Georg
(zijn Duitse naam wordt in vele stukken weergegeven als Joris, Jörg, Jurgen, Jorriaan,
Jurriaan, of Jurjen)
Schenck werd in 1480 geboren in Bamberg, Duitsland. Zijn familie is afkomstig van het
landgoed Tautenburg, een kasteel dat bovenop een rots was gelegen. Het was een
baronie, en was gelegen bij Jena in Saksen.
Als verste voorouders in rechte lijn worden kort na het jaar 1000 de heren van
Vargula genoemd, die een burcht hadden bij het huidige dorp Grosz Vargula. Het
was een grote eer voor een adellijke familie benoemd te worden in het ambt van
schenker, in het duits Mundschenck of kortweg Schenck. In 1178 blijkt Rudolf 1
van Vargula de Schenck te zijn van de toenmalige landgraaf. Omstreeks 1400 was
de tak Schenck von Vargula uitgestorven. Zijtakken van deze familie hadden
intussen de erfelijke titel van Schenck naar elders mogen meedragen. Een van die
zijtakken had omstreeks 1230 het kasteel Tautenburg ten noordoosten van Jena
verworven en dat betekende dat zij zich voortaan Schenck von Tautenburg noemde.
Bij deze en andere families is de titel Schenck al lang tot een eretitel
geworden, waar de familie van Georg nog aan toe mag voegen dat ze Freiherr von
Tautenburg zijn. Georg had als titel baron van Tautenburg, Toutenburg,
Tautenborch of hoe men het ook wil schrijven. Ik houd verder de schrijfwijze
Toutenburg aan.
Vader van Georg was Wilhelm Schenck de Oude, vrijheer van Tautenburgh
(1456-1520) en
Windisch
en Eschenbach, zijn moeder Kunigonde van Tettauw. Grootvader Ludwig
Schenck had na een erfeniskwestie, waarbij het slot aan zijn neus voorbijging,
de Tautenburg moeten verlaten. Vermoedelijk verwierf Wilhelm een functie of ambt
in Bamberg, want in die stad is onze Georg Schenck von Tautenburg geboren. Hij
was een van de drie zonen uit het huwelijk van Wilhelm en Kunigunde, die
bovendien ook nog drie dochters hadden. Het is opmerkelijk, dat deze drie zonen
alle drie een rol gespeeld hebben in onze vaderlandse geschiedenis, al was de
rol van de ene groter dan van de ander. Vermoedelijk kwamen zij vanuit
Zuid-Duitsland naar onze streken door toedoen van Georg.
Georg Schenck heeft zijn vorming samen met andere jongens van adellijke afkomst
ontvangen aan het hof van Frederik, de keurvorst van de Opper-Pfalz in Beieren.
Het is nog niet duidelijk wanneer er een verbinding kwam met de markgraven van
Baden.
Georg Schenck hoorde bij het gevolg van
Frederik IV van Baden, toenmalige bisschop
van Utrecht bij diens inwijding op 13 mei 1496 als opvolger van David van
Bourgondië. Dat was een kleurrijk evenement waarbij o.a. de aartsbisschop van
Trier (oom), de markgraaf Christoffel van Baden (broer) en ook Jan van Nassau, de
grootvader van
Willem van Oranje, en vele andere edelen en ridders aanwezig waren met een
gevolg van 700 ruiters.
Frederik van Baden benoemde Georg Schenck in 1502 tot Schout van Vollenhove en
kastelein der Heerlijkheid Kuinre, het kasteel dat de bisschop in 1407 had
gekocht. Als borg traden op Geert Mulert, rentmeester van Salland, Barthold van
der Eeze, en Hendrik en Herman Hagen.
Georg Schenck is voor de eerste keer getrouwd met Jonkvrouw Anna de Vos van
Steenwijk in of voor 1496.
