Aan
de zuidkant van het centrum van Vollenhove ligt in een park de havezate
Oldruitenborgh. Het park, in de vorm van een Engelse landschapstuin, is
aangelegd in het begin van de 19e eeuw. De havezate is gesticht in het laatste
kwartaal van de 14e eeuw door Egberts Pelgrim van den Rutenberghe, schout van
Vollenhove. Bij de restauratie in 1962 bleek het huidige gebouw het overblijfsel
van een laatmiddeleeuws huis dat waarschijnlijk in de tweede helft van de
vijftiende eeuw werd opgericht. Er zijn diverse grote verbouwingen geweest, in
1656, 1803, 1947 en 1962. In 2006 werd het verbouwd tot conferentieoord.
Het huis bestond oorspronkelijk uit een oostwestgerichte vleugel met aan de
zuidoostzijde een korte, wat lagere aanbouw. De langgerekte vleugel had twee
vertrekken die van elkaar gescheiden waren door een muur met een stookplaats aan
weerskanten. De indeling van het oostelijke deel van de vleugel, bestaande uit
een overwelfde kelder, een daarboven gelegen kamer en een zolderruimte met een
gemetselde gotische schouw, is nog zoals toen. Het westelijke deel van de
vleugel, waar nu de trouwzaal en hal zijn, was ten dele onderkelderd. Doordat
men hier destijds de kelder heeft laten vervallen, kon er een verdieping worden
gemaakt.
Het
geslacht Rutenberg, waarnaar de havezate genoemd is, komt in de archieven voor
als schulte (burgemeester) van Vollenhove in 1382 en 1397 (Egbert Haec), als
drost en rentmeester in 1413 (Pelgrim), en in 1436 (Pelgrym van den
Ruytenberghe). Is dit geslacht afkomstig van
kasteel
de Rutenberg bij Ankum (bij Vilsteren, gebouwd in 1328)?
De richter en onderschulte van Vollenhove oorkondt 13 december 1412 dat Pelgrim
van den Rutenberghe en zijn vrouw Margriete bij de opname van hun dochter
Margrete in de abdij te Dikninge (klooster bij De Wijk, Drenthe) daaraan een
rente schonken uit land genaamd Dorremeer in het kerspel van Vullenhoe op
Lewetweide (nu: Leeuwte) . Getuigen waren Steven en Roelof van den Rutenberghe.
Daar Pelgrim schulte van Vollenhove was, werd de acte opgemaakt door de
onderschulte.
Pelgrim, door de postulaat (a.s. bisschop) Roelof van Diepholt
gevangen
gehouden, zweert in 1426 als hem de vrijheid gegeven wordt te Diepenheim in de
gevangenis terug te komen wanneer hem daartoe de last gegeven wordt enz.
Zijn zonen Egbert en Boldewijn van den Rutenberghe zweren van hun vaderlijk goed
afstand te doen indien hun vader in het nakomen zijner beloften tekort schiet.
Meerdere
leden van dit geslacht lieten hun sporen achter in het stad- en kerkarchief van
Vollenhove. In 1438 komen meer broers van Egbert en Pelgrim voor. In de
collectie Hogeman op het Rijksarchief te Zwolle is een acte van 1460 waarbij
voor Schepenen van Vollenhove Egbert van den Rutenberghe verklaart verkocht te
hebben aan zijn broer Egbert Haeke van den Rutenberghe het huis, hof en weer in
de vrijheid van Vollenhove gelegen, grenzende ten oosten aan Boldewijn van den
Rutenberghe en ten westen aan de stadsstraat.
De weduwe van Boldewijn van den Rutenberghe treffen wij aan in een charter van
1520 waar Pater en Ministersche van het klooster Clarenberch verklaren ontvangen
te hebben van Joffer Derick de Zueren, weduwe van Boldewijn van den Rutenberch
een rente van 4 mud rogge, die "aen broede gebacken" voor de poort van
het klooster uitgedeeld moest worden en een rente van 4 kop boter benevens een
som van 11 gouden guldens, waaruit de kosten op de uitdeling vallende bestreden
moesten worden.
Door het huwelijk van Harmanna, dochter van voormelde Boldewijn in 1487 met
Johan van Echten, zoon van Roelof tot Echten (een havezate bij Ruinen) en Bate
van Steenwijk kwam de Ruitenborg in het geslacht van Echten. Dit geslacht had
een grafkelder in de Grote kerk te Vollenhove. Op een zerk in de Bovenkerk te
Kampen staat: Johan van Echte toe Vollenhoo. Zijn zoon Johan volgt hem in het
bezit op.
