De naam Seidel is sinds 1749 verbonden aan Vollenhove. Toen solliciteerde
een Duitse muzikant bij de Dragonders, gelegerd op het Oldehuis, maar werd
uiteindelijk schout van Schokland. Zijn kleinzoon had ook die functie, maar werd
kastelein in het Raadhuis van Vollenhove. Tot 1948 deelde Restaurant Seidel het
gebouw met de gemeente. Vanaf de jaren 1960 is het geen Seidel meer die er de
scepter zwaait. De naam blijft echter, en is inmiddels in binnen- en buitenland
gerenommeerd.
Restaurant Seidel is gevestigd in het oude
raadhuis van Vollenhove.
De gemeenteraad besloot 10 augustus 1849 de betrekking van bode af te schaffen,
en de woning onder het stadhuis publiek te verhuren en op 29 december van dat
jaar werd een gedeelte van het stadhuis verhuurd aan C. F. Seidel.
Als herberg, later hotel, bleef het verhuurd aan dat geslacht van vader op zoon,
toen de schoonzoon, en nu een ander. De raad van de gemeente besloot op 17
februari 1947 de havezate Oldruitenborgh aan te kopen en te bestemmen tot
raadhuis. Het oude raadhuis werd al spoedig verlaten, in 1948 diende het tijdens
de verbouwing van de School met de Bijbel nog tijdelijk als lesruimte voor
enkele klassen. Begin 1951 werd het oude raadhuis geheel ingericht als hotel.
Die functie behield het tot begin jaren 1970, waarna het uitsluitend als
restaurant verder ging. De huidige eigenaren / uitbaters kenmerken het als
'eigenzinnig' en 'eigenwijs' in de geest van de eerste kastelein, Eberhard
Philip Seidel. Zie ook hun website, http://www.seidel.nl.
De uit Duitsland afkomstige Eberhard Philip Seidel was de eerste kastelein
uit het geslacht Seidel, hij werd in 1801 benoemd. Een benoeming tot kastelein
moet men in het licht van die tijd niet onderschatten! Seidel was toen al meer dan
tien jaren als schout van Schokland in functie.
De naam van deze jongeman was Eberhard Philip Seidel. In 1808, het jaar
waarin hij 80 jaar oud zou worden, schreef hij zijn autobiografie. De 119 keurig
geschreven en duidelijk leesbare bladzijden werden tot een boekje ingenaaid. Het
raakte in de vergetelheid. Alle feiten en wederwaardigheden waarnaar men tot aan
het voorjaar van 1963 zocht, stonden in dit boekje. De door Seidel genoemde
namen konden ten dele in archieven en musea, uit boeken en familiepapieren
worden achterhaald. Al dit tijdrovende werk werd door de heer Hans Seidel
verricht. In de Kamper almanak 1966-1967 verscheen zijn uitvoerig artikel: 'Met
een dukaat en een dubbeltje'. Eberhard Philip Seidel werd op 12 juli 1728 in het
Duitse Herborn geboren. Over de ligging van de stad schrijft hij: Herborn, een
stad gelegen in het vorstendom Nassau-Dillenburg, anderhalf uur van de
vorstelijke residentie Dillenburg gelegen.'Vermoedelijk stammen zijn voorouders
af van de Zwitserse vluchtelingen die met Wilhelm Tell naar Duitsland zijn
uitgeweken'.
Deze eerste Nederlandse Seidel was een veelzijdig begaafd mens van goede huize.
een levenskunstenaar niet een drang naar zelfstandigheid en moedig in het nemen
van initiatief. Het was vooral een man met een groot doorzettingsvermogen en een
ruime kijk op het leven; een geboren leider die openstond voor mensen uit alle
lagen van de samenleving. Eberhard Philip leerde in zijn geboorteplaats niet
alleen Duits en Latijn maar ook de beginselen van de architectuur en geometrie
en het schrijnersvak. Door zijn leergierige aard onderhield hij goede contacten
met de studenten van de academie van Herborn; een van deze studenten leerde hem
"het clavier trakteeren" . Aan deze academie was de Stads- en
Academiemusicus Fischer verbonden; met zijn gezin bewoonde hij vier kamers in
twee naast elkaar staande torentjes op het koor van de Grote Kerk in Herborn.