Anna de Vos kreeg als erfenis van haar vader Coenraad, die zonder zonen stierf in 1481, grote
stukken grond in Overijssel, waaronder het huis Batinge, die dus naar Georg Schenck gingen. Hij verscheen
voor het eerst als riddermatige op de Overijsselse landdagen van de Ridderschap
in 1504.
Uit erkentelijkheid voor zijn verdiensten als drost jegens de stad Vollenhove
kreeg Georg in 1511 van het stadsbestuur een perceel land ten zuiden van de
stadsgracht buiten de Bentpoort. Het was tot dan het oefenterrein van de
schutterij: de doelen.
In 1503 werd in Wijk bij Duurstede zoon Frederik (1503-1580) geboren, vermoedelijk genoemd naar Georgs
beschermheer Frederik, de bisschop. Zij kregen later nog een zoon, Lodewijk
(1505-1526), en
een dochter,
Maria (1510-1552).
Na de dood van bisschop Frederik van Baden in 1517 trad Georg Schenck af als drost en ging voor Karel V,
sinds 1515 keizer, strijden tegen diens opponent Karel van
Gelre.
Keizer Karel V benoemde hem in maart 1521 tot stadhouder van Friesland als opvolger van de zwakke Oostenrijker graaf Willem van Roggendorf.
Georg
Schenck bouwde in Vollenhove een kasteel, omdat hij zich blijvend in de streek
wilde vestigen hoewel hij in de tijd als schout of drost ook op het
bisschoppelijk kasteel Oldehuis mocht wonen. Kasteel
Toutenburg, genoemd naar
het landgoed van zijn voorouders, bouwde hij vanaf 1524 tot 1531. Het slot werd
gebouwd op een stuk gekregen en gekochte grond, op dat van de boerderij van
Johan Redinx en bij of tussen lappen grond van de nonnen van Clarenbergh aan de
zuidkant van Vollenhove (buiten de stadsgracht).
Voor keizer Karel V, in de Nederlanden vertegenwoordigd door Margaretha, de landvoogdes, streed hij vooral tegen Gelre, om te beginnen in Friesland. Het lukte hem de Geldersen onder Christoffel, graaf van Meurs, terug te dringen. Ook de Friese vrijheidsstrijder Jancko Douwma kwam met hem in conflict, maar verloor. Schenck veroverde Dokkum, en tenslotte Sloten en Lemmer. Voor de inrichting van het bestuur heeft Friesland veel aan hem te danken. Zijn grote verdienste voor de Friese waterschappen blijkt uit het groot-arbitrament of arbitrament van Schenck. Onder zijn bestuur won de hervorming aan kracht; dit ondanks de strenge plakkaten.
In 1522 verloor hij de slag om Genemuiden van de Gelderse Casper van Merwick,
en daarmee ook Coevorden en Diepenheim. Hij raakte er door een schot met een
musket zodanig gewond, dat hij er in 1540 alsnog aan zou overlijden (toen
omschreven als een 'fistele an sijn been').
Workum werd veroverd in 1523, waarbij het kasteel Dwang-van-Workum (later
Inthiemahuis) werd afgebrand.
Er bestaat een fragment van een kroniek uit 1525 over de vlucht van de nonnen van het nonnenconvent van Germania naar Utrecht tijdens de gewelddadigheden. Dit nonnenconvent lag bij Thesinge (Groningen) en is omstreeks het begin van de tachtigjarige oorlog verwoest en verlaten.
In 1525 liet Schenck, om dichterbij zijn werk als stadhouder van Friesland te
kunnen wonen, ook een slot bouwen in Zwartewegsend bij Tietjerk, ca. 8 km ten
oosten van Leeuwarden. Dit slot, ook Toutenburg genoemd, werd gesloopt in 1856.
De naam wordt nog steeds gebruikt voor de plaats waar sinds jaar en dag woningen
voor bejaarden staan bij de wegkruising tussen Tietjerk en Rijperkerk.