Oldruitenborgh werd in het testament in 1558 van Johan van Echten omschreven als
bestaande uit een huis en hof mit dat ... holtwerck daerinne staende, mitte ...
brouketel ende gereeschap daertoe behorende'. Boldewina van Echten en haar
schoonzuster Geertruid Sloet, de weduwe van Johan van Echten, bewoonden het.
De
derde Johan, geboren 6 maart 1540, werd ook in de Ridderschap verschreven. Deze
Johan genaamd d' Olde of tot Oldrutenborg, was drost van Vollenhove in 1611 en
is overleden in 1619. Hij schrijft op 24 februari 1619 aan Kampen dat hij graag
zou zien dat zijn zoon Wolter in zijn plaats tot drost van Vollenhove werd
aangesteld. Hij schrijft verder: "dat ick wel een van de olste in de
Ridderschap ben ende in plaetse, dat anderen sich wel bij crychstyt absenteerden
ende in andere Provintien gevluchttet, ich nochtans nae mijn vermoegen in des
lantschapsdienst hebbe gecontinueerd". Het mocht echter niet baten.
Na het overlijden van Johan de Olde vererfden zowel Oldruitenborgh als de daar
bij gelegen Cloosterhorst op zijn zoon Johan van Echten de jonge. Deze was in
eerste huwelijk getrouwd met Dirkje van Brienen. Dit echtpaar schonk in 1612 met
enkele andere vooraanstaande Vollenhovenaren een kostbare zilveren
avondmaalsbeker aan de nog jonge hervormde gemeente van Vollenhove. Nadat Dirkje
was overleden, hertrouwde Johan met Agnes Beninga tot Grimersurn, de weduwe van
Roelof van Isselmuden de jonge. Beide huwelijken bleven kinderloos. Johan liet
vastleggen dat Agnes na zijn overlijden het vruchtgebruik van zijn beide huizen
in Vollenhove zou genieten.
Oldruitenborgh telde in 1628 drie schoorstenen en een brouwketel.
Direct
na het overlijden van Johan van Echten de Jonge in 1639 liet zijn vrouw Agnes de
slechte bouwkundige toestand van Oldruitenborgh opnemen om te voorkomen dat haar
erfgenamen later voor verwaarloosd beheer van het bezit zouden worden
aangesproken. Het stadsbestuur stelde twee mensen aan om de situatie te
bekijken. Zij legden hun bevindingen vast in een rapport. Uit dit rapport valt
op te maken dat het havezatecomplex bestond uit het huis Oldruitenborgh met
brouwhuis en schuur en een huisje aan de straat (Cloosterhorst).
Agnes is overleden te Vollenhove 30 december 1656. Dichter Bernart Vollenhove
maakte een rouwdicht.
Erfgenamen van Johan waren zijn broer Wolter en zuster Johanna, gehuwd met Sise
van Uterwijck. Wolter had met zijn kinderen een akkoord gesloten waarbij zij in
navolging van een soortgelijk akkoord uit 1607 waren overeengekomen dat 'de
havezate in der billickheyt soude comen ende blyven by de name van de Van
Echten'.
Wolter van Echten beval in 1632 van uit Vollenhove zijn zoon Johan bij Kampen
aan voor het vaandel onder de Compagnie van de kapitein van Doornick.
Wolter's zoon Evert werd in 1643 van den Oldenrutenberg verschreven in de
Ridderschap verschrijven. Hij huwde ten eerste Anna Judith Witte. Door
Ridderschap en Steden werd op 10 april 1660 aan hem opgelegd verzekering van
niet meerdere aanval te stellen, naar aanleiding van dreigementen door hem
gedaan aan Johan Sloet, met wie hij geschil had over de afvaardiging in het
Binnenlands College.
