De familie Bannier was een patriciërsfamilie die al in de l6de eeuw in Vollenhove woonde. Het waren burgers van de stad.
In het oudarchief van de stad bevindt zich de blafferd (lijst van renten, tienden en andere rechten) van het St. Anthoniegasthuis. Behalve de gildemeesters waren er een aantal gildebroeders die jaarlijks op St. Anthonius dag (17 januari) in het gilde werden opgenomen. Zij die als gildebroeders werden aangenomen zetten hun handtekeningen in dit boek, waarin vanaf 1545 tot 1740 niet minder dan 460 handtekeningen voorkomen, bijna alle van bekende Overijsselse adellijke geslachten. Ook allerlei Vollenhoofse geslachten tekenden hun namen in dit boek, naast Bannier ook bijvoorbeeld van den Boetselaer, Hagen, Sloet, Uterwijk, ter Berchorst, en Van Vollenhove.
Volgens de Zweedse rijksheraldicus Klingspor te Stockholm, zou een lid van het Zweedse adellijke geslacht Baner zich in de 16e eeuw in Vollenhove hebben gevestigd (Ned. Patric. 1920). Van de familie Bannier is een wapen bekend. De ene helft van het wapen is goudkleurig en laat de helft van een adelaar met (gespreide) vleugel zien, de andere helft is roodkleurig.
In 1523 werd Lambert Arentss. burger van Vollenhove, in 1531 zijn zoon Frerick Lambertss. ende sijn wiif mijt sijn twee soons als Lambert en Johan Frerickssen.
Arent Lamberts Bannier
Op 22 februari 1566 verkregen Arent Lamberts (Bannier) en zijn kinderen het
burgerschap van Vollenhove. Een aantal jaren later, in 1582, verkreeg ook
zijn zoon Lambert Arents Bannier met zijn kinderen het burgerschap van
Vollenhove.
Er was via enkele huwelijken verwantschap met een andere Vollenhoofse
patriciërsfamilie, de Bernards. Arent Lamberts Bannier (geb.ca.1570) was in
1601 getrouwd met Hendrickje Bernards. Zijn zuster Hendrickje Lamberts Bannier
was in 1611 getrouwd met de schulte Michael Bernards.
Lambert Arents Bannier
Lambert Arents Bannier was kennelijk een man in goeden doen, want op 12 juni
1582, een maand nadat hij het burgerschap van Vollenhove verworven had, leent
hij aan de stad Vollenhove geld. Een bedrag van 500 caroligulden, de acte was mede
ondertekend door Hendrick Janssen en Roelof van Dulmen, secretaris van
Vollenhove.
In 1588 stond Lambert Arents Bannier samen met Geert Petersen Coesphelt borg
voor een lening van 311 goudgulden aan Peter Claessen. In het zelfde jaar
erkenden de schepenen, raad en gezworen gemeente de reeds zes jaren bestaande
lening aan Lambert Arents Bannier van 500 caroligulden uit 1581(1582): dit bedrag
blijkt in 1610 in zijn geheel te zijn afgelost, maar dat zal dan aan de kinderen
zijn, want beide ouders blijken dan reeds te zijn overleden.
In 1590 is dat nog niet het geval, Lamberts Arents Bannier is dan aanwezig in
het stadhuis en getuige bij het herroepen door een verdachte van scheldwoorden
die deze had geuit aan het adres van de schepenen en de raad van Vollenhove.
In de Grote Kerk van Vollenhove was destijds een grafsteen beschreven met het
opschrift: Anno 159.. 29 januari] stierf den eersamen Lambrecht Arentsen
Bannier. Anno 1603 sterft [juffr] Hendricka [Coeninx] huisvrouw van [Mr]
Lambrecht Arents Bannier.
Van Lambert Arents Bannier zijn tenminste vijf kinderen bekend, namelijk 1.
Andries, 2. Aafje, 3. Hendrick, 4. Arent en 5. Hendrickje.
In het Archief van havezate
Oldhagensdorp komt een akte van transport voor uit 1596 door Grietje,
dochter van wijlen Jacob Naerssen en Willemtje Goedenhagen, aan Hendrikje
Coenincx, weduwe van mr. Lambert Arends Bannier, van een huis en hof aan de
Kerkstraat.