Kennelijk voelde hij zich wel thuis in Friesland, want er werd daar tenminste
één buitenechtelijke dochter geboren: Anna. Ook
wordt een Magdalena
(1495-1535) aan hem toegeschreven, maar gezien haar geboortejaar 1495 is dat
onmogelijk omdat hij pas in mei 1496 naar de Nederlanden kwam.
Al tijdens de bouw van de Toutenburg in Vollenhove ging Schenck er wonen. In 1526
overleed er zijn vrouw Anna, en hij hertrouwde direct daarna - op 17 november
1526 - met Johanna, dochter van
Johan, graaf van Egmond. Vermeldenswaard is dat haar zuster Walburga
(overleden in 1529) in 1506 was getrouwd met graaf Wilhelm 1 van Nassau, de
vader van Willem van Oranje via zijn tweede vrouw Juliana van Stolberg. Georg en Johanna kregen drie zonen: Carel
(1527-1571), Jurriaan / Georg (1529-?) en Johan (1531-?).
In datzelfde jaar 1526 stierf in het verre Spanje Ludwig/Lodewijk, de tweede
zoon
uit zijn eerste huwelijk. Groeide hij op aan het hof van Philips II, de zoon van
zijn heer Karel V, zoals Georg was opgegroeid aan het hof in Beieren?
Intussen waren zijn broers Ernst (1488-1527) en Willem (1491-1531) ook naar de Nederlanden gekomen,
beiden als militair. In juni 1527 sneuvelde zijn broer Ernst, waarmee hij samen
Hattem probeerde te veroveren. Hij werd begraven in de Sint Michaëlskerk te
Zwolle. Bij de bestorming van Hattem was ook hun broer Wilhelm of Willem, die enige
tijd commandant van Steenwijk was. Deze was getrouwd met de Duitse Margrethe,
gravin van Ebersreuth en
vertrok weer naar het oude vaderland, waar hij in 1531 stierf. Zijn kinderen
(vooral dochter Anna) kregen later weer met de Nederlanden te maken wegens de nalatenschap van hun oom
Georg.
De stadhouder had in de eerste plaats een militaire functie. Schenck heroverde bijvoorbeeld Diepenheim dat als uitvalsbasis door de Geldersen werd gebruikt en hield, tot Gelre bij de Nederlanden kwam, de veldheer Maarten van Rossum in de gaten. Hij versloeg de wederdopers bij Bloemkamp, en veroverde ook Groningen (1536), waar hij eveneens stadhouder werd.
Georg Schenck kreeg nu al gauw meer titels van de keizer Karel V na de overdracht van de wereldlijke heerschappij over Overijssel en Drenthe door de bisschop van Utrecht, Philips van Bourgondië, aan de keizer in 1528. Georg Schenck werd in 1528 stadhouder van Overijssel en Groningen. Op 21 maart 1528 werd hij in Kampen gehuldigd.
Het slot Toutenburg was in 1531 uiteindelijk pas echt klaar. Het was een slot geworden dat zijn weerga in de noordelijke Nederlanden ternauwernood kende.
In 1531 werd Georg Schenck in Tournai ridder in de orde van het Gulden Vlies (het 20e hoofdstuk in het huis Habsburg), temidden van een illuster gezelschap hoge heren:
Jean III, roi de Portugal (1502-1557).
Jacques V, roi d'Ecosse (1512-1542).
Ferdinando d'Aragon, duc de Calabre (d. 1551).
Inigo Fernandez de Velasco, 3me duc de Frias (d. 1554-59 ?).
Philippe, duc de Bavière (1503-1548).
Georges, duc de Saxe (1471-1539).
Beltran II de la Cueva y Toledo, 3me duc d'Albuquerque (vers 1477-1560).
André Doria, 1er prince de Melfi (1466-1560).
Philippe d'Autriche, depuis Philippe II (1527-1598).
Renaud III, seigneur de Brederode (1492-1556).
Ferrante Gonzaga, duc d'Ariano (1507-1557).