In 1660 ontstond een ernstig conflict tussen hem en de eigenaars van de
Toutenburg over de eigendom van de bomen tegenover Oldruitenborgh aan de
overzijde van de stadsgracht. Voor het proces werd een situatieschets gemaakt
van Oldruitenborgh waarbij de perceelsgrenzen tussen de betreffende huizen
werden aangegeven. Deze schets maakt duidelijk dat de kaart van Blaeu niet
betrouwbaar is. Deze geeft Oldruitenborgh als twee losstaande gebouwen weer,
terwijl de schets één oostwestgerichte vleugel afbeeldt met een in- en uitbouw
aan de zuidgevel en met een middenrisaliet aan de noordkant van het gebouw. Op
de schets is Oldruitenborgh door een noord - zuid lopende muur van Cloosterhorst
gescheiden. De hoofdtoegang van Oldruitenborgh ligt recht voor het huis. Het in
1639 genoemde brouwhuis en de schuur staan beide op het kaartje aangegeven. Het
geeft tevens aan dat het oorspronkelijke middeleeuwse huis inmiddels was
uitgebreid met een vleugel aan de zuidkant en een uitbreiding in westelijke
richting had gekregen.Terwijl de indeling van het huis in 1639 nog veel leek op
de middeleeuwse indeling die in 1964 bleek, vormt het noemen van de vertrekken
in 1656 een aanwijzing dat het huis in de tussentijd een uitbreiding had
ondergaan. De schets uit
1660 bevestigt dit.
Evert van Echten overleed in 1672. Financieel gezien had het gezin Van Echten grote moeite om het hoofd boven water te houden. Er moest diverse keren bij geldschieters worden aangeklopt voor een lening. Zijn weduwe stelt op 5 mei 1676 de havezate als onderpand voor geleend geld aan het St. Anthoniegasthuis te Vollenhove.
Zijn zoon Reint Wolter huwde in Rouveen op 22 juli 1685 met Johanna Helena Blankvoort, een huwelijk waarop door dokter Denijs van Setten een gedicht werd gemaakt. Hij werd van Oldruitenborg verschreven in 1675. Oldruitenborg had hij verkregen door aankoop van zijn broer Evert Jan en zijn zusters Anna Judith en Henriette Reinoldina, ieder ¼ deel..
Toen Oldruitenborgh op Everts zoon Reint Wolter overging, was het goed beladen
met schulden, waarvan de crediteuren de afrekening eisten. Reint was militair en
daardoor dikwijls en langdurig van huis. Zijn vrouw Johanna Helena Blanckvoort
had het tijdens zijn afwezigheid te stellen met de ongeduldige schuldeisers. In
1696 was het noodlot niet langer te keren; de havezate zou voor schuld worden
verkocht. De heer Voorne, één van de schuldeisers en getrouwd met een dochter
van Evert van Echten, deed het hoogste bod met 5.700 gulden.
Op één of andere
manier moet men het zo hebben weten te regelen dat de havezate binnen de familie
kon blijven en de crediteuren werden tevredengesteld.
Reint Wolter verkoopt op 28 april 1697 vier Groninger mudden erfpachtrogge, welke rogge jaarlijks moet betaald en geleverd worden in mei binnen Echten, als leenhorige pacht aan het huis Echten. In 1723 werd door de erfgenamen van de weduwe van Reint Wolter van Echten de inboedel van Oldruitenborgh verkocht, teneinde haar doodschulden te kunnen betalen. De verkoop bracht ruim 781 gulden op.
Reint Wolters zoon Philip Gerrit van Echten tot Oldruitenborg koopt de havezate Plattenburg in 1729 van zijn zuster, de weduwe Sloet tot Lindenhorst. Hij werd er van verschreven, maar in 1738 weer van Oldruitenborgh. Dat huis had toen vermoedelijk jaren leeggestaan, totdat hij het met 3000 gulden geleend geld kocht van zijn oudere broers / zusters. Philip was een zonderlinge figuur. Hij moet eens door zijn gedrag grote opschudding binnen het Vollenhoofse adelscollege hebben veroorzaakt. Hij kon het evenwel goed vinden met zijn neef Albertus François Arend Sloet. Deze woonde in 1748 bij hem in met een knecht en een meid. Philip stierf in 1755 en had. Hij overleed ongehuwd en kinderloos in 1755. Arend Sloet had hij aangewezen als zijn universele erfgenaam.
Neef
Arent Sloet tot Tweenijenhuizen was kind van Philips zuster Anna Judith van
Echten en Coenraad Willem Sloet tot Lindenhorst. Deze Arent Sloet verwierf dus
door erf Oldruitenborg.
Hij trad in 1755 - hij was toen 32 - in het huwelijk met de zeer rijke en veel
oudere Anna Dannenberg, een patriciërsdochter uit Steenwijk. Zij was toen reeds
63 jaar oud en kon hem geen kinderen meer geven. In 1758, drie jaar na zijn
huwelijk, stond Arend al te boek als de op één na rijkste inwoner van de
provincie met het formidabele vermogen van 179.980 gulden!