Van deze Fischer kreeg Seidel muzieklessen; later maakte hij zelfs deel uit van
het orkestje dat onder leiding van Fischer stond.
In 1747 werd door de Prins van Oranje en Nassau, Willem Carel Hendrik Friso, stadhouder der Nederlanden en vorst van Nassau, een rekwisitie uitgeschreven waarbij de dienstplichtigen van zijn Nassauer erflanden werden opgeroepen om tegen Lodewijk XV te strijden, die Staats-Vlaanderen had laten bezetten. De negentienjarige Eberhard Philip Seidel vond deze oproep onrechtvaardig; hij probeerde uit Herborn te vluchten: "maar helaas, de Poorten der stad waren gesloten!" Met de hulp van de musicus Hendrik Willem Haubach, die er tien jaren als trompetter in Franse dienst op had zitten en sedert circa 1746 tot 1748 als musicus aan het hof van de vorst van Solms verbonden was geweest. wist de jeugdige Seidel uit Herborn te ontsnappen. Tijdens het musiceren in het plaatselijke logement had Haubach, die voor zijn plezier in Herborn logeerde, met Seidel kennisgemaakt. Op voorspraak van Haubach werd Seidel musicus en lakei aan het hof van de vorst van Solms in Braunfels; hij speelde piano, cello en hobo.
Hoe kwam deze Eberhard Philip Seidel nu, na verloop van twee jaar, in
Vollenhove terecht? De aanleiding daarvan was een duel tussen twee hoboïsten
van het Garnizoensregiment Dragonders van generaal Slippenbach in Raamsdonk,
waaraan Haubach sedert 1748 als musicus verbonden was. In dit jaar werd de Vrede
van Aken gesloten, waarbij de Zuidelijke Nederlanden onder Oostenrijks bestuur
terugkeerden en de Staten in de ontmantelde barrièresteden weer garnizoenen
mochten leggen. Bij dit duel, dat in 1749 op de degen werd uitgevochten, kwam
een van de muzikanten om het leven; de andere ontvluchtte. Opeens waren er twee
vacatures hij het regiment Dragonders ontstaan, dat spoedig naar Vollenhove
verplaatst zou worden. Haubach schreef aan Seidel of hij ervoor voelde om naar
Nederland te komen om als hoboïst bij de Dragonders dienst te nemen; hij moest
zich daarvoor hij hem in Vollenhove melden. In deze tijd was liet voor
buitenlanders niet moeilijk om in Nederland carrière te maken: de Republiek,
later het Koninkrijk, gold als het beloofde land. Toch werd Seidel door dit
aanbod overvallen:
Na lang beraad besloot hij ontslag te nemen en vroeg een afscheidsbrief aan.
Alleen met zo'n afscheidsbrief, een soort paspoort in die dagen, kon Seidel
legitiem op reis gaan. Kostbare tijd verstreek doordat deze brief lang op zich
liet wachten: dit zou hem later opbreken. Door inschakeling van een van de
secretarissen van de vorst kreeg Seidel de begeerde brief eindelijk in handen.
Zij was echter ongeldig omdat het vorstelijke zegel en de handtekening van de
vorst of diens gemachtigde ontbraken. Door een list van Seidel kwam de brief
toch nog compleet, de consequenties daarvan waren echter dat Seidel zonder het
hem toekomende salaris moest vertrekken.
Te voet reisde Eberhard Philip Seidel over Dillenburg, de geboorteplaats van
Willem van Oranje en Prins Maurits, naar zijn familie in Herborn waar hij acht
dagen bleef. Het in 1255 door Graaf Hendrik den Rijke van Nassau gestichte slot
in Dillenburg zou in 1760 door de Fransen met de grond gelijk worden gemaakt.