Nicolas, comte de Salm (1503-1550).
Claude de la Baume, sgr. de Mont-Saint-Sorlin (d. vers 1541).
Antoine, marquis de Berghes, comte de Walhain (1503-1567).
Jean de Hennin, 1er comte de Boussu (1480-1562).
Charles, 2me comte de Lalaing (1506-1558).
Louis de Flandres, sgr. de Praet (d. 1555).
Georges Schenck, sgr. de Tautenburg (d. 1540).
Philippe de Lannoy, vicomte de Sebourg (1460-1535).
Philippe de Lannoy, sgr. de Molembaix (1487-1543).
Alfonso d'Avalos d'Aquino, marquis del Vasto (1502-1546).
Francisco de Zuniga, 3me comte de Miranda (d. 1536).
Maximilien d'Egmont, comt de Bueren (1509-1548).
René de Châlons, prince d'Orange (1518-1544).
(bron: http://www.antiquesatoz.com/sgfleece/knights2.htm)
De orde werd in 1430 opgericht door Filips de Goede, hertog van Bourgondië en heerser over de meeste Belgische gewesten. De orde van het Gulden Vlies was een soort van tegenhanger van de Engelse orde van de Kousenband. Zij moest de gelijkwaardigheid van Filips met de andere Europese vorsten beklemtonen. Zij bestond uit 30 ridders (50 vanaf 1516) en 4 officieren: een schatbewaarder, een wapenmeester, een kanselier en een griffier. De orde was dus een selecte club om de beste medewerkers en buitenlandse bondgenoten van de hertog te eren. Het ereteken van de orde was een ram. Het dier verwees naar de Griekse legende van de Argonauten en het moest suggereren, dat de Bourgondische dynastie afstamde van de Trojanen.
Met het sieraad van de orde is hij in het jaar van zijn overlijden (1540) afgebeeld op een schilderij, toegeschreven aan de Kamper schilder Ernst Maeler. Schenck schreef op 21 januari 1540 nog een aanbevelingsbrief voor hem aan het stadsbestuur van Kampen, toen Maeler daar tolbeambte wilde worden. Het was overigens niet zijn enige portret: ergens na 1531 is er ook een geschilderd door Jan Vermeyen. Onbekend is waar dit portret nu is. Voor het laatst werd er over geschreven bij een tentoonstelling over het Gulden Vlies in Brugge, 1962.
Georg
Schenck was van grote economische betekenis voor het noorden, o.a. door het
aanleggen van de Zwarteweg van Leeuwarden naar Tietjerksteradeel, dwars door
moerassig gebied.
Hij was het die na de jarenlange oorlog tegen Karel van Gelre de gewesten
Friesland, Groningen, Drenthe en Overijssel wist in te lijven in het
Bourgondische Rijk.
Keizer Karel V had oog voor de noden van de armsten onder zijn onderdanen, die
juist tijdens zijn bewind de gevolgen van door rampen en oorlog veroorzaakte
hongersnoden bijna om de tien jaar ondervonden. Er kwam een regeling om de
prijzen van levensmiddelen te beheersen, regels om bedelarij en landloperij aan
banden te leggen en om minderjarigen te beschermen. Zelfs werden er richtlijnen
uitgevaardigd voor weeshuizen en voor het afwikkelen van faillissementen. Veel
stadsbesturen zagen deze maatregelen als een aantasting van hun vrijheden en een
bedreiging van hun schatkist. Elke stad of streek zorgde immers voor zichzelf.
Karel V stelde in al zijn gewesten dezelfde bestuursvorm in; een bestuur onder
een stadhouder met hof en rekenkamer.
In maart 1535 nam een groep van circa 300 doopsgezinden de Cisterciënzer abdij van Oldeclooster bij Bolsward in en richt versterkingen op. Zij vernielen de altaren en beelden en stichten er hun Nieuw Jeruzalem. Georg Schenck neemt de abdij in. De overlevenden worden gehangen, onthoofd of indien vrouwelijk, verdronken.
