Bij
de Grote of Bovenkerk ligt de
binnenhaven met daarin een eiland. Hier stond ooit
een slot. Deze plek werd nog tot in de vorige eeuw wel het rondeel of het fort
genoemd. Er is niets meer te vinden van de oude bouwwerken: het huidige maaiveld ligt zo'n
twee meter lager dan oorspronkelijk, veel grond is weggegraven. De oorspronkelijke slotgracht werd verbreed tot vissershaven en is nu jachthaven. Het terrein van het kasteel werd industrieterrein voor de visverwerking, woonwijk en nu recreatieterrein voor overblijvende watersporters.
Het Oldehuis werd gebouwd door de Utrechtse bisschop Godfried
van Reenen (1156 - 1178) ter beveiliging tegen de invallen van de
Stellingwerver Friezen. De historische schrijver Dumbar weet te vertellen, dat in 1165 "dat huys te
Vollenho tegens de Vriesen getimmert is". Van der Aa (aardrijkskundig
woordenboek) stelt dat dit kasteel pas in 1178 door genoemde bisschop gesticht
is. Het kasteel kan slechts van zeer bescheiden afmetingen zijn geweest. Het was
een voorbeeld van een "château á motte" en van aanzienlijk geringere
omvang en hoogte dan het kasteel in zijn uiteindelijk gedaante.
Toch moet er daarvoor ook al bebouwing zijn geweest. Vlak naast de latere
slotgracht werden de resten ontdekt
van een kapel, in de eerste plaats bedoeld voor de bisschoppelijke dienstmannen.
In ieder geval kan deze kapel reeds
rond het jaar 1100 hebben bestaan. De plaats Vollenhove wordt voor het eerst
genoemd in 1132, ongetwijfeld hebben de inwoners van het snel groeiende stadje
toen al een parochiekerk gehad die gewijd was aan St. Nicolaas. Het was echter,
gezien de gebruikte materialen, geen gewone parochiekerk. De uitbreidingen
wijzen op een vermeerdering van gelovigen gedurende de l2de eeuw. Men zou
hieruit kunnen opmaken dat de bisschoppelijke kapel al spoedig tot parochiekerk
werd verheven. In ieder geval zullen de drie uitbreidingen van deze kapel die
bij opgravingen werden vastgesteld nog vóór het einde van de l2de eeuw hun
beslag gekregen hebben. Naar het schijnt bleef de situatie in Vollenhove de hele
l3de eeuw stabiel. In de volgende eeuw waren de uitbreiding van het
bisschoppelijk kasteel en de nieuwe aanwas van het inwoneraantal aanleiding tot
het afbreken van het oude kerkje en de bouw van de huidige
hallenkerk.
De
eerste bebouwing werd gevolgd door een andere bouwperiode, daar de bisschop van
Utrecht veel te lijden had van invallen van de Stellingwervers uit Friesland.
Een zeer oude tekening, waarschijnlijk afkomstig uit de dertiende eeuw, toont
een ingewikkeld samenstel van gebouwen op dit eiland. In de eerste plaats is een
gekanteelde weermuur met uitspringende halfronde flankeringstoren te
onderscheiden. Deze vesting staat bekend als het 'blokhuis', gebouwd met
afkomend materiaal van de eerste ronde burcht van Kuinre.
Achter deze burcht staat een kapel of een woning, dat is niet duidelijk. Aan de
andere zijde is een hoog huis het belangrijkste bouwwerk. Ter hoogte van het
zadeldak is de muur voorzien van kantelen. Hierop sluiten nog enige lagere
gebouwen aan. Het geheel is van een lage ommuring voorzien, welke muur steil
afloopt naar een strook grond voor de gracht. Ten tijde van de bouw was de
latere Zuiderzee nog niet gevormd. In 1170 deed een geweldige watervloed de
golven van de Zuiderzee uitlopen tot voor de poorten van Vollenhove.