Omstreeks 20 oktober 1749 vervolgde Seidel zijn reis naar Nassau-Siegen. In de
plaatselijke herberg maakte hij kennis met de bediende van een officier van het
Groningse garnizoen. Samen trokken zij verder langs de rechter Rijnoever naar
Keulen: vandaar ging de tocht over Emmerich en 's-Heerenberg naar Elten. Zij
maakten gebruik van vrachtkarren en postkoetsen (,, ter sluik: dat is zonder ons
bij den Postmeester te doen aantekenen."). Daarna trokken de reismakkers
verder over Zutphen en Deventer. In Zwolle namen zij afscheid van elkaar:
"Mijn Rijsgenoot ging over de Bergenbrug (Berkumerbrug) naar Groningen en
ik de stad Zwol door: al vragende naar de weg naar Vollenhove. Ik ging dus de
Camper Poort uit, Frankhuis voorbij en bij de Herberg de Riesebos links den Dijk
af en Mastenbroek door. Ongeveer aan het einde van Mastenbroek gekomen zijnde
zag ik ter regter hand een Plaats met een Tooren." Seidel meende dat het
Vollenhove was. maar het bleek Hasselt aan het Zwartewater te zijn. In de buurt
van Hasselt ronddolend ontmoette hij twee "perzonen" in een schuit die
hem meenamen naar Genemuiden, daar bracht hij de nacht door.
In het najaar van 1749 moet de deels onder water gelopen Mastenbroekerpolder er
troosteloos hebben uitgezien. Het enige wat Seidel hiervan in zijn autobiografie
vermeldt is dat de weg glibberig was, soms met water bedekt zodat hij "al
heen en wederom slobberde". De volgende morgen vertrok hij opnieuw met een
schuit ,,den Voorst voorbij" en werd 's middags aan de "Brug of
Stijger" van Vollenhove afgezet. Hij gaf de schipper een
"vooitje":
van zijn reisgeld had hij een dukaat en een dubbeltje overgehouden.
Op het ogenblik dat Seidel uit de Heilige Geeststeeg rechtsaf de Kerkstraat insloeg, stond zijn begunstiger Haubach op de stoep van zijn logement met de dochter van de Iogementhouder Van Bergen te praten. Zij maakte Haubach attent op de vreemdeling en vroeg hem "Wat is dit tog voor eene? zo met goed en degen beladen." Het logement van Van Bergen werd in Vollenhove "De Schoole" genoemd. Met het gezicht naar de Grote Kerk lag het aan de linkerzijde van de Kerkstraat, ongeveer vijfenzeventig meter van de Heilige Geeststeeg verwijderd. Het huis bestaat niet meer. Schuin aan de overkant was de opvallend geklede jongeman in gesprek met een voorbijganger. "Hij droeg 'Hooghdeutsche' kleeding, het port d'épé of degenkoppel, met den Degen er in, om de hals, op het schouder, en het veleiser, of rijszak, op den rug, en den stok in den hand." Hij stak de Kerkstraat over en stevende regelrecht op Haubach af. De hoboïst van het Garnizoensregiment Dragonders begroette Seidel en vroeg hem binnen te komen. Daar kreeg hij te horen dat er reeds een hoboïst benoemd was...