Delfzijl werd door Schenck veroverd in september 1536, waarbij de plaatselijke versterking, het blokhuis, wordt gesloopt. Verder veroverde hij Appingedam voor de keizer. In datzelfde jaar verslaat hij, vanaf de heuvel van het klooster bij Heiligerlee, de invallende troepen van Christiaan van Denemarken.
Door herovering van het kasteel Coevorden op de
Gelderse hopman Selbach op 10-11-1536 werd hij drost en opperrechter van
Drenthe, en stadhouder van Groningen. Verder hij kreeg het Heerlijkheid Wedde en
Westwoldingerland als leen. Het Huis te Wedde, ook wel De Burcht genoemd, was
een eeuwenoude versterkte plaats. Na de verovering in 1530 door de troepen van
de Hertog van Gelre werd deze versterkt, blijkbaar zonder succes. Na 1536 werd
de verbouwing doorgezet door Georg Schenck, die zijn wapen in de muur van de
toren liet inmetselen. Ook nu nog prijkt
zijn
blazoen op een gebeeldhouwde steen boven de ingangspoort van het slot.
Tot op de dag van vandaag leeft Schenck als eerste Heer van Wedde voort in het wapen van de gemeente Bellingwolde. In het nieuwe gemeentewapen vond het blazoen zijn plaats in het hartschild. Het wapen is vastgesteld bij Koninklijk Besluit van 22 april 1969, no. 9. De officiële beschrijving luidt als volgt: "Gegeerd van azuur en goud, de geren van azuur beladen met een lelie van goud, gericht vanuit het midden van het schild; een hartschild, geschuinbalkt van azuur en zilver van tien stukken. Het schild gedekt met een gouden kroon van drie bladeren en twee paarlen".
De titels van Georg Schenck waren toen hij op 2 februari 1540 overleed aan de
eerder genoemde schotwond, opgelopen in het beleg van Genemuiden: Stadhouder van
Friesland, Groningen, Drenthe en Overijssel, Ridder van het Guldenvlies,
Rijkskamerling, Schout en Drost van Vollenhove en Coevorden, Kastelein der
Heerlijkheid Kuinre, Opperbevelhebber van Genemuiden en Heer van Wedde,
Westwoldingerland en Bellingwolde.
Hij kreeg al deze titels door zijn moed en zijn daden, zoals het veroveren van
vele steden voor de Keizer.
Hij werd op 17 maart 1540 bijgezet naast zijn eerste vrouw in de grafkelder van Toutenburg midden onder het hoge koor van de Grote Kerk van Vollenhove, in het bijzijn van veel edelen uit Overijssel en afgevaardigden van de drie steden.
Als stadhouder van Overijssel, Drenthe, Groningen en Friesland werd hij opgevolgd door Maximiliaan van Egmond, graaf van Buren die het ambt slechts 8 jaar bekleedde. Vervolgens werd Jean de Ligne, graaf van Aremberg de stadhouder.
Uit zijn eerste huwelijk waren nog twee kinderen in leven: Maria, abdisse van
Rijnsburg, en Frederik, proost te Oldenzaal. Zijn weduwe Johanna bleef achter met
de dertienjarige zoon Carel. Johan, amper 9, was inmiddels opgenomen aan het hof in
Brussel (zoals ook Willem van Oranje) of een andere adellijke familie uit de
hofkringen om een opvoeding te ontvangen zoals ook
zijn vader die aan het hof in Baden had gekregen. Het is onduidelijk wat er met
de andere zoon Jurriaan (Georg of Jörg in het Duits) is gebeurd - 11 jaar oud - , mogelijk was hij al
naar familie in Duitsland gestuurd voor een opleiding.
De weduwe kreeg blijken van medeleven van de keizer zelf (op 13-2-1540) en van
landvoogdes
Maria van
Hongarije (op 14-2-1540). Johanna zelf stierf kort daarna, in augustus
1541 werd ze begraven.