In
de loop der tijden heeft deze sterkte talrijke aanvallen moeten doorstaan, want
zij was de sleutel tot het omliggende land en de daarin liggende steden. Deze
steden kregen dan ook bij een in 1450 gesloten verdrag invloed op de benoeming
van de kastelein of de slotvoogd van Vollenhove. De eerste die als zodanig wordt
genoemd, is Pelgrim van Putten in 1270: 'Peregrinus Miles de Putten, castellanus
in Vollenho'. De bewaking van het slot was steeds toevertrouwd aan de zorgen van
deze kastelein.
Uiteraard hadden de bisschoppen talrijke mensen in dienst, die voor het
onderhoud en de verdediging van de sterkte moesten zorgen. In een akte uit de
12e eeuw wordt gesproken over 'torenmans, den portier, wachters en de
gardeniers', terwijl ook steeds meer burgers en edelen zich hier vestigden.
De allereerste adellijken waren de 'borgmannen', hun havezaten vinden we terug
onder de namen Marxveld, Oldhagensdorp, Oud-Plattenburg,
Westerholt en Oldruitenborg.
Van twee borgmanfamilies is niets tastbaars terug te vinden: Van Putten (met een
groot bezit genaamd de Puthof, aan de zuidkant van de burcht) en
Radinc (met een
groot bezit aan de oostkant van de burcht, ten oosten van 'de kamp').
De Friezen uit Stellingwerf waren de belangrijkste vijanden. Ze vielen het kasteel aan in 1306, 1309 en 1311. Over deze jaartallen wordt overigens door historici onderling getwist, ook het aantal daadwerkelijke belegeringen wordt betwijfeld, vermoedelijk waren het er twee.
Het eerste beleg staat vermeld in de 'Boome Genealogiek Vollenhoviana'.
'Als de Fries het slot beleghert hebbe in 't jaar 1306 heeft hij (Herman van
Vollenhoven) lanck en dapperlick voor Bisschop Guy ghehouden tot het ontzet wert
en hat daertoe al syn lant en goet verpant en verkoght. Guy loofde grotelix syn
goet belyt en maekte Hermannus Ridder, segghende als hy hem sloeg door Grave
Willem: 'Erat fortis constans et fidelis',' daerop Hermannus antwoordde: 'Semper
fidelis, fidelis usque ad mortem', en settet op syn waepen, sooals by ons nogh
gebruickelijk is. Guy versprack hem al syn goet te sullen lossen, 't geen niet
is gedaen, sullix dat Hermannus ryck in eere maar arm aen goet storf vol
droeffenis om Guys ondanck in 't jaar 1310'. Volgens de overlevering zouden er
wel 500 Friezen gesneuveld zijn.
In
1309 werd het slot door de Stellingwervers belegerd en zij voerden een uit drie
verdiepingen bestaand houten stormgevaarte tegen het Slot aan. Uit dit gevaarte
gooide men met stenen, schoot met pijlen en streed met heirbijlen. Het was
omkleed met ossehuiden. Toen de belegerden versterking kregen en het gevaarte in
brand raakte moesten de Stellingwervers de aftocht blazen. Overigens werd
tijdens de belegering ook en passant de (Grote)
Kerk geplunderd.
Toen in 1311 de Friezen van Stellingwerf door bisschop Guy, onder wie ze
stonden, met de ban bedreigd waren die in 1310 hun werd opgelegd, kwamen ze
terug en belegerden ze voor de tweede maal het slot te Vollenhove bij
afwezigheid van de bisschop. Bisschop Guy schakelde toen zijn neef Willem, Graaf
van Holland, in voor hulp.
In 1313 werden uitspraken gedaan over de gerezen geschillen tussen bisschop Guy
en de ingezetenen van Stellingwerf en Scoterwerf, waarbij de bisschop onder meer
schadevergoeding vorderde wegens het beleg van zijn kasteel te Vollenho en
wegens brand en roof en vernieling van bomen, gepleegd in het land van
Vollenhove.