Ongeveer twee jaar nadat Eberhard Philip Seidel in Vollenhove neergestreken was, trouwde hij met een Vollenhoofs meisje. Toevallig was zij hetzelfde meisje dat met Haubach op de stoep van het logement stond toen Seidel voor het eerst de Kerkstraat in Vollenhove overstak. In zijn autobiografie schrijft hij over haar: "En ziet! zij was 't juist, welke ruim twee jaaren daarna mijn Egtgenootin wierd." Wonderlijk snel paste Eberhard Philip zich in Vollenhove aan. Om in zijn onderhoud te kunnen voorzien had hij aanvankelijk een betrekking aanvaard als bediende bij Arnout van Hoey, destijds majoor van het regiment Dragonders. Hij bekwaamde zich als schrijnwerker, een beroep dat destijds in aanzien stond, en gaf muzieklessen aan kinderen van aanzienlijke families hij wie hij in de smaak viel. Na verloop van tijd leidde dit tot zijn benoeming tot opzichter "van paal en dijkwerken van Ens". In deze tijd werd Schokland door de "Oude sloot" in twee delen gescheiden. Het noordelijke deel werd Emmeloord genoemd, het zuidelijke deel Ens. In l789 bracht Eberhard Philip Seidel het voormalige Zuiderzee-eiland in kaart, het is de oudst bekende afzonderlijke kaart van Schokland. Eens was het eiland, dat door landverlies steeds kleiner werd, met Urk en het legendarische Nagele een deel van een omvangrijk eiland dat zich tot voorbij het huidige Ketelhaven uitstrekte. Het moet in drie delen uiteengevallen zijn, waarbij Nagele op 't laatst door de opdringende zee verzwolgen werd.
In 1793 werd Seidel tot schout van Schokland bevorderd, hij bleef tevens opzichter van paal- en dijkwerken. Twee jaar daarna werd de Bataafse Republiek ingesteld. Tot 1810 heeft ons land nog een schijn van onafhankelijkheid gekend. Door ons traktaat van 25 juni 1803 werden wij echter geheel tot een wingewest verlaagd. Op 2 maart 1795 werd de "buitenlander" als schout van Schokland ontslagen; Seidel weigerde om zijn eed van trouw aan stadhouder Willem V te breken. Nadat de bijna zevenenzestigjarige schout eveneens geweigerd had om de protocollen en stukken over te dragen schreef hij een brief aan het provinciale bestuur waarin hij de nieuwe regering en de onhoudbare toestand op het eiland hekelde. Na ontvangst van de brief trokken de heren Sloet en De Vos van Steenwijk direct naar Schokland, waar niemand van het gemeentebestuur aanwezig bleek te zijn. Alle zojuist benoemde leden waren uit vissen gegaan en niemand kon vertellen wanneer zij zouden terugkeren. De municipaliteit werd daarop voor het gerecht ontboden maar op de vastgestelde datum kwam er niemand opdagen. "Zullende dezelve waarschijnlijk van hunne vischpartij nog niet weder zijn te huis gekomen" zo meldt het desbetreffende verslag. Op 12 augustus van dat jaar, na een onderbreking van ruim zes maanden, werd Seidel opnieuw tot schout aangesteld. Hij bleef nog negen jaar in deze functie.
Eberhard Philip Seidel was zijn geboorteland niet vergeten, de eerste reis
naar Herborn maakte hij op vijfenveertigjarige leeftijd. Sindsdien waren 33
werkzame jaren verstreken en zijn zoon was hem als waterstaatsambtenaar in
Schokland opgevolgd. Nu had hij ruimschoots de tijd om een tweede reis naar
Duitsland te maken. In augustus 1806 vertrok de achtenzeventigjarige Seidel: te
voet (!) trok hij via Arnhem, Duisburg, Dusseldorf en Mühlheim naar Duitz.
Vandaar reisde hij eerst per postwagen, later per sjees met een gehuurde
koetsier over Hachenberg naar het slot van de vorst van Braunfels, bij wie hij
zevenenvijftig jaar geleden als musicus en lakei had gediend.
Het bezoek van Seidel aan de beide prinsen was zo geanimeerd dat zij hem
verzochten om toch ook naar hun broer te reizen, die het buitenslot
Greiffenstein in het Ruinerwoud bewoonde. Na het afscheid in Braunfels stond er
voor het slot een vorstelijke koets klaar die met vier paarden bespannen was.
Met Seidels koetsier was afgerekend, hij was met de sjees weer vertrokken. Van
Edingen reed Seidel met een koets van het slot Greiffenstein naar Herborn.