Georg Schenck had al in 1527 zijn oudste zoon Frederik afgekocht. Frederik had
in 1527 in verband met zijn voornemen in de geestelijke stand te treden al zijn
rechten op de nalatenschap van zijn moeder Anna de Vos van Steenwijk aan zijn
vader overgedaan. Georg had bij testament vier voogden voor Carel aangewezen. Zoon Johan
werd kennelijk opgevoed in adellijke kringen in de zuidelijke Nederlanden, onder
'Spaanse' invloed. De kinderen uit diens tweede huwelijk zullen later aanspraken
doen gelden op de Toutenburg. Van zoon Jurriaan / Georg wordt niets meer
vernomen, ook niet na het overlijden van zijn broer Carel in 1571. Het zou deze
Georg kunnen zijn, die in 1583 als pastor Georg Taute te Königsee voorkomt in
de archieven van de Lutherse kerk na zijn opleiding, gestart in 1555. Diens
kleinzoon Simon claimt dat namelijk later.
Nadat Georg overleed ging het kasteel Toutenburg dus naar zijn zoon Carel
Schenck, maar zijn gierige halfbroer Frederik Schenck nam daar geen genoegen
mee en probeerde alsnog aan de bezittingen te komen door de voogdij over Carel
op te eisen. Een eerste poging daartoe mislukte in augustus 1541, maar later
probeerde hij met familielid bisschop Georgius van Egmond een viertal personen
voor te stellen waarvan dan de keizer er één als voogd zou moeten aanwijzen.
Naast de Toutenburg en andere nieuwe bezittingen in de Nederlanden had Schenck
nog zijn eigen bezittingen in de Duitse landen, zoals de heerlijkheid Windisch
Eschenbach in de Oberpfalz.
Het kasteel werd beheerd door ene Jan van Hensburgh. Toen op zekere dag Frederik
met een groot gevolg voor de poort verscheen sloot Jan gewoon de poort van de
Toutenburg en droop de halfbroer Frederik af. De Toutenburg was dus gered,
maar de beide heren konden wel de overige goederen plunderen, zo bleek uit een
klacht van Bartholomeus Twenbergen, ex-secretaris van Georg Schenck en later
griffier van de staten van Overijssel, aan de keizer. Resultaat was dat hij als
voogd werd benoemd.
Halfbroer Frederik en halfzuster
Maria lieten het er echter niet bij zitten, en
maakten het de voogd erg moeilijk tot in 1545 een schikking werd bereikt via
bemiddeling van bisschop Georgius. Zij kregen een lijfrente. Carel behield de
onroerende goederen zoals Toutenburg en het kasteel te Wedde, zoals bleek uit de
verklaring van de keizer opgemaakt te Deventer op 13-6-1548 door Johan van
Ittersum, drost van IJsselmuiden.
Carel Schenck leefde een eenzaam, teruggetrokken leven, in tegenstelling tot de
meeste adellijke jongeren van zijn tijd. Hij ontving niemand, en werd somber en
depressief. Op zeker moment ging het gerucht dat hij zijn eigen knecht Wijnand
Grietensz met een degen had vermoord. Hij kreeg gratie van de gouvernante. Hij
was zelf niet eens in staat zijn bezittingen te beheren: dat bleef in handen van
eerdergenoemde B.C. van Twenbergen.
Hij stierf in 1571 zonder wettige kinderen, hij had alleen een bastaardzoon die als
jonker Lodewijk bekend stond. Deze Lodewijk Schenk overleed in 1637.
Ondertussen was halfbroer Frederik op 13-11-1561 aartsbisschop van Utrecht
geworden. Hij droeg aan pastoor Vuyst te Vollenhove op om zijn broer zonder
pracht en praal te begraven in het graf van hun vader, in de Grote Kerk. Tevens
moest pastoor Johan Vuyst het kasteel en de inboedel voor hem veilig stellen.