Het echtpaar woonde eerst in Steenwijk en vestigde zich vervolgens op de
havezate Oldruitenborgh, die Arent van zijn kinderloze oom van moederszijde
Philip Gerrit van Echten tot Oldruitenborgh had geërfd, en die hij met geld,
dat voornamelijk van Anna afkomstig was, had vergroot (1764). Een jaar na Anna's
overlijden hertrouwde Arent in 1766 met de in 1741 geboren Johanna Philippina
van Dedem tot de Gelder, uit welk huwelijk drie zoons en drie dochters
opgroeiden.
Arent was in 1763 landdrost van Salland geworden, de hoogste politieke functie
in die tijd in Overijssel. Ook was hij afgevaardigde naar de Staten-Generaal.
Voor het uitoefenen van zijn functies bewoonde hij geregeld zijn huis in de
Diezerstraat in Zwolle, het latere Provinciehuis.
In 1764 verbouwt hij Oldruitenborg, en begint met het aankopen van allerlei
stukken grond, die uiteindelijk het huidige landgoed Olruitenborgh zouden gaan
vormen. In 1775 werd een weidekamp aan de Groenestraat tussen de havezate
Nijerwal en de Oude Molenberg aangekocht evenals de boomgaard achter de
Toutenburg, in 1782 gevolgd door de koop van de hof van de Toutenburg met
plantage, hoveniershuis en nieuw getimmerd bouwhuis.
Op 25 mei 1786 is Arent baron Sloet van Tweenijenhuizen, Oldruitenborgh,
Hagensdorp en Ter Heyl in Vollenhove op 64-jarige leeftijd overleden.
Kort na de boedelscheiding op 3-1-1789 volgde het huwelijk tussen de 39-jarige
vrijgezel Willem de Lille en de 48-jarige weduwe van Arent Sloet. Deze weduwe
kreeg de helft van de nalatenschap toebedeeld, waaronder havezate Ter Heyl bij
Roden die Arent in 1783 had gekocht. Arent Sloet en Willem de Lille kenden
elkaar. Niet alleen uit de 'politieke wereld' van Vollenhove en Steenwijk, maar
ook door financiële transacties. Stroink noemt Arent Sloet als 'huisbankier'.
Genoeg om aan te geven dat Arent, Johanna en Willem al langer oude bekenden
waren, resulterend in de aanhef van de akte van boedel-scheiding van 3 januari
1789, waarin Johanna wordt 'geadsisteerd met haaren bruydigom de heer en mr. W.
de Lille als H.H.W.G. verkooren momboir'.
De zes kinderen waren naar de regels van die tijd nog minderjarig. Op de tweede zoon Anthony, geboren in 1769, zal Willem, die, zoals we reeds zagen al jarenlang omging met de familie Sloet. wel invloed hebben gehad. Anthony was de enige in zijn familie, die patriot werd en in 1795 tot de Provisionele Representanten van het volk van Vollenhove behoorde, in het stadsbestuur zat en provinciaal afgevaardigde was. Het is niet onwaarschijnlijk dat hij aan deze omstandigheden zijn benoeming in 1797 tot ontvanger-generaal van de Generaliteitsloterij als 'burger' Sloet te danken had.
De zoons Sloet gingen zich kort na de boedelscheiding vestigen op de hen
toebedeelde havezaten in Vollenhove. De boedelscheiding dateert van 3 januari
1789, en reeds op 25 oktober 1789 trouwde de oudste zoon Coenraad Willem op
22-jarige leeftijd en vestigde zich op het oudste Sloeten-bezit in Vollenhove, Tweenijenhuizen. De tweede zoon Anthony trouwde als 21- jarige op 8 juli 1790 en
ging op Oldruitenborgh wonen. De beide oudste dochters trouwden respectievelijk
in 1790 en 1791, zodat er heel wat bruiloften waren te vieren na het huwelijk
van Arents weduwe met Willem de Lille in januari 1789.
Anthony
Sloet vergrootte met afbraak van de Toutenburg het huis Oldruitenborg. Hij
completeerde het landgoed door de aankoop van de havezaten
Benthuis en Nijerwal
rond 1800. Het zal zijn reden wel gehad hebben, dat de magistraat op 28 maart
1803 besloot te laten omroepen dat ieder zich zal hebben te wachten om op de
Rutenburg zich te begeven bij een boete van een goudgulden ten voordele van de
armen.
