Aan
de binnenhaven ligt de Grote of Bovenkerk, eigenlijk St. Nicolaaskerk geheten.
Op vrijwel dezelfde plaats is rond het jaar 1100 al een kapel gebouwd, en in
de loop van de 12e eeuw in etappes uitgebouwd tot parochiekerk. Het was een
tufstenen kerk in de Romaanse stijl zoals bleek uit opgravingen
door de Rijksdienst voor Oudheidkundig Bodemonderzoek in 1974, deels in en deels
buiten de bestaande kerk.
In
de twaalfde eeuw beschikten de mensen die zich in de loop van de jaren rond het
Oldehuis, het slot van de bisschop, gevestigd hadden over een zaalkerkje van 8
bij 5 meter én een aansluitend koor van 4 bij 4 m. De plaats Vollenhove wordt
voor het eerst genoemd in 1132, ongetwijfeld hebben de inwoners van het snel
groeiende stadje toen al een parochiekerk gehad die gewijd was aan St. Nicolaas.
Nog in dezelfde eeuw scheidde de parochie zich af van die van Steenwijk, en
kreeg een eigen pastoor. De oudste naam dateert uit 1207. In de loop der jaren
werd dit kerkje steeds verder vergroot met een verlengd koor en zijbeuken. De
fundamenten van veldkeien en resten tufsteen liggen onder de zuidelijke hal, de
zijmuur en onder het grasveld tussen de zuidmuur en de binnenhaven.
De kapel heeft vast dienst gedaan voor de dienstmannen van Godfried van Rhenen,
de bisschop van Utrecht, die er in 1165 een burcht liet bouwen. Rond deze
burcht, die later werd uitgebreid en voorzien van een slotgracht, ontstond de
plaats Vollenhove.
In
de huidige vorm dateert de kerk uit het midden van de 15e eeuw (1450-1485).
De kerk is een zogenaamde tweebeukige hallenkerk, waarvan iedere beuk een 5/8
gesloten koor heeft. Beide hallen zijn even groot, plm. 45 m lang en 10 m breed.
De noordhal is het eerst gebouwd en daarvan het hoge koor het allereerst. Tot nu
toe is er geen bevredigend antwoord gevonden op de vraag waarom de beide hallen
even groot zijn. Dit komt maar zelden voor bij kerkbouw. Regel is dat hal of het
schip met hoofdkoor groter is dan de andere ruimten, zoals bijhallen of
zijbeuken. Men heeft hier duidelijk van tevoren geweten welk gebouw er precies
moest komen, een gebouw dat een goede afspiegeling was van de betekenis van
Vollenhove in die tijd. De koorpartijen van beide beuken kwamen het eerst gereed
tegen het einde van de 14e eeuw. Daarna begon men met de beide schepen, tot slot
met de toren. Het gebouw werd ontworpen zonder de huidige toegangsportalen,
zonder de huidige consistorie en zonder de huidige tongewelven. Deze werden
echter vrij spoedig toegevoegd.
In
de hoek tussen beide sluitingen bevindt zich een achtkantige toren, waarvan aan
de oostkant een uitbouw, de zogenaamde gerfkamer, thans consistoriekamer.
Boven een rond raam van de consistoriekamer aan de oostelijke buitenmuur zijn
twee stenen van rode zandsteen, waarop staat Anni en op de tweede D(omini) 5.56
met als vermoedelijke uitleg: 5 mei van het jaar des Heren '56. Bekend is, dat
vóór de 15e eeuw soms geen eeuwcijfers voorkomen. Volgens overlevering is de
kerk te Hasselt oorspronkelijk in 997 gesticht. Dan zou het hier 956 kunnen
zijn. In de consistoriekamer hangt een plank, waarin dit opschrift is
uitgebeiteld met moeilijk leesbare tekens. Deze tekens zouden een middeleeuwse
weergave kunnen zijn van de letters C, M en B en het getal 56. Als dit juist is
zijn er twee interpretaties mogelijk. De 3 letters kunnen de aanduiding zijn van
de wijzen uit het oosten; Caspar, Melchior en Balthasar. Ze kunnen ook de
afkorting zijn van de bede in het Latijn: 'Christus mansionem benedicat',
Christus zegene dit huis.