Het is mogelijk dit huis dat later wordt gekocht door Johannes Lemker. In 1626 viel diens oog op het huis van de familie Bannier aan de Kerkplaats. Dit huis was gelegen tussen het huis van wijlen collega stadssecretaris Egbert Rentinck en herberg 'de Cartouwe'. Hij liet het huis afbreken en bouwde er een nieuw pand met trapgevel (‘de Latijnse school’).
Kinderen:
1. Andries Lamberts Bannier
Andries Lamberts Bannier is betrokken bij het bestuur van de stad Vollenhove.
Hij is schepen van de stad in de jaren 1604 t/m 1610, in 1604 was dat gelijk met
zijn zwager Jan Coops die getrouwd was met zijn zuster, Aatje Lamberts Bannier.
Omstreeks dezelfde tijd traden Andries Bannier en Jan Goops op als princi¬pale
borg en voor een zekere Van Oosten, ter zake van zijn schuld van 100 car.gld.
aan het weeshuis. Ook wordt Aafje Lamberts Bannier in de administratie van het
weeshuis genoemd voor 2½ goudgld.
(op Martini), het betrof een bezit van een hof in de Leeuwte. Andries Lamberts
Bannier wordt in 1604 tot weesmeester benoemd. In 1606 was hij heemraad en in
1608 thesaurier, belast met het beheer van de financiële zaken van de stad. Zijn
naam wordt in dit verband in 1609 genoemd, bij betalingen van burgerschapsgeld
door nieuwe burgers van Vollenhove. Samen met Jan Petersen, die ook schepen was,
werd hij in 1611 benoemd tot opzichter van de kerkelijke goederen.
Andries Lamberts Bannier werd in 1612 genoemd bij een belening van een goed in
de Leeuwte, de belening was van 1613-1622. In dezelfde periode, in 1618,
fungeerde hij als een van de borgen bij de borgstelling voor de in
vrijheidstelling van de door Steenwijk gevangen genomen schulte van Havelte.
Andries Lamberts Bannier was advocaat, hij was de eerste keer getrouwd met
Aaltje Matthijs Heyman, en later met Anna Siercksdr van Donia. Zijn dochter uit
het eerste huwelijk Anske Bannier trouwde met Arent Crul, een burgerzoon te
Leeuwarden en deftig poëet.
2. Aafje Lamberts Bannier getrouwd met Jan Coops
Ook van Jan Coops is het bekend dat hij beheerder was van de kerkelijke goederen. Daarnaast was ook hij schepen van Vollenhove (1604-1616), weesmeester, thesaurier, heemraad en in 1611, gelijk met Wolter Berends, burgemeester van de stad Vollenhove. Tevens staat beschreven dat Jan Coops schulte was van Kuinre (en Blankenham) en mogelijk ook van Vollenhove. Kort daarop is Jan Coops overleden, in 1617 roept de drost van Vollenhove Campen op tot bijwoning van een vergadering op 19 juni 1617 ten huize van de weduwe van de schulte Jan Coops. Hun huis is nog lange tijd bewoond door zijn weduwe, Aafje Lamberts Bannier. Zij blijkt dus sinds 1617 weduwe van Jan Coops te zijn. Het huis van Aafje Lamberts bestaat het niet meer. Het huis had in 1628 zeven vuursteden, wat het waarschijnlijk maakt dat het ook door andere personen / families bewoond is geweest. Het huis stond tussen twee havezaten in. Oostelijk grensde het huis van Aafje Lamberts Bannier (genoemd weduwe van Jan Coops) aan de havezate Hagensdorp, westelijk aan de havezate Oud-Plattenburg. Van Aafje Lamberts Bannier en Jan Coops zijn kinderen bekend, hun zoon Timan Coops was burgemeester van Vollenhove.