In 1808 vroegen Arrien Mooiweer en Jan Arends Sink als pachters van de Koningstiende van het land van Vollenhove deze tiende aan de heren Sloet tot Oldruitenborg, van het gehele erve Krulhof en het halve erve Vrij(t)hof aan de westzijde, voor zover die landen met koren bezaaid waren en zij volgens hun tiendregister daarop aanspraak meenden te hebben. De heren Sloet weigerden te betalen, omdat zij die landen pachtvrij hadden gekocht.

De Koningskamer, één van de vertrekken in de havezate, wordt zo genoemd
omdat in 1809 koning Lodewijk Napoleon, als zodanig benoemd door zijn broer, de
Franse keizer Napoleon, bij zijn bezoek aan Vollenhove op Oldruitenborg
logeerde. Lodewijk Napoleon, die resideerde op paleis 't Loo bij Apeldoorn, was
populair onder de bevolking. Een vers in het archief van Marxveld vertelt van dit bezoek:
"toen eens de Dwingland van Euroôp, / Zijn Schepter allerwege voerde, / En
ook ons Vaderland beroerde, / Was 't uitzigt duister - klein de hoop; / Doch
toen 't gezag van Nederland, / Aan Lodewijk werd opgedragen, / Verbeidde men
meer blijder dagen, / En waande 't roer in betre hand" enz. Men ziet de
stoet aankomen en de boeren op Ambt Vollenhove stegen te paard, maar
"Helaas! toen vreugde stijgt ten top, / de koning de havezaath bereikte, /
Waar Sloets Tweenieuwenhuizen prijkte, /
Daar wendt de stoet op een galop, / Regtsom en rijdt door heel de laan, / Trots Vollenhove's feestgezangen, / Zal
eerst Blokzijl 't gezigt ontvangen, / Van 's Vorsten Glorierijke baan".
Reeds viel het schemerlicht toen men de stoet weer zag aankomen. Men laat op de
Vismarkt de welgevulde koffiepotten staan, maar wat een ramp, het
illuminatielicht werd uitgedoofd door een zware sneeuwbui en de stad lag in het
duister. "De vorst rijdt echter door de stad, / Heeft ligt de wil voor daad
genomen, / En is reeds veilig aangekomen, / Waar men hem lang te wachten had; /
Oldruitenborgh! dat heerlijk oord! / en de enige plek van het lustwaranden /
Daar slechts kan een monarch belanden / Gelijk 't dien hoogen rang
behoord". Daar rijdt de Koninklijke stoet door 't groene hek over
schelpenwegen en stijgt uit., De Magistraat was ook ter verwelkoming aanwezig.
"Een enkele gang langs 't oeverzand, / 't Gaf aan ons dierbaar Vollenhoven
/ Wat sinds de tand des tijds kwam roven / Een vissersbrug nabij het
strand". Hieruit blijkt, dat het vers van latere dagtekening is.
Op het raadhuis werd aan Lodewijk Napoleon de erewijn aangeboden, volgens overlevering in een zogenaamde baardmanbeker of kruik, in 1894 door O. Th. Baron Sloet tot Toutenburg gelegateerd aan het Provinciaal Museum van Overijssel te Zwolle. Deze beker is van Keuls aardewerk met zilveren voet, hol aan de hals en stelt voor een ridderfiguur met vederhoed en wambuis, vermoedelijk de kardinaal Bellarmine. Het veelkleurig geglazuurde voorwerp is 58 cm hoog en er staat op: Pelgerum Hagen 1595 Johan Hagen. Tussen 15 en 95 een gedeeld wapen: Hagen en Van Welvelde. Het gaat hier om de drinkuit die op zeker moment in gebruik is genomen door het St. Antoniusgilde, de bestuurders van het
St. Anthoniegasthuis. Na de opheffing in 1740 werd de beker op het stadhuis bewaard.
In Oldruitenborgh huwden op 15 juni 1810 Hendrik Jan van der Wijck en Samuelle Theophile Besse Gansneb genaamd Tengnagel. Haar ouders waren Anton Zwier Gansneb genaamd Tengnagel tot den Bonkenhave en Henriëtte L. M. le Vaillant, zuster van de vrouw van Anthonie Sloet.
In 1818 kreeg Anthony opnieuw hoog bezoek. Ditmaal van koning Willem 1 en prins Frederik der Nederlanden. Zij werden door hun gastheer op Oldruitenborgh onthaald op een 'zeer gedistingeerd' diner.
Uit het archief van Oldruitenborh blijkt dat op 3 februari 1821 een stuk grond werd verkocht, zijnde tienbaar onder de Koningstiende, gelegen in de Zuurbeek, genaamd de Woerte.