Tegen de westzijde van de noordbeuk is een portaal (onderbouw van een toren?)
met een traptoren aan de noordkant, terwijl aan de zuidzijde een kapel is (thans
portaal).
Ten oosten van de kerk staat een klokkentoren, ook uit het laatste kwartaal der
15e eeuw, bestaande uit drie geledingen met spitsbogige nissen. De spits die de
toren dekt heeft iets gedrongens. Bovenop prijkt een gesmeed ijzeren kruis uit
dezelfde tijd. De geledingen zijn gescheiden door zandstenen waterlijsten. Tegen
de noordzijde is het voormalige raadhuis aangebouwd (nu restaurant
Seidel). Aan
de zuidzijde is een rondbogige ingang in een spitsbogige nis. Aan de oostzijde
in de onderste geleding een klein getralied venster. Omdat deze niet met de kerk
is verbonden en een beperkte hoogte heeft, doet hij enigermate denken aan een
klokkenhuis zoals op het Groningse platteland dikwijls wordt aangetroffen.
Omstreeks 1511 wordt voor de toren van Vollenhove een zwaar driegelui
aangeschaft. Leverancier is Geert van Wou. Hiervan zijn twee klokken bewaard
gebleven: één met een algemeen opschrift uit 1509, en één met een besteld
opschrift uit 1511 (de Nicolaasklok). De derde en zwaarste heeft men in 1823
noodgedwongen moeten verkopen om de O.L. Vrouwetoren van een nieuwe bovenbouw te
kunnen voorzien. Van Wou zal de klok van 1509 als uitgangspunt hebben genomen
voor het driegelui. Deze klok heeft op op zeker moment een nieuwe plaats in de
toren van de Mariakerk gekregen. De
Nicolaasklok, de enige die nog in de Nicolaastoren hangt, heeft als opschrift: "sanctus
. nicolaus (= heilige icolaas) . is . min . naem . min . ghelut . sy . gade .
bequaem . gherhardu .de . wou . me . fecit . anno . domini .m.ccccc+xi" (vrij
vertaald: Sint Nicolaas is mijn naam, mijn geluid is zo mooi
dankzij Gerard van Wou die me gemaakt heeft in 1511). Deze tekst staat tussen
een bovenrand van staande en een onderrand van hangende lelies. Onder de
bovenrand en boven de onderrand is een reeks van pareltjes aangebracht die niet
op de klok van 1482 voorkwamen. De diameter van de Nicolaasklok bedraagt 121,8
cm en haar toonhoogte moet zijn f1. Omdat zij gescheurd was, is zij na 1945 door
de firma Zimmer uit Amsterdam gelast. Uit een lijst van door deze firma gelaste
klokken blijkt, dat zij 940 kg weegt. Haar registratienummer bij de Rijksdienst
voor de Monumentenzorg te Zeist is 8-102C. Deze huidige Nicolaasklok is
waarschijnlijk de kleinste van de drie klokken uit deze toren, ze is destijds in
tegenstelling tot de grote klok uit de Mariakerk gegoten en gewijd aan de
patroonheilige van de kerk.
De derde klok, waarvan de patroonheilige onbekend is, is in 1627 gescheurd en
vervangen.
In 1671 is er sprake van het verhogen der begrafenisrechten, die betaald dienen
te worden voor het luiden met de grote, de tweede of middelste en de kleine
klok. Hieruit kan men opmaken, dat het driegelui toen nog geheel functioneerde.
De grote klokkenstoel in deze klokkentoren kent nu dus twee lege plaatsen. Tijdens het recente bezoek van Jan Kuipers, adviseur voor luidklokken en torenuurwerken te Steenwijk, bleek dat de van Wou klok wederom gescheurd is. De kerkrentmeesters kregen het dringende advies de klok niet meer te luiden omdat dan de schade alleen maar groter wordt.
