De Slag bij Heiligerlee luidde in 1568 definitief de opstand tegen de Spaanse
overheersers in, ofwel de Tachtigjarige Oorlog. Ondanks de overwinning op de
Spaanse troepen was de veldslag geen militair succes, want Lodewijk van Nassau
werd korte tijd later verslagen door de Spaanse troepen. Maar de Spaanse
nederlaag bij Heiligerlee bleek van groot belang voor het moreel van de
vaderlandse troepen.
De historische gegevens over de Slag zijn schaars. Vaststaat dat de fel-katholieke Filips II, die het na het aftreden van Karel V in 1555 in de Spaanse Nederlanden voor het zeggen kreeg, de 'afvallige' protestanten steeds feller ging vervolgen. In 1564 had prins Willem van Oranje zich in een redevoering in de Raad van State principieel uitgesproken voor de vrijheid van geweten en geloof en daarmee tegen de steeds fellere vervolging van 'ketters', waarvan er al velen op de brandstapel waren geëindigd. Twee jaar later was de Beeldenstorm gevolgd; een protestantse actie tegen 'paapse' afgoderij, die echter was ontaard in de plundering en vernieling van kostbare cultuurgoederen. In 1567 dreef Filips de zaak op de spits. Hij stuurde de fanatieke Spaanse hertog van Alva met een leger van 10.000 man naar ons land. Hij stelde de 'Bloedraad' in; de 'Raad der Beroerten', waarvoor niemand veilig was. De graven Egmont en Hoorne waren zijn eerste vooraanstaande slachtoffers: ze werden naar Brussel gelokt om er te onderhandelen over regeringsaangelegenheden, maar na aankomst gearresteerd. Kort na de Slag bij Heiligerlee werden ze onthoofd.
In april 1568 werden in Oost-Friesland vanuit vier richtingen troepen
bijeengebracht door Lodewijk en Adolf van Nassau, twee broers van Willem van
Oranje. Via Bellingwolde trok het leger Nederland binnen.
Op 23 april 1568 trok Lodewijk van Nassau via Leer Nederland binnen en bezette
een dag later de Wedderborg. De Wedderborg of Het slot te Wedde, was bezit van
de katholieke Jean de Ligne, graaf van
Aremberg en stadhouder van Friesland, Groningen en Overijssel, die het in 1561
gekocht had. Het huis werd bij afwezigheid van de landvoogd spoedig ingenomen.
Vandaar trok het Staatse Geuzenleger, dat bestond uit 3900 man infanterie en 200
man cavalerie, verder naar de stad Groningen. Lodewijk was het om de stad
Groningen te doen, maar dat hield de poorten gesloten.
De Spaanse (of beter: de Spaansgezinde) en de vaderlandse troepen ontmoetten
elkaar op de gronden van het vrouwenklooster Mons Sinaï. Dit klooster was
gesticht in 1230 door Herderic van Schildwolde te Oosterlee, dat later de naam
Heiligerlee kreeg.
Op 23 mei 1568 gingen graaf Lodewijk en zijn troepen zich daar aan het eind van
de dag opmaken voor de nacht. Eerder waren ze vanuit Appingedam gevlucht voor
Spaanse troepen. De soldaten van graaf Lodewijk waren moe, hongerig en hadden al
tijden geen soldij gekregen. Ze wilden dan ook niet meer vechten. Graaf Lodewijk
wist ze echter toch nog een keer in de wapens te krijgen. Enkele kenmerken van
het terrein maakte het graaf Lodewijk mogelijk een krijgslist toe te passen.
In de vlakte bij Heiligerlee bevinden zich drie heuveltjes. Een grote waarop het
klooster Mons Sinaï heeft gestaan en twee kleinere, die nu Napels heten. Het
terrein tussen de heuvel waarop het klooster stond en de andere heuveltjes was
moerassig en zat vol grote kuilen waaruit ooit turf was gewonnen. Langs de rand
van de heuvel liep een weg, de huidige Provinciale weg.
Graaf Lodewijk gaf zijn schutters opdracht zich te verstoppen in de turfkuilen
en plaatste een groot deel van zijn troepen verder achter de heuvels. De ruiters
onder leiding van graaf Adolf van Nassau lokten de Spanjaarden over de weg.