Aan Anthonie Sloet tot Oldruitenborg werd door Schout en assessoren van het
Schoutambt Vollenhove 19 februari 1821 op zijn verzoek toegestaan om het toen
over de westzijde van de Bagijnenkamp gaande voetpad, vanouds het Franse pad
genaamd, te doen verleggen naar de oostzijde van deze kamp, aangekocht van de
erven van Dedem tot den Berg, langs de gracht en scheiding van de Rollecate
onder verplichting op de tijdelijke eigenaar van deze kamp rustende dat pad ook
daar ter plaatse te onderhouden zoals van ouds (archief Oldruitenborg).
Bij de verdeling van de nalatenschap van Anthonie Sloet tot Oldruitenborg bij
acte van 12 oktober 1853 ontving zijn zoon Anton Henri o.a. Oldruitenborg en de
ruïne van de Toutenburg. De naaste omgeving put ik uit een lijst van de
bezitting uit 1853, aanwezig in het archief van de Oldruitenborg. Alles Sectie
G. achter de Haare: no. 276 allee van Toutenburg; Oldruitenborg: 315
Bagijnekamp, 316 gracht daarlangs, 317 Engelse bosch, 318 het eilandje (ruïne
Toutenburg), 319 gracht daarom, 320 hotel Ferrier (stond op het eind van de
Achtersteeg of Groenestraat oostzijde), 321 kampje achter het huis, 322
Toutenburgs hof en bos daarbij. Stad Vollenhove: Sectie A no. 87 huis van W.
Kesseling, 88 idem van D. Rozeboom, 89 tuin daarbij, 90 kampje aan de
Achtersteeg, 91 een stuk van de grote gracht, 92 gracht langs de Donkere Allee
(is laan vanaf de beelden Adam en Eva naar de ruïne Toutenburg), 93 vaste
planten tot de Molenberg (d.w.z. de oude molenberg nu onderdeel van het park),
94 huis en erf (tuinbaas) 95 oranjerie, 96 Oldruitenborgh, 415 Broederij (voor
eenden), 416 Benthuis (de vroegere havezate), groot 9 roeden en 40 ellen, 417
Benthof, groot 2 roeden en 90 ellen. De laatste drie nummers vroeger 97, 98 en
99.
In de lijst van 1853 van de vaste goederen, behorende tot de nalatenschap van
wijlen A. Baron Sloet tot Oldruitenborg staat ook genoemd het huis en erf en
weiland naast de Berg, bewoond door Joh. Post, genaamd Vrijthof en Krulhof.
Deze Anthony Sloet van Oldruitenborgh was burgemeester van Stad en Ambt Vollenhove. Willem Abr. van Laer en Mr. J. H. van Roijen, beiden te Zwolle, voor zich en als gemachtigden van alle erfgenamen van de heer J. H. van Engelen, overleden te Zwolle, verklaren op 16 september 1855 ontvangen te hebben van Jan Willem Baron Sloet van Oldruitenborg, W. J. Ph. Baron Sloet van Toutenburg en A. H. Baron Sloet van Oldruitenborg f. 600 ter voldoening der koopsom van een tiende, gaande uit hun landerijen, gelegen te Ambt Vollenhove, bekend onder de naam van Koningstiende of van Engelentiende, zijnde daardoor afgekocht.
Bij
olografisch testament van 22 december 1869, verleden voor notaris J. J. Roijer
te Zwolle, werd zijn zoon Antony universeel erfgenaam, behoudens enige giften,
o.a. aan de bewaarschool Thabita, zo die bij zijn overlijden nog bestaat. Verder
aan Henriëtte Spit, die sedert 1855 in zijn dienst was, indien zij bij zijn
overlijden nog deel van zijn huisgenoten uitmaakt, aan elk van zijn dienstboden
en ook aan de tuinbaas.
Door notaris L. Volkers te Steenwijk vond kort na het overlijden van Anthony Sloet op 13 juni 1935 een veiling plaats van blauw Chinees en gekleurd porselein, Delfts aardewerk en vele antiquiteiten, nagelaten door de heer Anthony Baron Sloet van Oldruitenborgh. Uit het veilingboekje: no. 137 kan met schaal gedecoreerd met het wapen Gansneb genaamd Tengnagel, Haags porselein, 301 twee bronzen kanonnen met wapen Gansneb genaamd Tengnagel, 302 twee donderbussen op voetje, 325 schilderij: Gezicht op 't Zwartewater, getekend Heemskerk van Beest, 327 schilderij: Dame met hond bij cipier in gevangenis, getekend 288 P.T. van Wijngaerd 1847, en in de Koningskamer: 330 schilderij naar Hondecoeter, Pluimvee met schuur op achtergrond.