Bij
het binnenkomen in de kerk treft ons de grote ruimte met de hoge pilaren. Over
elk der beuken ligt een tongewelf, gedragen op schinkels in de vorm van een
netgewelf. Tussen de beide beuken zijn spitse scheibogen op ronde zuilen. In de
gerfkamer is een stenen kruisgewelf. In het zuidelijke portaal is een dergelijk
gewelf weggebroken en vervangen door een houten zolder.
De kerk werd vóór 1488 hersteld. Of betreft het volgende de bouw daarvan?
Burgemeesters, Schepenen en Raad verklaarden op 15 oktober 1488 te zullen
betalen in 1490 aan Gheerlich Woltersoen van Deventer een geldbedrag voor de
door wijlen zijn vader Wolter eertijds aan de kerk en timmerlieden geleverde
steen.
Van de oorspronkelijke muurschilderingen of fresco's is weinig bewaard gebleven.
Bij de deur onder het orgel is nog een restant te zien en verder valt op het
doek dat geschilderd is in de noordoosthoek van het hoge koor. Aan de drie haken
en de roe is duidelijk te zien, dat men een afhangend doek wilde uitbeelden.
Vermoedelijk vormde dat doek de achtergrond van een beeld van Sint Nicolaas, aan
wie de kerk gewijd is. Vele plaatsen rond de voormalige Zuiderzee hebben deze
beschermheilige (zeevaart, visserij).
De eerste predikant wordt in 1578 genoemd, terwijl in het jaar daarop ook de
pastoor nog in functie blijkt te zijn: de overgang naar de hervorming is
blijkbaar geleidelijk aan verlopen.
Na de reformatie, omstreeks 1580, werden de altaren afgebroken en de stenen
gebruikt als grafzerken. Halverwege de preekstoel en het orgel is in de
noordmuur het oorspronkelijke wijdingskruis van de bisschop nog te zien. Onder
het orgel en bij de zij-ingang is het nisje voor het wijwaterbakje bewaard
gebleven.
Op
vijf houten borden in het koor, met vergulde letters op zwarte ondergrond, zijn
de namen opgetekend van hen die vanaf 1578 Gods Woord in deze kerk hebben
verkondigd. Van Ds S. Voltelen en Ds H. van der Poel zijn ook de grafzerken
bewaard gebleven. Ds Voltelen is een voorvader van kardinaal Simonis. Ds Langius
(1600-1619) was lid van de synode van Dordrecht. Er leven nog nakomelingen van
hem in verschillende streken van het land.
De traktementen van de predikanten werden uit de opkomsten van de Geestelijke
goederen betaald. De provincie betaalde 350 caroligulden als subsidie voor die
predikantstraktementen. Zie o.a. vergadering van de Volle Stoel van 6 maart 1687
en van Ridderschap en Steden op 4 februari 1620. Het tweede bord noemt het
traktement, dat de tweede predikant zal krijgen uit de opbrengst van de
kloostergoederen. Die bron van inkomsten is nooit verhoogd. Enige jaren geleden
heeft de regering al deze (rijks)traktementen afgekocht en de opbrengst is
gestort in de pensioenkassen van de verschillende kerken, die belangstelling
toonden voor die afkoop.
Voor de nodige reparatie der kerk werd op 4 september 1585 door de drost van
Vollenhove, Jan Sloet, Johan van Echten en Henrick Hagen voor hen zelf, de adel,
de drie kerspelen Leeuwte, Barspijk en Cuynderdijk en het stadsbestuur geld
geleend van Ricolt Derxen.
Drost,
Edellieden en regering van Vollenhove verzochten op 21 juli 1598 aan Kampen om
een nieuw glas in de kerk te Vollenhove op de oude plaats, daar de kerkglazen
door de oorlog geheel vernield waren. De Drost Johan Sloet ondersteunde dit
verzoek. Het was vroeger een teken van goede nabuurschap als een kerkbestuur aan
steden, overheidspersonen enz. verzocht een glas met haar of zijn wapen in de
kerkramen te mogen plaatsen. De kosten kwamen voor rekening van de gevraagde.