Nadat ridder Herman van Vollenhoven door bisschop Guy op
schandelijke wijze was benadeeld was het kasteleinschap niet meer zeer begeerd.
Het is dan ook niet te verwonderen, dat bisschop Guy in 1313 zegt dat er geen
kasteleins meer te vinden zijn. Na drie jaar zoeken, slaagt hij er eindelijk in
er een te benoemen, die op het castrum (kasteel) wil wonen. Hij geeft aan een
zekere Hermannus Vleisch, schout van Vollenhoven, en aan zijn mannelijk
nageslacht een stuk grond direct bij het slot als burgleen: 'unam
aream pro domo construenda in eadem ad domicilium suum habendum in suburbio
ipsius castri ... quindecim libras nigrorum Turonensium aanuatim de gruta
Campensi percipiendas, in feudum castrense'.
De
Utrechtse bisschoppen hielden hier vaak verblijf, hetgeen blijkt uit een groot
aantal stukken die hier door hen ondertekend zijn. Bij het verlenen van
stadsrecht door bisschop Johan van Nassau aan Genemuiden in 1275, in 1346
bevestigd, gaf de bisschop aan Genemuiden zijn veerstal met alle toebehoren mits
de stad hem daarvoor jaarlijks 60 ponden was op zijn huis te Vollenhove zou
leveren.
Op het Oldehuis werden meesttijds de zogenaamde Kamerklaringen gehouden, een
soort gerechtshof van de bisschop.
De geschiedenisboeken wijzen uit dat om het bezit van het Slot meermalen heftig
gestreden is en ook dat de bisschop het in pand gaf aan zijn borgen in 1368.
Bisschop Floris van Wevelinkhoven
(1378-1393) was er veel aan gelegen zijn macht in Overijssel, met name tegenover
de edelen, te verstevigen. Voor Vollenhove, zijn zomerresidentie, betekende dat
onder meer aflossing van schulden en versteviging van het bisschoppelijke
kasteel, het Oldehuis. De klaringen, de hoven van beroep, werden onder Floris
van Wevelinkhoven in deze periode eveneens samengevoegd. De bisschop zegde toe
dat hij dit gerecht twee maal per jaar bijeen zou roepen 'eens bij gras ende
eens bij stroo'. Het zou verder te Deventer zitting houden.
De
geschiedschrijvers zijn het er niet over eens of bisschop Frederik
van Blankenheim op 9 oktober1423 hier overleed. Wel staat vast dat bisschop Rudolf
van Diepholt hier in 1433 tot bisschop van Utrecht werd gewijd en hier
overleed op 20 maart 1455.
De kelders van dit kasteel hebben gediend als gevangenis voor geestelijken van
slechte levenswandel. Zo zijn berichten bekend uit 1351, 1391, 1501, 1554 en
1555. Later werden deze kerkers gebruikt voor andere misdadigers.
In 1383 vond een ruiling plaats tussen bisschop Florens en het klooster van St.
Odulf te Staveren waarbij de bisschop het patronaat van de St. Odulfs vicarie
(altaar) verkrijgt op het kasteel te Vollenhoe en van de kerk te Emelwerde
(Schokland).
Uit een rekening van de rentmeester van Vollenhove van 1504 / 1505 en één van
de drost van Vollenhove van 1507 / 1508 blijkt iets over de slotkapel en de
inrichting van het slot. In de voorburg was een lange en een hoevemeestersstal
met pannen gedekt, terwijl het slot met leien gedekt was. Er was een bottelarij
en een melkkamer. Een glazenmaker uit Kampen keek de glazen na in de kapel, op
de ijzeren poort, in de snijderij, de kamer van de bisschop, op de wyndelsteyn
(stenen wenteltrap in een toren), op de schrijfkamer, zilverkamer, op de
kinderkamer, op het bakhuis en op de voorpoort. Schoorstenen werden gereinigd in
de keuken, in de zaal, in 't stoeve (verwarmd vertrek) en op de toren. In de
voorburg was een nieuwe poort gemaakt. In de ridderkamer op 't Slot,
drostenschrijfkamertje, schuttenkamer (kamer voor de wacht), vlees- en
bierkelder, penterije (broodbakkerij) en gevangenis waren werkzaamheden
verricht.
