De in Bentheim geboren Lemker was afkomstig uit een familie van bestuurders en trok, na een juridische opleiding, naar de Republiek waar de carričremogelijkheden beter waren. Hij vestigde zich in Vollenhove, waar hij in dienst trad van de drost. In 1624 werd hij er stadssecretaris. Nog zes generaties lang waren de Lemkers bestuurlijk actief in Overijssel.
Joannes Lemker werd in november 1589 geboren in Bentheim (West-Duitsland),
als zoon van Arend Lemker en Gese. Joannes huwde aldaar op 23 juli 1617 met
Adelheit Crouse. Na haar overlijden hertrouwde hij in 1650 te Vollenhove met
Johanna du Sains (overleden in 1683). Zij was de weduwe van ds. Wilhelmus
Lubbertus Sylvanus en afkomstig uit Vlaanderen. Uit het eerste huwelijk werden
ten minste zeven kinderen geboren. Drie daarvan bereikten de volwassen leeftijd.
Het tweede huwelijk bleef kinderloos. Joannes stierf in het voorjaar van 1657.
Joannes was afkomstig uit een familie van bestuurders. Zijn voorouders hadden
het vice-kanselierschap in het graafschap Bentheim bekleed. Met het oog op een
toekomstige bestuurlijke loopbaan ging hij rechten studeren aan de universiteit
van Orléans maar hij maakte zijn studie elders af. Hij verbleef waarschijnlijk
reeds in het buitenland toen Bentheim in 1607 werd getroffen door een
verschrikkelijke pestepidemie, die aan honderden mensen het leven kostte. De
pest maakte ook binnen de familie Lemker veel slachtoffers. Het weerzien bij
zijn terugkeer, nadat Joannes zijn studie voltooid had, zal dan ook bijzonder
trieste gebeurtenis zijn geweest. Veel van de mensen die hij destijds had
achtergelaten, waren gestorven. Joannes vestigde zich in Bentheim als advocaat.
Enige jaren later vertrok hij met zijn gezin naar de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden, waar de carričremogelijkheden beduidend groter waren dan in Bentheim. Het gezin vestigde zich in Vollenhove, het bestuurscentrum van het gelijknamige kwartier. Joannes trad daar in dienst van de drost Johan van Raesfelt als advocaat-fiscaal. In die hoedanigheid trad hij namens de drost op als openbaar aanklager in rechtzaken. Deze functie werd doorgaans gecombineerd met het land- of drostenschrijversambt (secretariaat van de drost).
Waarom Joannes met zijn gezin juist in Vollenhove neerstreek, is niet duidelijk. Mogelijk had het te maken met hun band met de familie Van Westerholt, waarvan leden het drostambt van Bentheim en Vollenhove hadden vervuld. Joannes trad herhaaldelijk op als gevolmachtigde van de Van Westerholts. Het is eveneens niet uitgesloten dat Johan van Raesfelt met de Lemkers bekend was door zijn goederenbezit in het Bentheimse en hen, na zijn benoeming tot drost van Vollenhove, in 1619 de hint gegeven heeft naar Vollenhove te komen. In 1634 was Joannes als volmacht betrokken bij de overdracht van goederen behorende tot de heerlijkheid Lage in Bentheim aan Johan van Raesfelt. Opmerkelijk is overigens dat het landschrijversambt lange tijd overwegend werd vervuld door Bentheimse families.
Op
21 februari 1624, Petri-avond, verkreeg Joannes het burgerschap van de stad
Vollenhove en een paar dagen later werd hij benoemd tot stadssecretaris als
opvolger van Egbert
Rentinck. Het secretariaat van Vollenhove stond in aanzien. Het was met dat
van de steden Deventer, Kampen, Zwolle, Hasselt en Steenwijk het enige waarvoor
officiegeld betaald moest worden. Als stadssecretaris was Joannes nauw betrokken
bij de stadsregering. Gedurende enkele jaren (1635-1638) was hij zelfs tevens
burgemeester. Uit hoofde van die laatste functie bekleedde hij onder andere de
commissiën van thesaurier (1635), heemraad (1637) en weesmeester (1637- 1639).
De stadssecretaris genoot een vast tractement van veertig goudgulden, exclusief
een onkostenvergoeding van drie gulden voor papier. Dit salaris werd aangevuld
met de 'leges' die aan hem moesten worden betaald voor het laten opmaken van een
akte. Het burgemeesterschap leverde nauwelijks financieel gewin op; dit was veel
meer een ereambt waaraan prestige ontleend kon worden. Op St. Antoniusdag (17
januari) 1626 werd Lemker opgenomen in de exclusieve
St.
Antoniusbroederschap die het proveniershuis ter stede bestierde, maar
bovenal een ontmoetingsplaats was van patricische en adellijke Overijsselse
families. In 1630 legde hij aan de Staten van Overijssel de eed op de advocatuur
af.
Opgenomen in het stedelijke patriciaat keek de familie uit naar een passende
woonlocatie. Daarbij viel in 1626 het oog op het huis van de familie
Bannier aan de Kerkplaats. Dit huis, gelegen tussen
het huis van wijlen collega
Egbert Rentinck en
herberg 'de Cartouwe', lag op een
steenworp afstand van Joannes' beide werkplekken, het
stadhuis en het
Oldehuis, de ambtswoning van de drost.
Joannes kocht het huis en liet het vervolgens afbreken.
Duidelijk
geďnspireerd door de renaissancestijl van het in 1621 gereedgekomen stadhuis
werd op de vrijgekomen plaats in 1627 een huis gebouwd met een zeer rijk
uitgevoerde trapgevel. Een jaar later kreeg het huis aan de rechterzijde een
monumentale ingangspartij met gebeeldhouwde stoeppalen. In de voorgevel werd het
familiewapen - in rood een zilveren stappend lam - aangebracht en een huismerk,
zoals in Bentheim gebruikelijk was. Beide waren in 1770 nog aanwezig maar zijn
vermoedelijk in de Franse Tijd verwijderd. Het familiehuis dat de Lemkers hadden
laten bouwen, heeft later de naam Voormalige Latijnse School gekregen. Het pand
heeft echter nooit onderdak geboden aan het Latijnse onderwijs. In 1654 werd het
achterste deel van de naastgelegen herberg 'de Cartouwe' aangekocht. Door
Joannes' nakomelingen is het huizenbezit van de Lemkers aan het Kerkplein nog
verder uitgebreid.
De betrokkenheid van de familie Lemker bij het stadsbestuur van Vollenhove
werd voortgezet in de persoon van Joannes' zoon Joan, die in november 1683 werd
verkozen tot schepen.
Joannes Lemker was de stamvader van zes generaties Lemker in Overijssel. Behalve
in Vollenhove waren zij bestuurlijk vooral in Deventer en Kampen actief. De
Overijsselse Lemkers stierven in 1869 uit met het overlijden van Petronella
Everharda Lemker.