Dit gebruik nam een dergelijke vorm aan, dat men zulke glazen in de kerkramen
plaatste zonder voorkennis van hen wier glas daarin werd geplaatst, zodat de
regering van Kampen op 29 augustus 1622 daaraan paal en perk stelde. Mochten er
nog zulke glazen aanwezig zijn geweest dan zullen die in de tijd van Vrijheid,
Gelijkheid en Broederschap, toen men zich zelfs niet ontzag de wapens van de
grafzerken af te bikken, wel verdwenen zijn.
Uit de 17e eeuw stammen enkele avondmaalsbekers die nu nog in het bezit van de
kerk zijn. Daarop onder andere de wapens enkele edelen uit die tijd, zoals van
Isselmuden en Hagen. Een andere met het omschrift "Dese Beker hefft de
Edele En Erentrijcke Joffrouwe Johanna Sloot Weduwe Van der Merck De Kerck Van
Vollenhoe Tot Een Gedachtenis Gegeven". In vier cartouches de wapens Sloet,
de Vos van Steenwijk, van der Marck en Utenham.
Schepenen en Raad stelden op 29 december 1625 een ordonnantie vast
betreffende het salaris van de doodgraver. Uit de vergadering van Schepenen en
Raden van 29 november 1773 valt op te maken dat de benoeming van doodgravers aan
dat college was voorbehouden.
Bij de benoeming van schoolmeesters werd hun tevens opgedragen het voorzingen en
lezen van een paar kapittels uit de bijbel voor de preek. De Volle Stoel stelde
op 10 februari 1625 Willem Arriens aan tot schoolmeester en hij moest 's zondags
voor de preek in de kerk enige kapittelen voorlezen. Het is nog niet zo lang
geleden dat dit is afgeschaft.
Voor
het luiden van de klok moest door de nabestaanden een zeker recht betaald
worden. De Volle Stoel besloot op 12 juli 1627 voor het luiden met de grote klok
(die voor enige weken hergoten was) bij een begrafenis een recht te heffen, welk
recht op 1 oktober met medewerking van de kerkmeester van 't Land werd
gewijzigd. Op 4 juni 1627 werd besloten 300 caroligulden voor een jaar op te
nemen voor de kosten van dat hergieten.
In 1642 werd de helft van de noordkant van de kerk hersteld, waarvan de kosten
geraamd werden op 1000 caroligulden. Een voor die tijd hoog bedrag! Vervolgens
werd alweer in mei 1644 tot herstel van de kerk 600 caroligulden van de
provisoren van de armen geleend en beloofd, dat over een jaar door de stad en de
kerspelen dit bedrag weer opgebracht zou worden. Reeds in november 1652 was men
van oordeel dat de kerk opnieuw hersteld moest worden. In 1654 werd de zuidzijde
onder handen genomen. Gesproken wordt over leien, hout, eiken of vuren, en
hoeveel pannen benodigd zullen zijn.
Met toestemming van de kerkmeesters had de Gezworen Meente van de stad op eigen
kosten een gestoelte in de kerk laten plaatsen, dat door anderen gebruikt werd.
De Drost, Schepenen en Raad verboden dat op 16 Juni 1649.
In 1671 werden de rechten voor het openen van een graf voor het hoge en beneden
of lage koor verhoogd, als ook het luiden van de grote, tweede of middelste en
kleinste klok.
In 1674 werd op een vergadering van de Volle Stoel gesproken over het witten en
pleisteren van de kerk. Er werd een begroting van kosten voor het effenen van de
vloeren van de kerk gemaakt en aangegeven werd waaruit de kosten bestreden
zouden worden, zoals een collecte, een recht van de banken in de kerk enz. De
ingezetenen van het land van Vollenhove wensten daaraan niet te voldoen. In dat
jaar werd ook besloten op iedere zerk een nummer te houwen.