Door
gemachtigden uit de Ridderschap van Salland, Twente, Vollenhove en de drie
steden (Kampen, Deventer en Zwolle) werden op 9 augustus 1515 op het Slot van
Vollenhove de verbeteringen op het Landrecht van Overijssel bezegeld.
Het binnenplein van het slot en het gedeelte daaromheen werd onder Borchard van
Westerholt aanzienlijk gemoderniseerd. Van Westerholt, een Westfaalse edelman,
verwierf zich een plaats binnen de Vollenhoofse ridderschap door zijn huwelijk
in 1513 met de rijke erfdochter Roelofje de Vos van Steenwijk. Van 1521-1540 was
hij drost van Vollenhove en resideerde op dit slot.
Op 20 juni 1557 werd aan Johan Sloet, de drost, ontslag verleend als kastelein
en bewaarder van het huis te Vollenhove en aan Johan
de Ligne, graaf van Aremberg en stadhouder van de noordelijke Nederlanden
voor keizer Karel V en diens opvolger Philips II vergund het huis en slot van
Vollenhove alleen te bewonen en te bewaren.
In 1581 werden de stad en het kasteel door Sonoy voor de Staatsen veroverd. Het
gebouw was daardoor zo verzwakt, dat het vrijwel onverdedigbaar was (evenals het
andere kasteel, de Toutenburg) en de Overijsselse Staten vonden dat het maar afgebroken moest
worden.
Toch besloten Ridderschap en Steden op 19 maart 1610 na een betoog van de drost
van Vollenhove, dat het Oldehuis door de laatste storm danig in gevaar gebracht
was, dat er voorzieningen voor herstel zouden worden getroffen. Het werk viel
tegen, zodat het College op 11 september 1610 meer geld beschikbaar stelde.
Meermalen
werd het Oldehuis door de opvolgende landdrosten van het kwartier van Vollenhove
bewoond. Zo overleed op het huis te Vollenhove op 2 december 1638 de drost van
Vollenhove, Wolf Bentinck tot Werkeren.
De Gildebrief van de kramers te Blokzijl van 1649 werd gegeven op het Oldehuis;
ook die van de schoenmakers aldaar van 1702 enz.
Op een ongedateerde kaart heeft het eiland waar het Oldehuis op stond de vorm
van een ellips, maar van een indrukwekkend kasteelcomplex was toen geen sprake.
Langs de walkant staat een op een palissade lijkende verhoging, met hier en daar
een huis, een soort vierkante donjon en een bouwwerk, dat er als een kapel
uitziet.
In de aanstellingen tot drost van het drostambt Vollenhove en kasteleinschap van
de heerlijkheid Kuinre o.a. van Johan van Echten, de Olde 1611 en Johan
van Raesfelt 1619 werd hun een stuk land tussen het Oldehuis en de zee ten
gebruike gegeven, groot omtrent één morgen.
Op de landdag van Ridderschap en Steden van 30 mei 1620 werd op een vertoog van
de drost besloten dat de gevangenis of kelder op het Oldehuis, genaamd "de
Pijper", onder dak zal worden gebracht om dat die vrij vervallen is.
Omstreeks 1747 stelde Boudewijn Sloet in de vergadering van Ridderschap en Steden voor, om behalve aan de Prins van Oranje hun stem te verlenen ook aan hem het Oldehuis ter beschikking te stellen. Tot een Overijsselse residentie van de Oranjes kwam het echter niet.
Voor de veiligheid werden op het kasteel soldaten gelegd, o.a. in 1621 en 1623.