3. (Hendrick) Lamberts Bannier (1580 – 1659)
Hendrick Lamberts Bannier was medeparticipant koper van de
Arembergse landen met
aangehorigheden in 1615. Hij kocht deze samen met de andere participanten-kopers
Hendrick Bentinck (drost van Salland), Everhard Rouse (burgemeester van
Deventer), Herman Ewolts (ontvanger van Salland), Herman Jan Roelinck (griffier
van de Staten van Overijssel) en Thyman Vriese (secretaris van Zwolle). Hendrick
Bentinck had een belang, daar hij betrokken was bij de vervening in het land van
Vollenhove. Namens de participanten-kopers traden op Hendrick Lamberts Bannier
en zijn broer, de advocaat Andries Lamberts Bannier. Namens de familie
Arenberg trad Duyst van Voorhout
op. Jaren later, in 1621, werd de grote zijl (Staphorstersluis) in het
Meppelerdiep bij Zwartsluis overgedragen aan een compagnie bestaande uit
dezelfde personen als bij de Arembergersluis, behoudens Hendrick Lamberts
Bannier. Dat laatste zal geen verwondering wekken omdat Vollenhovenaren en de
stad Vollenhove geen belangen bij de verveningen van de hoge Echtense venen
(Hoogeveen) in Drenthe hadden. Er was dichterbij, in Noordwest-Overijssel nog
veen genoeg om daarin te investeren.
Hendrick Lamberts Bannier trouwde in 1602 te Vollenhove met Christina Lucasdr
Jarges.
Hij had een schuur in Vollenhove, die grensde aan de noordzijde van havezate
Old-Plattenburg.
Zijn huis zal zich dus aan de zuidzijde van de Kerkplaats (Kerkplein) hebben bevonden.
Hendrick Lamberts Bannier was in 1614 beleend in Rheeze (onder Hardenberg) met een 'gerechte helfte van de tienden en goederen gelegen in het kerspel Heemsche ende gerichte Herdenberch. Het betrof de tienden over de erven Rotgerinck, Vrylinck, Wolferdinck en het halve goed op Holthone, en de halve tienden over Rotmanninck en Wilminck. Overigens werd Hendrick Lamberts Bannier ook bij de andere helft van de belening nog genoemd.
Van Hendrick Lamberts Bannier bevindt zich correspondentie uit 1628 in het
archief van de Friese stadhouder Ernst Casimir betreffende een paspoort voor hem
als schipper op Lingen (Ems).
Het paspoort lijkt er op te wijzen dat hij handel dreef met plaatsen in de wijde
omgeving. Daarvoor was een paspoort een noodzakelijk document. Het is een door
de stad Vollenhove afgegeven brief, ondertekend door de secretaris van de stad
(Johannes Lemker) en gewaarmerkt met het stadszegel (op 10 maart 1628). De brief
die begint met:
"Wij Burgemeesters, Schepenen en Raad van de Stad Vollenhove, doen condt (geven
kennis) en certificeren (geven hierbij een certificaat) in en met dezen voor
rechte waarheid, zo dat toonder hiervan de Ed.heer Henrick Lambers Bannier
inwoner en burger van onze stad is".
Ze verzoeken in deze brief een ieder aan wie Hendrick Lamberts Bannier, dit
certificaat (attestatie) toont, hem vrije doorgang te verlenen. Vrije doorgang
ook voor het transport van Hendrick Bannier, zijn wagen en paarden met de
bijbehorende bagage. In deze brief wordt nog vermeld dat Hendrick Bannier de
plaatselijke contributie heeft betaald, maar ook voor de passage door Twente,
Drenthe, graafschap Bentheim, het ambtsgebied van Lingen en andere neutrale
plaatsen. Het was lastig om handel te drijven met plaatsen in Duits gebied over
de grens die in vijandelijke handen waren. Zo was het aan de Oranje's behorende
Lingen in die jaren in het bezit van de Spaanse vijand, het was nog in de
tachtigjarige oorlog. Deze plaats zou pas in 1633 weer aan de Oranjes
terugkomen. Echter, in het jaar 1628 was het vijandelijk gebied. Om daarmee
handel te drijven was het Vollenhoofse document alleen niet voldoende. Er moest
ook toestemming komen van de landelijke overheid, de Staten Generaal van de
Nederlandse provincies.
In het jaar 1628 ondernam hij een handelsreis die via Lingen voerde, waaruit
hij verder per schip via de Vecht naar Vollenhove kon terugkeren . Het transport
van ‘de partie’, met paarden en wagen, via Bourtange, kwam echter op 27 augustus
tot stilstand in Scheerhorn, gelegen ten oosten van Emlichheim. Het veengebied
ten noorden van Scheerhorn behoorde bij het grote veengebied van de Bourtanger
moor. Het gebied ten noorden van Emlichheim behoorde daar ook nog toe.