Het orgel is gemaakt in 1686 door Apolonius Bosch, orgelmaker te Amsterdam (zie
ook verderop). In de vergadering van de Volle Stoel van 6 maart 1687 werd
aangesteld tot organist van het tegenwoordige orgel Jan Herman Franssen op een
tractement van 200 caroligulden dat door de Heren van de Ridderschap zal worden
betaald boven zijn huishuur die door de magistraat, met goedkeuring van de
meente, zal worden betaald. In 1705 werd de toen nieuw te beroepen organist ook
opgedragen het orgel, indien hij het kan, schoon te maken en te herstellen.
Tussen 1690 en 1693 werd door het College van de Volle Stoel op verzoek van de
gemeenslieden besloten de twee banken waar de gemeenslieden in hebben gezeten te
verplaatsen naar de plek waar tegenwoordig de jongens van het Weeshuis zijn
gezeten. De twee overige banken zullen op hun oude plaats blijven staan en
alleen gebruikt mogen worden door de oude en nieuwe volmachten van Barsbeek en
de Leeuwte en de Gezworenen.
Het
gelijkmaken van de vloer van de kerk in 1674 was zeker niet afdoende, want in
1732 werd hierover weer gesproken en dit aanbesteed en een register van de
graven en kelders opgemaakt, dat is opgenomen in het notulenboek van de Volle
Stoel.
Een register van 1791 bevindt zich in het stadsarchief.
Op 4 december 1774 werd te Vollenhove de nieuwe psalmberijming ingevoerd en op
13 oktober van dat jaar werd door de Volle Stoel de kerkmeester gemachtigd om
voor de predikanten een nieuwe bijbel in folio met de volle kanttekeningen en
koperen krappen aan te schaffen. Verder twee psalmboeken in quarto, één voor
de preekstoel en één voor de voorzanger op de lessenaar. Dan de nieuwe
rijmpsalmen in de bijbel laten inbinden in de zitbank van de predikanten
liggende. De oude bijbel, die nu op de preekstoel ligt, kan naar het armhuis
worden gebracht tot stichting der jeugd.
De
Franse revolutie was onder andere een beweging tegen de adel. Daarom zijn uit vele
grafzerken in die tijd de familiewapens weggehakt.
Er worden wapenborden vermeld betreffende het geslacht van Isselmuden, die
vroeger in de kerk hingen. In de Franse tijd van vrijheid, gelijkheid en
broederschap besloten erfgenamen en goedsheren van de drie karspelen, die
beweerden dat aan hun het bestuur van de kerk toekwam, dat alle wapenborden in
de Grote kerk - zodra doenlijk - zullen moeten worden weggenomen en wordt de
uitvoering daarvan aan een commissie uit hun midden overgelaten.
Over de banken van de Ridderschap en de advocaten- en procureursbanken was
verschil van mening ontstaan, maar de Municipaliteit en Gecommitteerden besloten
op 26 januari 1789 niet te gaan procederen voor de gelibelleerde deducenten
beginnen.
Het stoven zetten in de banken werd wat te duur, zodat door het stadsbestuur op
2 januari 1798 besloten werd dat voor de Municipaliteit niet langer stoven
zouden worden gezet en daarvan zou kennis worden gegeven aan de stovenzetsters.
Over banken en gestoelten werd nog heel wat vergaderd. In het archief der
Kerkvoogdij zijn daarover gegevens uit o.a. de jaren 1804, 1810, 1827 en 1828.
Op 30 december 1848 werd besloten de lichtkronen als oud koper te verkopen.
Tot de restauratie van omstreeks 1860 hing de oude preekstoel aan de pilaar bij de
eerste bank (ouderlingenbank). Toen was in Den Haag de huidige neogotische
preekstoel beschikbaar en ging die de oude vervangen. Hij kreeg toen een plaats
tegen de noordmuur. Vanaf dat moment kon men niet meer zeggen: in Vollenhove kun
je vanaf de preekstoel de zee zien.
