echter zo sfeervol ingericht dat elke bezoeker er zich direct thuis voelde; er waren veel antiquiteiten, waaronder twee fraaie scheepsmodellen.
Het duurde niet lang of in het nachtregister stonden bijna evenveel buitenlandse als binnenlandse gasten ingeschreven.

Een gouden spierinkje aan de horlogeketting

Gerrit Willem Seidel was een man met gezag; hij heeft in verschillende besturen en instellingen zitting gehad. In de periode van 1899 tot 1915 was hij gemeenteraadslid en vanaf de oprichting van de stoomtramwegmaatschappij Zwolle - Blokzijl (later een busdienst) tot aan zijn dood was hij commissaris van deze onderneming. Met het wel en wee van de Vollenhovense vissers voelde hij zich nauw betrokken. In het begin van deze eeuw heeft hij dan ook meegewerkt aan de vergroting van de in 1823 gegraven haven door de aanleg van de buitenhaven. Kort na het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog stagneerde de afzet van spiering naar het buitenland; er moesten dringend andere afzetgebieden gevonden worden. In overleg met anderen vond Seidel al spoedig een oplossing voor het gerezen probleem. Het gouden spierinkje dat hem daarvoor werd aangeboden, droeg hij trouw aan zijn horlogeketting.

Klompen uit, pet af: Seidel als café voor de hele burgerij

In de tijd van Gerrit Willem Seidel werd er elke zondagochtend na de kerkdienst ook een borrel voor de vissers geschonken; zij mochten echter niet eerder dan om twaalf uur naar binnen. De klompen bleven buiten staan, de petten werden afgezet. Het luiden van de klokken maakte veel lawaai. "Het leek wel of de klokken op de bovenverdieping van het hotel hingen," vertelt een dochter van Gerrit Willem Seidel. In deze dagen werd de kerk druk bezocht; over het kerkplein kwamen de vrouwen met mooi bedrukte kerkdoeken om de schouders en met witte mutsen met linten op het hoofd naar de kerk. De mannen waren eenvoudig in het zwart gekleed, een enkele Urker die de zondag in Vollenhove verwaaid lag, viel op door zijn klederdracht.
De vissers wisten 's zondags niet hoe snel ze uit de kerk moesten komen. Ze gingen dan vaak pandoeren bij Seidel. Er konden maar drie vissers meedoen, dus er was haast geboden. De oude heer Seidel placht immers mee te doen, maar hij moest winnen.
Door de week bleven de vissers meestal weg; slechts een enkele eenvoudige ,,Venose" kwam dan bij Seidel een borrel drinken Het was tenslotte een zaak van standing die voornamelijk notabelen, zakenlui en mensen die een dagje uit waren, tot haar clienten rekende, op zondag echter zat iedereen er door elkaar. In het portaal van de galerij stond meestal een notabele achter een zwart tafeltje; op het tafeltje lag de Steenwijker Courant. Voor iedereen die er belang in stelde, las hij enkele advertenties voor of een kort artikel dat voor hem interessant was. Het gros van de vissers maakte geen gebruik van de gelagkamer. Door de rechterdeur van de zuilengalerij kwamen zij in het voorportaal van de slijterij, die boven de wijnkelder lag. Allemaal hadden zij een flesje van een halve liter bij zich dat voor zestien cent met jenever gevuld werd. Sommigen lieten het bij drie borrels, weer anderen kwamen terug; soms wel drie keer om hun flesjes opnieuw te laten vullen. Om half twee was de slijterij echter gesloten.
Seidel fungeerde overigens ook als plaats van bijeenkomst van een naaiclubje in de eerste helft van de 20e eeuw.

Het vrouwtje met het boezelschort

Eén van de laatst levende ex-medewerkers vertelde van de feesten die in een bovenzaal gehouden werden. Het was bij deze feesten meestal niet eenvoudig om voldoende toezicht te houden; een enkele maal werd er wel eens wat ontvreemd. Zo kon eens een vrouwtje ongemerkt naar boven komen; zij had met het feest niets te maken. Onder haar rok droeg zij een boezelschort met grote zakken. Zij had dit waarschijnlijk afgekeken van zigeunervrouwen, die ruime rokken droegen en alles wat zij gestolen hadden in de opgerolde zakken verstopten. De wat hol staande rok trok de aandacht van Seidel. Op een onverwacht moment gaf hij er een rukje aan en hoorde wat glaswerk rinkelen. Uit de boezeljakken van de vrouw kwamen zesendertig jeneverglaasjes te voorschijn.

Een nieuwe ober-kok trouwt de laatste Seidel

Gerrit Willem Seidel overleed in 1937. De achteruitgang van Vollenhove, vooral na de afsluiting van de Zuiderzee, zal zijn levensavond overschaduwd hebben. Reeds in 1928 had een aantal vissers hun schepen verlaten. De uittocht naar de industrieën in Twente of naar instellingen als Rijkswaterstaat en Nederlandse Spoorwegen was op gang gekomen.
In de jaren dertig werd bij Hotel Seidel een voortvarende jongeman als ober-kok aangenomen; zijn naam was Barend Velsen. Hij was afkomstig van Steenwijk, waar zijn ouders een zaak in galanterieën dreven. Het bleek een goed zakenman te zijn. Bovendien een opgeruimde, vlotte baas, die met iedereen goed overweg kon. Meer en meer werd Barend Velsen bij de leiding van het hotel betrokken. Hij was mede-initiatiefnemer van de oprichting van een plaatselijke VVV, en van het paviljoen Zwemlust.