Na zijn terugkeer in Vollenhove hadden zich allerlei veranderingen in ons land voltrokken. Voor Schokland was bepaald dat het eiland in zijn geheel hij de provincie Overijssel zou behoren. Vermoedelijk zal daarbij de gemeente Schokland ingesteld zijn. Eberhard Philip Seidel werd tot burgemeester van de nieuwe gemeente benoemd: tot 1811 zou hij dit ambt blijven uitoefenen. 's Zomers woonde hij nu als ambteloos burger op Schokland. In het voorjaar van 1813 kwam hij opnieuw op het eiland: waarschijnlijk was hij al ziek. Hij werd in het huis van zijn zoon Lucas verpleegd. Op 25 september 1814 overleed Eberhard Philip op Schokland: een deel van zijn leven had hij besteed aan het behoud van dit eiland, dat voor de scheepvaart op de Zuiderzee een belangrijke rol gespeeld heeft.
Het raadhuis heeft niet alleen tot residentie van het stadsbestuur gediend.
Sedert 1702 kwamen de gildemeesters en raden van het
St. Anthonie Gasthuis er
jaarlijks bijeen en sedert 1720 werden de vergaderingen en bijeenkomsten van de
schutterij in de grote kamer van het stadhuis gehouden. Later werd een
,,regtkamer" met nog een aparte kamer afgestaan, waar het ,,Comité van
Waakzaamheid" vergaderde. Het onderste deel van de toren, dat met het
raadhuis in verbinding stond, diende als gevangenhok. Het was er koud en
vochtig, het spaarzame licht kwam slechts door een getralied venster naar
binnen. In 1819 kreeg het Heemraadschap Vollenhove de beschikking over een kamer
in het raadhuis; de stukken werden er in een kist bewaard. Voorts werd aan de
kantonrechter het zogenaamde ,,zeekamertje" afgestaan. In dit kamertje
drinken nu de gasten van Seidel een aperitief voordat zij aan tafel gaan. De
kantonrechter verhuisde in 1839 naar een andere kamer met een aangrenzend
vertrekje; beide kamers werden voorheen door diverse colleges gebruikt, die het
nu met het zeekamertje moesten doen. In het begin van de 19de eeuw was het met
de financiën van Vollenhove treurig gesteld. De meeste steden van het
Zuiderzeegebied waren door een algehele achteruitgang in verval geraakt. Op 14
februari 1838 besloot de gemeenteraad van Vollenhove aan Gedeputeerde Staten
machtiging te vragen om het oude stadszilver, twee kostbare beelden en wat
ijzerwerk te mogen verkopen.
Doorgevoerde bezuinigingen leidden onder andere tot afschaffing van de
betrekking van stadsbode. Het betreffende raadsbesluit werd op 10 augustus 1849
genomen; de woonruimte op de begane grond van liet raadhuis kwam vrij. Casemir
Frederik Seidel, opzichter van waterstaat in Schokland en kleinzoon van Eberhard
Philip Seidel, huurde op 29 december 1849 een deel van het raadhuis.
In het begin van de twintigste eeuw zou Gerrit Willem Seidel zijn stempel drukken op
het gerenommeerde familiebedrijf. Tot elf jaar na zijn dood (in 1937) was de
bovenverdieping van het raadhuis als secretarie in gebruik. Door de linkerdeur
van de galerij bereikte men via een trap de secretarie en de kamer van de
burgemeester, die door een secretaris en een klerk werd bijgestaan. Het
schoonhouden van de burgemeesterskamer was toevertrouwd aan de dienstbode van de
familie Seidel.
Zoals in die dagen gebruikelijk was, werden de perkamenten oorkonden van
privilegiën enzovoort op de secretarie bewaard. Daardoor gingen niet alleen in
Vollenhove, maar ook elders in het land veel waardevolle stukken door vocht
verloren of werden door muizen opgevreten. In de loop der jaren werden dan ook
manden vol snippers perkament weggegooid. Kenmerkend voor deze tijd was
bovendien het feit dat tegen de buitenkant van de gelagkamer zomaar een
keukentje kon worden aangebouwd; bij de restauratie van het oude raadhuis in
1959 werd dit afgebroken.