Aangehouden vanwege de doorvoer naar Lingen. Wat nu, tijd is geld, want er was
ook bederfelijke waar op de wagen. Als handel werd genoemd: abteckerijwaren,
specerijen en banket, een blik eet-spint (spint is een inhoudsmaat), huisraad en
een tafeltje, linnen, snuisterijen, lijfgoed voor vrouwen, Engels laken,
koolkens, houten borden, kaasjes, pruimen en Friese boter.
Er moest een fors bedrag worden betaald om verder te mogen met het transport.
Want er werd gehandeld met de vijand. Een proces zou het zeker gevolg kunnen
zijn. Om die dreiging af te wenden moest men aantonen wat er precies vervoerd
werd. De vijand mocht er immers geen voordeel van hebben. Er moest een afkoopsom
betaald worden. Op verzoek van Hendrick Bannier werd aan een drietal borgen
gevraagd het bedrag 20 rijksdaalders voor te schieten. Om het geld te brengen
naar Emlichheim kwam er bescherming door een soldaat met de naam Friedrich
Wendeler, behorend bij kapitein Heringa, die het geld af diende te geven aan
Diederich Wilmes. Als borgen worden genoemd jonker Dudo van Laer, Hermannus
Recke (richter en ondertekenaar) en Diederick Wilmes.
Naast het bedrag voor transport door het gericht Emlichheim, moest er
toestemming komen van de convooi- en licentmeester in Zwolle. De toestemming
kwam op 2 september. De convooi- en licentmeester in Zwolle was in 1628 Gerard
ter Borch. De functie was een gewilde baan die jaarlijks 2500 gulden opbracht.
Convooien en licenten betroffen ten tijde van de Republiek der Verenigde
Nederlanden de in- en uitvoerrechten. Het was destijds ook een vergunning om
handel te mogen drijven met vijandelijke havens of zelfs met de vijand. Het was
voor koopvaarders ook de mogelijkheid om in een convooi te varen onder de
begeleiding van oorlogsschepen. In het document van de convooi- en licentmeester
wordt van Lambert Bannier vermeld dat hij Abtecker was. Een abtecker was vroeger
niet alleen apotheker of drogist, maar bijvoorbeeld ook handelaar in specerijen,
thee, koffie en tabak.
Later werd zijn zoon Lambert Bannier schulte van Lingen.
Dochter Hendrickjen Bannier trouwt in 1628 met de in Amsterdam wonende Jan Harmens Krul, deze werd in 1641 burger van Vollenhove. In een verzoekschrift van Henrick L. Bannier aan de Gedeputeerden der Geestelijke goederen, betreffende zijn aanspraken op de inkomsten van een vicarie komt voor zijn dochterszoon Adriaan Jansen Krul "als hier binnen Vollenhove ter Latijnsche scholen frequenteerende”.
Henrick L. Bannier schreef aan de Gedeputeerden der Geestelijke goederen te
Vollenhove betreffende zijn aanspraken op de inkomsten van een vicarie, gesticht
door meester Henrick ten Velde in 1525 (Inv. Kerkv. no.8) welke moesten strekken
tot onderhoud van studenten, behorende tot zijn familie.
De verzoeker haalt de besluiten aan van Ridderschap en Steden van 1583 en 1602 waarbij
bepaald werd, met erkenning van het patronaatrecht van vicariën, dat de helft
der inkomsten werd uitgekeerd tot onderhoud van predikanten en scholen en de
andere helft aan een persoon uit het geslacht van de stichter, die studeerde of
in tijd van oorlog in dienst van het land was.
Hij zegt verder, dat de vader van zijn vrouw, Lucas Jarges, volgens akkoord van
18 november1608, gedurende 12 jaren het recht van collatie heeft toegestaan aan
de stad, mits zijn broer Jan Jarges voor de hem toekomende halve inkomsten uit
handen van de rentmeester van de geestelijke goederen 25 caroligulden zou
ontvangen en zo is dit tot nu in de boezem van Jarges als collatoren
gecontinueerd.
Hij verzocht dan als vader van de kinderen van hem en wijlen zijn vrouw
Christina Jarges en de zuster van zijn vrouw, Elisabeth van Hemmema, zijnde de
naaste oudste vrienden in den bloede en hiertoe gerechtigd zijn dochters zoon
Adriaan Jansen Krul, alhier de Latijnse school bezoekende, om deze inkomsten als
subsidie voor zijn studie te mogen genieten. Hij stelt voor, dat, indien
gewenst, hij de administratie wel wil voeren.