Op 1573 werd hij door de adel op de Overijsselse landdag officieel met de
Overijsselse goederen waaronder de Toutenburg beleend. Vanaf toen gebruikte hij
het kasteel zo nu en dan. Hij verzamelde door de tijd heen zoveel geld, dat de
staten van Utrecht - die wel wat konden gebruiken - een greep in zijn kas deden,
er 40.000 gulden voor eigen gebruik uithaalden. Hij was gierig, maar toch ook
wel geleerd, en ook hypocriet. Zo schreef hij allerlei maatregelen voor op het
gebied van kuisheid, maar hield er zelf wel twee minaressen op na: Ida Claessen
en Anna Jansen, zoals bleek in 1583 uit een tractement. Hij overleed op
25-8-1580 in Wijk bij Duurstede, 67 jaar oud. Hij werd begraven temidden van het
tumult van de reformatie, die ook de Dom van Utrecht niet onberoerd liet.
Bisschop Frederik Schenck was zonder testament overleden, dus beschouwden de
kerkelijke autoriteiten in Utrecht zich als erfgenaam en eisten de huur op van
de beheerder, Jan van Wilp. Deze stelde dat de bisschop had verklaard de
wereldlijke goederen na te laten aan de kinderen van Willem,
broer van George Schenck, te weten Christoffel Schenck en de zonen van Willems
dochter Anna, Joachim en Steven van
den Boetselaer. Dit werd bevestigd door het gerechtshof van Utrecht op
27-6-1581.
Willem Schenck de jongere was vrijheer van Tautenburgh, heer te Korteplan,
overste commandant van Steenwijk in dienst van de Bourgondische regering. Zijn
dochter Anna Schenck kreeg met haar man Rutger van den Boetselaer, een rechter,
drie zonen: Joachim, Steven en Oswald.
De Utrechtse geestelijken hadden zich weinig van het gerechtelijke vonnis
aangetrokken. Verder bleken ook twee onwettige kinderen zich een deel van de
nalatenschap hadden toegeëigend: Frederik Schenck en zijn zuster (getrouwd met
Jacob Tymanszoon). Op 31-7-1585 werd een ieder gelast te ontruimen en over te
drage wat niet van hen was.
Ook anderen lieten zich niet snel wegjagen, zoals allerlei pachters in
Friesland, Drenthe en Overijssel, waaronder Johan van den Clooster die het huis
Batingen van 1580 tot 1601 in beslag hield tot het werd ontruimd door het leger
van Graaf Willem Lodewijk.
Christoffel Schenck werd pandheer op Schuilenburgh, en trof een schikking met de
drie broers Joachim, Steven en Oswald van den Boetselaer.
In 1615, tijdens het Twaalfjarig Bestand in de Tachtigjarige Oorlog dook vanuit
de (vijandelijke) Zuidelijke Nederlanden een kleinzoon van Georg op: Joost
Schenck, zoon van Georgs jongste zoon Johan en diens tweede vrouw Pasquina
Dekens van Gent.
Hij reisde naar Overijssel voor een schikking met de toenmalige officiële
eigenaren / beheerders, de drie broers Van den Boetselaer, mede namens zijn
zusters Francina en Levina. De ochtend na zijn vertrek vanaf de Toutenburg vond
men hem vermoord, niet ver van het kasteel, en de papieren van de overeenkomst
verscheurd.
Zijn zuster Levina de Mangelaere-Schenck toog vervolgens in 1630 naar
Vollenhove, en procedeerde tegen de Boetselaers uit naam van haar kinderen
Adriaen, Johan en Jurriaan, en haar zuster Van Acke-Schenck. Het proces sudderde
voort tot 1669, toen het fulmineerde in modder gooien naar elkaar, en de
Mangelaers aan het kortste eind begonnen te trekken omdat eenvoudigweg hun geld
om te procederen op was.