Ridderschap en Steden beslisten op 20 maart 1625 tussen de Drost en de
Magistraat van Vollenhove, dat het Oldehuis niet valt onder de jurisdictie en
judicatie, dus rechtsgebied der stad. Uit de memoires van Eberhard
Philip Seidel blijkt, dat in 1749 het Garnizoensregiment Dragonders van
generaal Slippenbach uit Raamsdonk naar Vollenhove verhuisde, hij solliciteerde
naar de functie van hoboïst en verkreeg uiteindelijk onderdak bij een majoor
in de stad. Uit de notulen van de Municipaliteit van Vollenhove van 1795 en 1796
blijkt dat op het Oldehuis paarden van een eskadron Hollandse dragonders gestald
waren. Daartoe was vergunning verleend voorzover de verwalterdrost die stallen
niet nodig had. Tevens werden aldaar ingekwartierd manschappen van het Bataafse
of Hollandse eskadron. Ook in1797 was het een komen en gaan van huzaren op het
Oldehuis. Door Gedeputeerden van Overijssel werd op15 januari 1795 op het
verzoek van een officier van het Corps van Damas voor 40 zieken van dat corps
Vollenhove tot verblijf aangewezen en de drost opgedragen de nodige vertrekken
in het Oldehuis te doen gereedmaken en zij besloten de volgende dag dat deze
toestemming is verleend onder beding dat de cipier daardoor niet bezwaard noch
belast mocht worden.
Het slot was opgebouwd van zware muren, van buiten deels van tufsteen, deels van gebakken klei, van binnen gevuld met veldkeien en dichtgegoten met cement. De toren, van dezelfde constructie, was zo hoog dat hij bij helder weer vanaf het eiland Urk goed zichtbaar was. Omstreeks 1800 is de toren afgebroken.
Op
22 maart 1805 vond door de magistraat een verkoop plaats van juffers, delen,
kribben, stijlen, haverkisten enz. en een stal op afbraak, zoals toen op het
Oldehuis staande. De grond waarop de stal stond was geen eigendom van de stad en
werd niet mee verkocht.
In de vergadering van het Heemraadschap van Vollenhove van 20 november 1820 werd
gezegd dat er wat puin zal komen van de afbraak van de oude toren op het
Oldehuis, dat op de dijken gebruikt kan worden. Er zouden ongeveer 1000 - 1200
last puin zijn! De gouverneur van de provincie gaf op 23 juli 1821 toestemming
tot aankoop.
Jacob van Lennep, later een bekend schrijver, en zijn studievriend Dirk van
Hogendorp bezochten op hun omzwervingen door ons land ook Vollenhove en in hun
dagboek schreven zij: donderdag 10 juli 1823 de stad rondgewandeld en bemerkt,
dat men bezig was een nieuwe haven uit te graven. Dicht bij die haven zagen we
een groot oud slot met vervallen torens, omringd door een diepe en brede, droge
gracht. Het slot was toen ingericht als gevangenis. Daar binnengekomen, zagen we
op een groot binnenplein, omringd door hoge wallen en ingestorte gebouwen, aan
de achterzijde een kleine omrasterde plaats, waarbinnen gevangenen. Boven naar
de toren leidde een wenteltrap, waarvan elke trede uit één steen gebeiteld
was. Een andere toren werd ook beklommen en er werd gewandeld over gebroken
balken en muren.
Uit de raadsnotulen van 2 juni 1823 blijkt dat voor het graven van de haven
grond aangekocht werd vanaf de poort van het Oldehuis tot de palen rechtuit en
dat toen besloten werd tot het uitdiepen en verbreden van de gracht van het
Oldehuis. Een jaar daarvoor was al rijkssubsidie gevraagd voor het graven van
een kanaal van de slotgracht naar de zee.