In 1867 is in een van de nissen op het hoge koor een gedenkplaat ingemetseld
over het overlijden van bisschop Rudolf van Diepholt in Vollenhove in 1455. Het
is een zeskantige steen met zijn wapen in het midden, op het wapen van het
bisdom van Utrecht (een kruis). Het randschrift vermeldt, dat zijn ingewanden in
Vollenhove rusten en zijn lijk in Utrecht begraven is (zie tekening in
Rijksarchief te Zwolle).
Op 21 juli 1904 vond het
huwelijk plaats van de hofdame van Koningin
Wilhelmina, C. E. B. barones Sloet van Marxveld met Jhr. Dr. W. F. Roëll. Er is
een marmeren gedenksteentje in de muur ter herinnering aan het bijwonen van H.M.
de Koningin en Z.K.H. de Prins der Nederlanden van dit huwelijk.
In 1923 diende de verdieping van het zuidelijke portaal tot duivenzolder.
Onder de vrijstaande toren was vroeger de gevangenis. In december 1953 werd deze
vroegere arrestantencel ingericht als wachtlokaal voor autobusreizigers (de
bussen van het openbaar vervoer reden toen nog door de stad, dat duurde tot plm.
1964). De ruimte is nu in gebruik bij restaurant
Seidel, dat in het vroegere
raadhuis is gevestigd.
Bij de restauratie van de kerk van 1968-1977 werd de oude stenen altaartafel
gemaakt tot hoofdtafel bij de viering van het Heilig Avondmaal. De
wijdingskruisjes zijn nog te zien!
De
huidige kerk dateert uit de 15e eeuw, maar daarvoor was er ook al een kerk. In
de huidige kerk konden daar geen sporen van worden aangetroffen.
Om het raadsel op te lossen werd er in 1971 al gegraven in de grafkelders in
beide koorpartijen, waarbij een keienbestrating werd aangetroffen op een diepte
van 1 m 80 onder de vloer.
Eind 1973 waren de restauratiewerkzaamheden zover, dat men de opgravingen
kon uitbreiden tot de hele kerk, en het bleek dat men zelfs daarbuiten moest
graven.
Opgravingsleider was Van Pernis van de Rijksdienst voor het Oudheidkundig
Bodemonderzoek, die in 1968 ook al op het Fort naar overblijfselen van het
Oldehuys had gezocht.
Op 22 maart 1974 werd het werk afgesloten. Naast de funderingen, die op
tekeningen werden vastgelegd en vervolgens weer met zand bedekt, werden nog
enkele botten en schedels en slechts wat aardewerkscherven uit de 11e eeuw
gevonden.
Eind
maart 1991 werd bij graafwerkzaamheden aan de binnenhaven van Vollenhove een
bijzondere grafsteen gevonden. De steen lag in het talud van de haven wand op
een diepte van circa 1 meter onder het maaiveld ter hoogte van het zuidportaal
van de St. Nicolaaskerk. De steen bleek van Bentheimer zandsteen te zijn een
steensoort welke tot voor kort in enkele groeven bij Bentheim en Gildehaus werd
gewonnen, vlak over de grens bij Oldenzaal. Het is een geelachtig-witte
zandsteen, waarin soms ook roze banen voorkomen. De trapeziumvormige steen
(breedte aan het hoofdeinde 74 cm, aan het voeteneinde 58 cm, bij een lengte van
192 cm) beeldt in vlak reliëf een menselijke figuur in frontaanzicht uit, met
de voeten - op de voor deze stenen karakteristieke wijze - buitenwaarts gericht.
Boven deze figuur is in een afzonderlijk veld een kleinere, liggende figuur
uitgebeeld (de ziel van de overledene voorstellende of een engel die de ziel
naar de hemel begeleidt?). De handen van de menselijke figuur zijn niet te
onderscheiden.
De datering van de steen op eind 12e, begin 13e eeuw is zeer goed mogelijk
gezien de opgravingen in en om de St. Nicolaaskerk in 1974, waarbij de
fundamenten van een vroeg-12e eeuwse tufstenen kerk tevoorschijn kwamen.