Willem Seidel profiteerde van de sfeer in en om het raadhuis en kreeg bekendheid
in binnen- en buitenland. Van de meest markante plekjes in Vollenhove gaf hij
prentbriefkaarten uit; het accent legde hij daarbij op de fraaie gevel van het
gebouw waarin zijn bedrijf gevestigd was. Door de jaren heen genoten de Seidels
veel vertrouwen; zij zijn dan ook als brievengaarders en distributeurs van de
posterijen werkzaam geweest. Naast de zuilengalerij had Willem Seidel een
uithangbord laten aanbrengen met zijn naam en familiewapen erop; de grote
bovenzaal werd als feest- en schouwburgzaal in gebruik genomen.
De eerste hotelaccommodatie stelde niet veel voor, maar nadat in 1947 de
havezate Oldruitenborgh door de gemeente was aangekocht, met bestemming
toekomstig stadhuis, werd het voormalige raadhuis geheel als hotel ingericht. De
gasten die voor het eerst het gebouw binnentraden, vonden het merkwaardig om op
de benedenverdieping van zo'n prachtig oud raadhuis opeens in een gelagkamer te
belanden; men had er eerder een stijlvolle trouw- of vergaderzaal verwacht. Deze
gelagkamer was echter zo sfeervol ingericht dat elke bezoeker er zich direct
thuisvoelde; er waren veel antiquiteiten, waaronder twee fraaie scheepsmodellen.
Het duurde niet lang of in het nachtregister stonden bijna evenveel buitenlandse
als binnenlandse gasten ingeschreven.
Willem Seidel was een man met gezag; hij heeft in verschillende besturen en instellingen zitting gehad. In de periode van 1899 tot 1915 was hij gemeenteraadslid en vanaf de oprichting van de stoomtramwegmaatschappij Zwolle - Blokzijl (later een busdienst) tot aan zijn dood was hij commissaris van deze onderneming. Met het wel en wee van de Vollenhovense vissers voelde hij zich nauw betrokken. In het begin van deze eeuw heeft hij dan ook meegewerkt aan de vergroting van de in 1823 gegraven haven door de aanleg van de buitenhaven. Kort na het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog stagneerde de afzet van spiering naar het buitenland; er moesten dringend andere afzetgebieden gevonden worden. In overleg met anderen vond Seidel al spoedig een oplossing voor het gerezen probleem. Het gouden spierinkje dat hem daarvoor werd aangeboden, droeg hij trouw aan zijn horlogeketting.
In de tijd van Willem Seidel werd er elke zondagochtend na de kerkdienst ook
een borrel voor de vissers geschonken; zij mochten echter niet eerder dan om
twaalf uur naar binnen. De klompen bleven buiten staan, de petten werden
afgezet. Het luiden van de klokken maakte veel lawaai. ,,Het leek wel of de
klokken op de bovenverdieping van het hotel hingen," vertelt een dochter
van Gerrit Willem Seidel. In deze dagen werd de
kerk druk bezocht; over dit
kerkplein kwamen de vrouwen met mooi bedrukte kerkdoeken om de schouders en met
witte mutsen met linten op het hoofd naar de kerk. De mannen waren eenvoudig in
het zwart gekleed, een enkele Urker die de zondag in Vollenhove verwaaid lag,
viel op door zijn klederdracht.
De vissers wisten 's zondags niet hoe snel ze uit de kerk moesten komen. Ze
gingen dan vaak pandoeren bij Seidel. Er konden maar drie vissers meedoen, dus
er was haast geboden. De oude heer Seidel placht immers mee te doen, maar hij
moest winnen.