Baron
R.W. van Middachten speelde een rol bij
de ontwikkeling van de nijverheid rond de visserij en de binnenhaven, die in
1824 gereed kwam. Behalve een haven werd ook een haringrokerij gebouwd. De baron
was eigenaar van deze bokkinghang.
In 1830 zijn door het aanleggen van de buitenhaven de brede grachten om het
kasteel direct met de zee in verbinding gebracht. In dat jaar honoreert de
Gemeente ook het Verzoekschrift van het College van Regenten van de Gevangenis
te Vollenhove om overname in de kosten van het herstel van de havenmuur met
gebruikmaking van puin uit het Oldehuis.
In de Geschiedkundige verhandelingen over Vollenhove 1831 van J. A. Baron de Vos
van Steenwijk staat dat in de muur bij de grote trap van het kasteel namen en
jaartallen uit het midden der 16e eeuw gevonden worden.
In het Oldehuis, dat vroeger tot gevangenis diende, is in 1841 een grote
katoenweverij en spinnerij gevestigd. In het gemeentearchief
bevinden zich diverse stukken betreffende het gebruik van het Oldehuis als
weverij door ondernemer E. Ekker c.s., het onderhoud en de veiling van het gebouw uit de
periode 1834-1855, met hiaten. Het gebouw was toen eigendom van het Ministerie
van Justitie. Verder gegevens uit 1841 over de calicot-weverij van E. Ekker
1841. Blijkbaar exporteert deze fabrikant ook naar Nederlands-Indië. In 1841
heeft hij 100 weefgetouwen in bedrijf!
De ruïne van het slot werd in 1854 door Domeinen verkocht aan Jr. van Swinderen
en wel voor afbraak voor f 5300. De notulen van de Gemeenteraad van 2 december
1847 vermelden nog dat voor het Oldehuis geboden was f 1000 en die van 5
februari 1849 vermelden dat dit bod verhoogd was tot f 2000. Aan het opruimen is
nog 4 jaar gewerkt. In het archief van Marxveld
is dit vers in dialect over die verkoop te vinden: Mos één van Vrieslands
riekste heeren / Ons 't brokkien brood verdistrueren? / Drie stukkies 's weeks
was 't altemet / Veur un gezin dan nog te vet? / 'k Was erg bevreesd reeds
sedert weeken / Dat men 't Oldhuus zal af goan breêken / Want, woar men 't
breêken niet en kent / Volno is 't slopen wel èwent. / Zoas een hond an 't bot
kan pluuzen / Zo vielen hier de heerenhuuzen / Schier ongemerkt in sloopers
haand. / En raakten zuuties an de kaant. enz.
Aan
de eigenaren van het terrein van het Oldehuis werd door de gemeente op 4
september 1855 toegestaan de weg naar de gewezen poort op te knappen en de
gaten, ontstaan door uitgraving der fundamenten der poort, te dichten.
In 1859 is het restant van dit gebouw voor het grootste gedeelte verkocht aan
enkele vissers, die bij de ontruiming van Schokland daar hun verblijf kregen.
In 1884 of 1885 is het grootste deel van het terrein vergraven tot vergroting
van de binnenhaven.
Een grote brand in 1899 verwoestte de woningen van de vissers op het eiland,
toen 'Het fort' genoemd in de volksmond, officieel heette het 't Oldehuysplein.
Boven twee deuren van het middengedeelte van het rijtje woonhuizen dat daarna
verrees op het fort waren steentjes met opschrift: "de eerste steen /
gelegd door / Dirk Klappe Dz. / 17 maart 1900," en: "de eerste steen /
gelegd door / Thijmen de Boer Tz. / 17 maart 1900". In het oostelijk
gedeelte van dit complex huizen was vroeger een garnalenkokerij.
In 1914 krijgt J. van Smirren vergunning
van de Gemeente voor het oprichten van een fabriek voor vis- en
groentenconserven aan het Oldehuisplein nr. 9, kadastrale sectie
A nr. 699. Vervolgens krijgt in 1915 de Weduwe O. van Gulik vergunning voor het
oprichten van een visrokerij aan het Oldehuysplein nr. 10a, kadastrale sectie A
nr. 774.