Aremberg, die 3200 man infanterie en 20 ruiters tot zijn beschikking had,
trachtte het gevecht te ontlopen totdat er hulptroepen zouden zijn gearriveerd,
maar werd desondanks gedwongen de strijd aan te gaan nadat Lodewijk met zijn
ruiters een woeste aanval had ingezet. Toen deze over de weg reden trokken de
troepen van de graaf zich achter de heuvel terug.
Het plan werkte en de Spanjaarden achtervolgden de Nederlanders.
De overmoedige Spanjaarden rukten snel op, maar liepen in een hinderlaag van
sluipschutters, die zich in greppels en achter houtwallen hadden verscholen.
Nadat de Spanjaarden in een hinderlaag waren gelokt, sloeg het paard van Graaf
Adolf op hol. Adolf kwam terecht tussen de vijandelijke troepen en vond de dood.
Tegelijkertijd voerde Lodewijk een tegenaanval uit, waardoor de Spaanse
legermacht in grote verwarring raakte en trachtte te vluchten. In het moerassige
gebied rond Heiligerlee bleven de zwaarbewapende Spanjaarden echter in de modder
steken. Ze kwamen terecht in het drassige terrein en werden zo gemakkelijk
verslagen. Niet in staat om snel weg te komen, waren ze een gemakkelijke prooi
voor het Geuzenleger. Ongeveer 1500 Spaanse soldaten en 50 Geuzen verloren
hierbij het leven.
Aremberg vond de dood na een val van zijn paard, samen met een groot deel van
zijn manschappen.
Volgens sommige bronnen zou het lichaam van Adolf nooit zijn teruggevonden. Er zijn bronnen, die een ander verhaal vertellen. Zo zouden Aremberg en Adolf samen zijn opgebaard in de kloosterkerk van het nonnenklooster Mons Sinaï. Van daaruit zou Adolf zijn begraven in Midwolda, en later overgebracht naar de grote kerk van Emden (Oost- Friesland). Weer een andere bron meldt dat Adolf, na te zijn opgebaard in de kloosterkerk, met militaire eer werd bijgezet in het kasteel te Wedde. En van daar zou hij zijn overgebracht naar een stamslot in Oost-Friesland.
Lodewijk vervolgde zijn weg naar de stad Groningen, dat echter de poorten
gesloten hield. De komst van verse Spaanse troepen onder leiding van de hertog
van Alva noopte Lodewijk om zich weer uit de voeten te maken; hij verschanste
zich in Jengum aan de Eems, maar kon er geen stand houden. Op 21 juli 1568 werd
zijn leger vernietigend verslagen; Lodewijk zelf wist ternauwernood te ontkomen.
Het militaire succes van de slag bij Heiligerlee was dus bijzonder beperkt; het
effect van deze eerste overwinning op de Spaanse legermacht op de moraal van de
opstandelingen was daarentegen enorm.
Dat Adolf zou zijn bijgezet in de Wedderborg mag twijfelachtig heten, aangezien deze borg het middelpunt bleef van de strijd tussen de Spaanse troepen en Lodewijk. Waarschijnlijker is dat de grote kerk van Emden zijn laatste rustplaats is geweest, omdat de protestanten uit de Nederlanden hier immers hun toevlucht hadden gevonden. Vanuit deze kerk, die de naam "Moederkerk" kreeg, werden predikanten uitgezonden naar de diverse plaatsen in de Nederlanden en in deze kerk werd in 1571 de eerste nationale synode gehouden van de Gereformeerde kerk der Nederlanden.
In het raadhuis van Emden is het harnas van Adolf van Nassau nog te zien. Dit
lijkt er op te wijzen dat zijn lichaam in ieder geval is teruggevonden en
vervoerd naar Emden. Helaas zijn er geen verdere aanwijzingen waar hij exact
ligt begraven. In de Tweede Wereldoorlog werd de grote kerk van Emden zeer
ernstig beschadigd. Op een enkel grafmonument en enkele grafstenen na, is van
het interieur weinig overgebleven. Binnen de ruïne is eind twintigste eeuw een
protestantse bibliotheek gebouwd: de Johannes a Lasco Bibliothek.
Ook akten in het stadsarchief van Emden geven geen enkel uitsluitsel over een
mogelijke laatste rustplaats van Graaf Adolf. Zijn laatste rustplaats blijft dus
vooralsnog onbekend.
Deze slag was indirect de aanleiding tot de oprichting van een vloot, de watergeuzen. Een uitvoerig verslag vind u hier.