De laatste bewoners van het huis waren het gezin van dijkgraaf Albertus François Stroink, die gehuwd was met een dochter van Anthony, en zijn zwager Anthony Frederik baron Sloet van Oldruitenborgh. Deze laatste, in Vollenhove beter bekend als jonker Tony, ging met zijn huishoudster Geertien wonen in de vroegere tuinmanswoning.
In de zomer van 1946 boden de erven Sloet van Oldruitenborgh het landgoed
Oldruitenborgh te koop aan. Burgemeester en Wethouders van de in 1942 gevormde
Gemeente Vollenhove (Stad en Ambt samen) lieten bekijken of de daarbij behorende
havezate geschikt was om tot gemeentehuis in te richten. Dat bleek het geval te
zijn en de vraagprijs was alleszins redelijk. De gemeenteraad besloot daarop het
landgoed aan te kopen. Bij raadsbesluit van 17 februari 1947 (notariële akte is
van 30 september) werd Oldruitenborgh door de gemeente aangekocht voor 75000
gulden. Het
landgoed was ruim acht hectare groot. Behalve de havezate
Oldruitenborgh met aangebouwde boerderij (bouwhuis) omvatte het een schuur
(koetshuis), oranjerie, een boswachters- en arbeiderswoning, een druivenkas,
tuingrond, boomgaarden, bouwland, een park met vijver, ruïne van het slot
Toutenburg en achtergelegen allee.
De havezate Oldruitenborg werd tot gemeentehuis ingericht, tevens voor onderdak
van de conciërge en één of meerdere ambtenaren.
Op zaterdag 17 januari 1948 werd Oldruitenborg feestelijk ingewijd. Een
dochtertje van wethouder G. J. Roebers bood de Commissaris der Koningin een
schaar aan, om een lint door te knippen, dat voor de ingang van Oldruitenborg
was gespannen. Een dochtertje van burgemeester Crommelin bood de echtgenote van
de Commissaris bloemen aan. De Commissaris memoreerde deze woorden: "Een
volk, dat zijn geschiedenis vergeet, is niet waard te leven" en zei o.a.
"door de Noordoostpolder gaat Vollenhove, na een vissersplaats te zijn
geweest een nieuwe toekomst tegemoet. De polder brengt Vollenhove een nieuwe
taak en nieuwe mogelijkheden".
Namens de erven Sloet van Oldruitenborg werd op 9 april 1947 door de gemeente de boomgaard en de moestuin voor drie jaren te huur aangeboden.
In 1964 werd Oldruitenborg na een grootscheepse verbouwing, waarbij de boerderij bij het huis werd betrokken en o.a. de oude politiecellen verdwenen, feestelijk heropend op een soortgelijke wijze als in 1948. Als aanbieders van schaar en bloemen traden nu op Douwe Albertus Krol, het zoontje van de burgemeester, en Jeanet van Heerde, dochtertje van raadslid Egbert van Heerde.
In 1973 werd Oldruitenborg door de gemeentelijke herindeling gemeentehuis van Brederwiede. De herindeling in 2001 maakte daar een einde aan.

Vanaf 2005 vormt de havezate de functie als
feestlocatie en conferentieoord. In
2007 wisselde het opnieuw van eigenaar, die het opnieuw verbouwde naar eigen
inzicht. Op 16 september 2008 werd het door deze eigenaar, Chienus Schokker,
feestelijk heropend. Hij
exploiteert met zijn broer, ondersteund door 15 medewerkers, de havezate met de bijgebouwen koetshuis, het nieuwe
Benthuis en de
voormalige oranjerie ten behoeve van bijeenkomsten voor bedrijven maar ook voor
huwelijksfeesten. De trouwzaal blijft dus in gebruik en dit deel van park Oldruitenborg, dat weliswaar niet meer voor het publiek toegankelijk is, een
romantisch decor voor trouwpartijen. Het koetshuis werd hiervoor in 2005
speciaal verbouwd tot bruidssuite.
Het hoofdgebouw onderging in 2007 opnieuw een ingrijpende verbouwing en kreeg elf nieuwe, luxe gastenkamers, genoemd naar karakteristieke plekjes in Vollenhove. Met deze hotelkamers mikt Oldruitenborgh ondermeer op meerdaagse conferenties en trainingen. De comfortabele kamers worden, net als het Benthuis en Koetshuis, ook verhuurd als hoogwaardige bed & breakfast.