Bovendien lag naast de kerk een kasteel van de bisschop van Utrecht, waarvan de
eerste vermelding uit 1168 dateert (Halbertsma). Want voor de aanschaf van deze
grafsteen dienen we toch wel in de richting van een adellijk persoon of de
familie van een hoge geestelijke te zoeken. Door het vereiste vakmanschap, het
risico van breuk tijdens het transport en de kosten van vervoer moeten het vrij
dure stenen zijn geweest, die beslist niet voor iedereen betaalbaar waren.
De zerken, die nu op het hoge koor liggen, zijn voor een deel afkomstig uit de
overige ruimte van de kerk. Ze zijn uit de jaren 1505, 1523, 1586 en 1597 en uit
de 17e en 18e eeuw. Bij de laatste restauratie heeft men verschillende zerken
niet teruggeplaatst in de kerk omdat ze zo zwaar waren en bovendien te dik voor
de vloerverwarming: ze liggen nu aan de noordkant van de kerk tussen noordmuur
en de grote kei.
Tot plm. 1820 kon elk zich laten begraven in de kerk. De familie kon een zerk
plaatsen of een kleinere steen met de naam. Bij de restauratie heeft men vele
van die stenen op het hoge koor geplaatst. Daaronder is nu de ruimte voor de
verwarmingsinstallatie. Voorheen waren daar de graven en de grafkelders van de
bewoners van de havezaten, waarvan Vollenhove Stad en Ambt er vele telden.
De Franse revolutie was o.a. een beweging tegen de adel. Daarom zijn uit vele
zerken de familiewapens weggehakt. De zerk van de Drost van het land van
Vollenhove en kastelein van de heerlijkheid Kuinre Johan Sloet en zijn vrouw
Florentina van Buckhorst is geplaatst tegen de zuidmuur van het lage koor. In
een gids van Steenwijk en omgeving uit 1909 staat te lezen, dat deze zerk in de
Franse tijd gespaard is gebleven, doordat men hem gedurende 12 jaren in een
schuur wist te verbergen, nadat men hem eerst ondersteboven op het graf had
gelegd.
In 1874 heeft men deze zerk tegen de muur geplaatst. In de
"Navorscher" van dat jaar werd gevraagd welke kleuren enige der
daaropvoorkomende geslachten voeren in hun wapen, omdat men ze wilde
"opschilderen".
Ook onder het lage koor waren nog enige kelders, zoals van de
burgemeestersfamilie De la Planque en de adellijke familie Van Dordt. Deze
kelders zijn nu gevuld met zand. Het gebruiken van de kerk voor begravingen
maakt het begrijpelijk dat er pas laat banken geplaatst zijn. Er was een
zogenaamde regeringsbank die aanvankelijk stond waar nu de preekstoel staat. Bij
de restauratie van omstreeks 1860 verplaatste men de bank naar de treden van het hoge
koor om die ruimte af te sluiten. Nu is die koorruimte weer open en staan de
"kasten" in de zuidhal om daar een uitgang te camoufleren.
Het
orgel is gemaakt in 1686 door Apolonius Bosch, orgelmaker te Amsterdam.
Deze orgelmaker werkte zowel in de zuidelijke als in de westelijke Nederlanden
meer dan eens samen met de Vlaamse orgelmaker Nicolaes van Haegen
(ca.1629-1684). Het is dan ook niet verwonderlijk, dat we bij Bosch belangrijke
Vlaamse invloeden terugvinden, bijvoorbeeld de wijze van constructie en mensuren van de
nog bestaande windlade van het Hoofdwerk. Van Bosch is niet erg veel bekend. Men
weet, dat hij vanwege zijn Lutherse gezindte in verschillende Lutherse Kerken
gewerkt heeft.
Op het front van het orgel staat op koperen banden Anno 1686. Een gedenkbord in
vergulde letters op zwart hangt op het hoge koor. Op het gedenkbord staan
dichtregels.