Het adres Oldehuysplein 130 was van de scheepswerf J. Kroeze, met een helling
die van het oorspronkelijke eiland een schiereiland maakte.
Eind
1920 kocht de gemeente van de firma Gombrun, een voormalig visconservenbedrijf,
hun gebouw op het Oldehuysplein. Op die plaats werden vijf noodwoningen
geplaatst. Het bouwrijp maken kostte f 1500, de bouw zelf werd begroot op f 6600
en voor de voorbereiding en de uitvoering werd f 100 begroot. De jaarlijkse
inkomsten zouden aan huur f 390 bedragen (f 7.50 per woning per week). De
bouwkosten bedroegen uiteindelijk ruim f 7000.
Voordat de noodwoningen gebouwd konden worden, moet er eerst nog een lading zout
weggehaald worden. Het moest opgeslagen worden in de kelders, maar dat had veel
voeten in de aarde. Uiteindelijk bleek J. van Gulik, reder en visverwerker,
geïnteresseerd in het zout.
Eén van de toekomstige bewoners was Jan Hoogenkamp, een man met een weekinkomen
van f 6. Zijn vrouw had geen inkomsten en een zoon van zesentwintig verdiende f
5 per week. Verder had de heer Hoogenkamp nog een dochter van twintig en een
dochter van zestien. Bij dit karige gezinsinkomen van f 11 is een huur van f
7.50 een behoorlijke aanslag.
Dat het leven niet altijd gemakkelijk was in deze kleine gemeenschap (15
gezinnen) op zich blijkt uit krantenartikelen uit 1925 en 1956.
Het Nieuws- en Advertentieblad oftewel de 'Sluziger' van 5 maart 1925 meldt:
Maandag j.l. had op het Oldehuysplein (het z.g. Fort) alhier een
woordenwisseling plaats tussen twee huisvrouwen over het spannen van een
drooglijn. Zekere T. Rozeboom, een oude man van ruim 86 jaar, eveneens daar
woonachtig, bemoeide zich er ook mede, door met zijn stok tussenbeide te komen,
doch kwam terugloopende, op een gegeven ogenblik in de Binnenhaven terecht. Door
enige in de buurt bevindende personen werd de oude, die tijdens de val enige
verwondingen aan het hoofd had gekregen spoedig weer op het droge gebracht,
waarna door de inmiddels ontboden geneesheer, den heer Donker, de eerste
geneeskundige hulp werd verleend.
Het Steenwijker Dagblad doet in 1956 verslag van een
rechtzitting, waar een aantal bewoners voor het uitdelen van klappen mochten
verschijnen.
Omstreeks 1958 zijn deze woningen afgebroken, veel bewoners kregen een nieuw
huis aangeboden in de Canneveltstraat.
De Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek liet in 1968 op het Fort
naar overblijfselen van het Oldehuis zoeken. De opgravingen onder leiding van
Van Pernis leverden hoegenaamd niets op.
Het laatste overblijfsel van het Oldehuis is een steen - waarschijnlijk een
wijsteen - die bij de afbraak van de laatste resten in de periode 1854 - 1859,
in 1855 door de toenmalige parochiepastoor L.B. Mulder is gevonden. De steen is ingemetseld in de huidige Rooms-Katholieke
kerk, gebouwd in
1953, rechts naast het koor en links van de toegang tot de sacristie, voorzien van een
plaquette.
In 2008 heeft Roel Zwiers, meubelmaker bij Royal Shipyard in Vollenhove, aan de hand van diverse tekeningen en plattegronden een maquette gemaakt van het Oldehuis zoals het er vroeger uit moet hebben gezien. De maquette is te bewonderen in het Cultuurhistorisch Centrum Land van Vollenhove.