Vanaf 1632 verbleef van tijd tot tijd een pater Jezuïet te Vollenhove. Deze
pater, genaamd Kelderman, had vast onderdak bij mevrouw Van Westerholt op het
huis "Herxen" bij Deventer. Spoedig eiste pater Kelderman het alleenrecht op
voor de bediening van Vollenhove. Hij wist zelfs te bewerkstelligen dat het
echtpaar Hagen hem in plaats van Waeijer voortaan onderdak zou verlenen. Ondanks
Keldermans pogingen het werk voor Waeijer onmogelijk te maken slaagde deze erin
zich te handhaven mede dankzij de Vollenhovense families
Rentinck en Bannier,
bij wie hij beurtelings eens in de zes weken te gast was.
Arnold Waeijer, pastoor te Zwolle, bediende vanaf 1632 Vollenhove, in
overeenkomst met de jezuïeten pater Kelderman, eens in de zes weken. Waeijer
verbleef dan bij 'jonkheer Hagen tot Hagendorp'. Wat later veranderde dit,
althans hield de Zwolse pastoor verblijf 'beurtelings bij N. Rentink en
Lambertus Bannier, in wier woningen dan ook de godsdienstoefeningen gehouden
werden.
Het verslag van de gebeurtenissen in Vollenhove wordt door hem weergegeven als
volgt: 'ten eersten soude ik mijn verblijf hebben bij Henderick Lamberts
Bannier, ses weken hiernaer bij Nicolaus Rentinck ende in beijde haere huijsen
kerkcken...' Rentinck wordt door Waeijer aangeduid als 'een rechtsgeleerde'.
Uit dit verslag komt duidelijk naar voren dat de families Bannier en Rentinck de
voornaamste katholieke families in Vollenhove waren en elkaar goed kenden.
Dit niet alleen gezien het door beide families onderbrengen van pastoor Waeijer,
maar ook het auteurschap van H. A. Bannier (mogelijk de zoon van Lambertus
Bannier die in verband met Nicolaas Rentinck wordt genoemd) van de opdrachttekst
in het portret van Egbert Rentinck, zo’n 25 jaar later (in 1659, het
overlijdensjaar van Hendrick Lambertus Bannier).
Ter bescherming van de stad werd 18 februari 1652 aangekocht het Goor bij de zee, of zoals het zo aardig gezegd wordt in deze akte: 'tot voorkoming van dezer stadsruïne en derzelver wegstormen in de zee’ werd besloten van de Erfgenamen van de Gooren aan te kopen het voorste deel daarvan, beginnende van de stadsbleek tot aan het Zijltien voor een (jaarlijkse) canon en dat te mogen lossen tegen 4%, zijnde 25 goltguldens tegen 1 goltgulden. Ze konden het echter niet eens worden over die jaarlijkse canon en riepen de tussenkomst in van Jr. Adam van Lieverden, Henrick Lamberts Bannier en de Drost Jr. Joan van Isselmuden tot Rollecate als overman. De Drost en de Riddermatigen hebben aangenomen tot het opmaken van de hoofden en tot het voorkomen van meerdere schade bij Ridderschap en Steden te zullen aandringen op een subsidie van 600 caroliguldens. De acte draagt de ondertekening van verschillende namen, zo o.a.. tekende Henrick Sloet mede voor zijn neven Jacob en Peter van Uterwijck, A. Vollenhovius wegens zijn schoonmoeder Anna Roelofs, weduwe Burgemeester Berent Alten, Paulus Bernhardts, mede voor zijn zuster en voor zijn oom Dr. Jan ten Holte, B. van Setten, Alhart Kiers ten Berge 1652 enz. De zaak schijnt definitief voor elkaar gekomen te zijn, want nadien werd het Goor door de Stad om de 3 jaren verhuurd.
Hendrik Lambertus Banier overleed in 1659. Veel van zijn bezittingen gingen over op zijn zoon Jan Bannier, en na diens overlijden, in 1661, op zijn dochter Lamina Bannier onder hulderschap van dr. Wynolt Telvoorn. Deze was advocaat te Vollenhove.