Hieronder een beschrijving van het interieur van de havezate Oldruitenborgh
door Westra van Holthe uit 1948. Toen was het huis geheel wit gepleisterd, en
werd in de literatuur beschreven als een onbelangrijk gebouw.
Aardig vond hij de ruime hal met drie wapenborden, twee van het geslacht Sloet
en een van het geslacht Gansneb genaamd Tengnagel. Allen met schildhouders enz.
De beide borden van Sloet, met op een zilveren veld een rode wassenaar, dragen
het kruis van de ridderlijke Duitse Orde. Eén daarvan wordt links en rechts
geflankeerd door een roedenbundel. Dit bord heeft mogelijk toebehoord aan Arend
Stoet tot Tweenijenhuizen.
Boven de deur naar de raadzaal hangt nu de achttiende-eeuwse bel die voorheen de
achtergevel van het huis sierde en destijds gebruikt werd om het buitenshuis
werkende personeel te waarschuwen.
Tegenover de voordeur in de hal bevond zich een marmeren steentje, waarop de
gemeentewapens Urk en Vollenhove, waaronder het inschrift: Urk dankt Vollenhove
/ voor de trouwe zorg / zijn gevangenen bewezen / onder Duitsche tyrannie / in
November 1944. De steen is later verdwenen, waarover in de jaren 1990 nog enige
commotie is geweest vanuit Urk.
Rechts van de hal de secretarie, de vroegere biljartkamer waarnaast de vroegere
eetkamer en daarachter in 1948 een badkamer. De vloer was betegeld. Verder een
trap van tegels afgaande in bad, ook van tegels. Daarachter, dus in de lengte
van het huis een boerderij en schuur, alles onder één dak. De kamer links van
de hal is raadszaal geweest, later trouwzaal. De bij de inrichting van het
museum te Zwolle in 1882 van de gemeente in bruikleen ontvangen gotische
lichtkroon, bestaande uit een gevlochten hertengewei, siert sinds 1948 deze
zaal. Aan de wand twee geschilderde portretten van een Sloet tot Oldruitenborg
en echtgenote. In de oostelijke muur naast de schoorsteenmantel een doorgang,
die leidde naar de iets hoger gelegen Koningskamer, waaronder een kelder met
nisjes in de wand, uitziende naar het zuiden met toegang in de hal de
burgemeesterskamer.
In deze kamer hingen toen een vaandel en herdenkingsbord van de herstelling van
de rust en oude constitutie in 1787. Tegenwoordig hangt dit Oranjevaandel van
Vollenhove recht tegenover de buitendeur. Op het vaandel staat een oranjeboom
met het stadswapen en het devies 'VIGILATE ET ORATE' (waakt en bidt) afgebeeld.
De stad kreeg het in 1787 door enkele burgers en edelen geschonken ter memorie
van de 'gelukkige herstellinge der ruste en oude constitutie'. Het houten bord
vermeldt de namen van de schenkers.
Burgemeester Mr. W. C. ten Cate heeft indertijd enige museumstukken als oude
akten, zegelstempels, afbeeldingen van Vollenhove enz. verzameld. Deze waren in
het oude gemeentehuis in vitrines ondergebracht.
In 1947 was aan de westkant een boerderij met de havezate verbonden. In een met
die boerderij weer verbonden schuur (parkzijde) zaten twee steentjes Anno 1801,
hetgeen slaat op een verbouwing (de vergroting met het puin van de Toutenburg?).
De keuken herinnert met zijn betegelde wanden en schouw en door zijn antieke aanrecht en pomp met glimmende messing kranen nog het meeste aan de tijd waarin het huis werd bewoond door de familie Sloet.
Om het huis in westelijke richting te kunnen uitbreiden, werd in 1962 het grote, dwars staande bouwhuis uit de 18e eeuw gesloopt. De verlengde gevel ten westen van de ingangspartij kreeg acht vensters van gelijke vorm. Door de verwijdering van het bestaande onregelmatige patroon van vensters en deuren ontstond een zeer langgerekt en ietwat saai gevelfront. Het vertrek ten westen van de hal werd met een raambreedte vergroot door de westelijke muur te verplaatsen. De ontstane ruimte werd ingericht tot raadszaal. De secretarie kreeg een plaats in het westelijke deel van de havezate. Aan de zijde van de Bentstraat kreeg het gemeentehuis een ingang voor bezoekers.
De foto's in dit laatste deel zijn uit 2005, van de toenmalige eigenaar.