Het contact met de familie Seidel werd verstevigd doordat Velsen in 1930 trouwde met Seidels dochter Catharina Frederika (geb. 1898), die na een mislukt huwelijk (1921) weer op het ouderlijk nest was neergestreken. Helaas hield ook dit huwelijk geen stand, ze scheidden in 1959. Gerrit Willem,  had geen zoon die de dynastie kon voortzetten, zoon Casimir Frederik overleed al toen hij een jaar was. Velsen vertrok in 1955 al naar Arnhem, waarna de gemeente als eigenaar een andere exploitant zocht (zie bij raadhuis).

Andere Seidels

De kleinzoon van Eberhard Philip, ook Eberhard of Everhard Philip Seidel (maar even aangeduid als II), was timmerman en had zijn werkplaats in de Kerkstraat naast het huis waar zijn grootvader in begonnen was, tegenover logement 'de Schoole'. Dat huis werd door diens kleinzoon Casimir Frederik Seidel (1869-?) verbouwd, vermoedelijk vlak voor zijn huwelijk in 1900 met bakkersdochter Niesje Vis (1868-1945), overigens bijna zijn buurmeisje (hij woonde vermoedelijk links naast de timmerwerkplaats in wat nu nummer 33 is, zij woonde in de bakkerij op nummer 27 - later bakkerij Post). Ze staat op de foto die gemaakt is bij Seidel op het 12,5 jaar huwelijksfeest van haar ouders, zie bij raadhuis. Uit de genealogie van de Seidels blijkt, dat vele generaties als timmerman of bouwkundig opzichter hun brood hebben verdiend - de koffiehuis- of restauranthouders waren de uitzonderingen.

De foto hiernaast is vermoedelijk gemaakt tijdens een feest in Vollenhove, eind augustus 1913 of 1914. Het gaat om de panden Kerkstraat 29-31-33-35-37 (meest rechtse).Van links naar rechts staan op de foto::
een onbekende dienstbode
Riksina Maria Seidel (e.v. J. d. van Westendorp)
Willempjen Overman (e.v. Casemir Frederik Seidel)
Casemir Frederik Seidel (getrouwd met Niesje Vis)
Niesje Vis (e.v. Casemir Frederik Seidel)
Anna Kuilart (d.v. Reinder Jan Kuilart en Elisabeth Johanna Seidel)
Klaziena Willentje Seidel (e.v. Dirk Johannes van Nanen)
Gerrit Zwier (getrouwd met Hendrika Maria Seidel)

Het huis waarvoor de groep staat werd later door het echtpaar Zwier-Seidel bewoond, werd na de oorlog postkantoor en toen fietsenwinkel (nu woonhuis, Kerkstraat 37). De gevel van dit pand, nu Kerkstraat 37, is onveranderd en wordt gerekend tot de ‘jongere bouwkunst’.
Links van dat huis een huis met een houten gevel, vroeger de timmerwinkel van Eberhard Philip Seidel (1788-1873, gehuwd met Hendrica Maria Ekker). Daarna werd het benedenhuis als postkantoor gebezigd door Anna Maria Seidel (1866-1932, niet op de foto, jongste dochter van Willempjen; haar broer CF Seidel was drie jaar jonger en de jongste van het gezin).
Links daarvan het woonhuis van Seidel, waar toen nog Willempjen Overman (1823-1915, in 1849 getrouwd met Casimir Frederik Seijdel, gemeente-ontvanger en koffiehuishouder) woonde.
Daarnaast de woning waar dr. Evert Ekker tot 1857 woonde. Later werd dit de pastorie der NH gemeente, nu is het een slijterij.
Naast de pastorie de woning van meester Van Westendorp (vader van Jacobus Diederikus van Westendorp, getrouwd met Riksina Maria Seidel).

Meer over de personen:

Riksina Maria Seidel (e.v. 1914 J. D. van Westendorp 1888-?) – 1894-?, dochter van Gerrit Willem dus oomzegster van CF Seidel op de foto
Willemtjen Overman (e.v. Casemir Frederik Seidel) – 1823-1915, moeder van de CF Seidel op de foto. Haar man Casemir Frederik was sinds 1849 de eerste uitbater van ‘Seidel’, maar daarvoor timmerman zoals zijn vader. Hun kinderen werden allemaal op het Kerkplein geboren, vermoedelijk dus in ‘Seidel’.
Casemir Frederik Seidel (1869-1944) is in 1900 getrouwd met Niesje Vis; was opzichter waterstaat, broer van Gerrit Willem de koffiehuishouder.
Niesje Vis - e.v. Casemir Frederik Seidel, 1868-1945, dochter van bakker Hendrik Vis op nummer 27, later bakkerij Post.
Anna Kuilart (d.v. Reinder Jan Kuilart en Elisabeth Johanna Seidel = dv EP Seidel), nicht van de CF Seidel op de foto, 1852-?
Klaziena Willemtjen Seidel (e.v. Dirk Johannes van Nanen) – geboren 1903, dochter van de CF Seidel op de foto
Gerrit (Alberts) Zwier (getrouwd 1903 met Henderika Maria Seidel 1863-1955, zus van de CF Seidel op de foto) 1862-?.

De schrijfwijze van de achternamen ondergaat door de tijd een aantal veranderingen. Seidel wordt ook wel als Seijdel geschreven (al in generatie 3 en 4), de tak die in Drenthe terecht komt heet vanaf 1831 Seijdell.

Veel van bovenstaande gegevens komen uit de zeer uitgebreide papieren nalatenschap van Hans Seidel uit Assen, die o.a. het boekje 'Met een dukaat en een dubbeltje' schreef. Jan Seijdell uit Steenwijk (nazaat van de eerste Everard Philip via een andere lijn) putte de foto's met bijschrift uit het archief van Hans.

www.henkvanheerde.nl/vollenhove