Door de week bleven de vissers meestal weg; slechts een enkele eenvoudige ,,Venose"
kwam dan bij Seidel een borrel drinken Het was tenslotte een zaak van standing
die voornamelijk notabelen, zakenlui en mensen die een dagje uit waren, tot haar
clienten rekende, op zondag echter zat iedereen er door elkaar. In het portaal
van de galerij stond meestal een notabele achter een zwart tafeltje; op het
tafeltje lag
de Steenwijker Courant. Voor iedereen die er belang in stelde, las hij enkele
advertenties voor of een kort artikel dat voor hem interessant was. Het gros van
de vissers maakte geen gebruik van de gelagkamer. Door de rechterdeur van de
zuilengalerij kwamen zij in het voorportaal van de slijterij, die boven de
wijnkelder lag. Allemaal hadden zij een flesje van een halve liter bij zich dat
voor zestien cent met jenever gevuld werd. Sommigen lieten het bij drie borrels,
weer anderen kwamen terug; soms wel drie keer om hun flesjes opnieuw te laten
vullen. Om half twee was de slijterij echter gesloten.
Seidel fungeerde overigens ook als plaats van bijeenkomst van een naaiclubje in
de eerste helft van de 20e eeuw.
Eén van de laatst levende ex-medewerkers vertelde van de feesten die in een bovenzaal gehouden werden. Het was bij deze feesten meestal niet eenvoudig om voldoende toezicht te houden; een enkele maal werd er wel eens wat ontvreemd. Zo kon eens een vrouwtje ongemerkt naar boven komen; zij had met het feest niets te maken. Onder haar rok droeg zij een boezelschort met grote zakken. Zij had dit waarschijnlijk afgekeken van zigeunervrouwen, die ruime rokken droegen en alles wat zij gestolen hadden in de opgerolde zakken verstopten. De wat hol staande rok trok de aandacht van Seidel. Op een onverwacht moment gaf hij er een rukje aan en hoorde wat glaswerk rinkelen. Uit de boezeljakken van de vrouw kwamen zesendertig jeneverglaasjes te voorschijn.
Gerrit Willem Seidel overleed in 1937. De achteruitgang van Vollenhove,
vooral na de afsluiting van de Zuiderzee, zal zijn levensavond overschaduwd
hebben. Reeds in 1928 had een aantal vissers hun schepen verlaten. De uittocht
naar de industrieën in Twente of naar instellingen als Rijkswaterstaat en
Nederlandse Spoorwegen was op gang gekomen.
In de jaren dertig werd bij Hotel Seidel een voortvarende jongeman als ober-kok
aangenomen; zijn naam was Barend Velsen. Hij was afkomstig van Steenwijk, waar
zijn ouders een zaak in galanterieën dreven. Het bleek een goed zakenman te
zijn. Bovendien een opgeruimde, vlotte baas, die met iedereen goed overweg kon.
Meer en meer werd Barend Velsen bij de leiding van het hotel betrokken. Het
contact met de familie Seidel werd verstevigd doordat Velsen trouwde met Seidels
dochter Catharina Frederika, die na een mislukt huwelijk weer op het ouderlijk
nest was neergestreken.
In de jaren 1960 werd het hotel / restaurant gedreven door de familie Hein. De
heer Hein
had aan de overkant van het Kerkplein ook een antiekzaak.
In de jaren 1970 werd Seidel verkocht aan de familie Van Meer, die ook
uitbaters waren van het restaurant in het Kasteel Coevorden. Dochter Marlice
trouwde met De Bresser en zwaait samen met zoon Pieter Jan momenteel de scepter.
Seidel heeft een gastenboek met gerenommeerde namen. Sedert oudsher placht de
koninklijke familie in de persoon van koningin Juliana, die vaak een bezoek
bracht aan De Oldenhof, maar ook anderen bij bezoeken aan de scheepswerf van
Huisman, even neer te strijken bij Seidel.
Op 24 april 1979 wordt door Koningin Juliana en de president van Bangladesh na
een bezoek aan het Waterloopkundig Laboratorium bij de Voorst een kort
lunchbezoek gebracht. Dat het déjeuner zeer geslaagd mag worden genoemd moge
blijken uit de brief, die de chef der directie kabinet en protocol het
restaurant doet toekomen.