Het orgel in Vollenhove is gebouwd als tweeklaviers werk, Hoofdwerk en Rugwerk
met ongeveer 20 stemmen en aangehangen Pedaal. Het originele bestek is helaas
nooit teruggevonden en de bouwdatum en de naam van de orgelmaker ontlenen we dan
ook respectievelijk aan een opschrift in de orgelkas en een opschrift in de Kerk.
In 1720 moeten er blijkens een opschrift in het Rugwerk tamelijk omvangrijke
werkzaamheden hebben plaatsgevonden door de beroemde orgelmaker Franz Caspar
Schnitger. Deze verving van het Rugwerk de windlade en enkele registers, terwijl
hij ook de Dispositie van het Hoofdwerk enigszins wijzigde.
In het in 1774 verschenen boek van de bekende orgelbeschrijver Joachim Hess
"Dispositien der merkwaardigste Kerkorgelen" wordt het orgel alleen
vermeld zonder verdere bijzonderheden.
In 1807 werden het klavier en de blaasbalken enzovoort door de orgelmaker H. Freytag
te Groningen hersteld. Op 29 juni 1807 ontving hij deze opdracht. De kosten
beliepen f 1880.
Of er nadien tot de eerste uit bestek bekende werkzaamheden door deze orgelmaker
nog wijzigingen van enig belang zijn doorgevoerd valt niet met zekerheid vast te
stellen maar is vrij onwaarschijnlijk.
Een
handschrift van Joachim Hess uit omstreeks 1815 vermeldt een Dispositie, die
dezelfde is als het contract met Freytag vermeldt. Overigens zijn de
werkzaamheden van Freytag grotendeels tot technische zaken beperkt gebleven.
Na Freytag is er ongetwijfeld nog aan het orgel gewerkt: in ieder geval de
voormalige Spitsquint 3' van het Hoofdwerk moet uit de tijd rond 1830-1840
stammen.
Een zeer belangrijke ingreep verrichte in 1860 de orgelmaker Van Loo uit Kampen.
Deze breidde namelijk het orgel uit met een vrij Pedaal waartoe hij aan
weerszijden van de oorspronkelijke Hoofdwerkkas twee Pedaaltorens bouwde. Aan
het bestaande orgel heeft Van Loo weinig gedaan, hetgeen blijkt uit het contract
en bovendien uit de Dispositie, zoals die voorkomt in de Dispositieverzameling
van M. H. van 't Kruys, verschenen in 1888. Deze wijkt namelijk slechts op twee
plaatsen wezenlijk af van die van Freytag, terwijl de Mixtuur van het Hoofdwerk
bij Van 't Kruys nog slechts 2-4 sterk is (bij Freytag 4-5-6 sterk).
Na Van Loo1s werkzaamheden, tussen 1888 en het tijdstip van demontage van het
orgel zijn nog drie registers van het Rugwerk verdwenen, kwam in plaats van de
Hoofdwerk Cymbel een oude(!) Fluit 2' en verdween het pijpwerk van de Vox Humana
8'.
Bij de restauratie bleek het al spoedig onmogelijk om exact vast te stellen hoe
de ontwikkelingsgang van het orgel zich in alle details voltrokken heeft. Na
uitvoerige beraadslaging tussen orgelmakers, Rijksorgeladviseur en de adviseur
van de Kerkvoogdij werd besloten het orgel te restaureren naar de toestand van
1720, na de werkzaamheden van Schnitger, met dien verstande dat de
Pedaaluitbreiding door Van Loo gehandhaafd werd. Tevens kwam uit de onderzoeken
naar voren, dat het alle voorkeur verdiende de oorspronkelijke toonhoogte van
Bosch, die ook Schnitger nog gehandhaafd heeft te herstellen door verlengen en
opschuiven van het oude pijpwerk. Er moesten uiteraard ook enkele stemmen nieuw
bijgemaakt worden naar oud voorbeeld zoals het elders beschreven
dispositieoverzicht laat zien, terwijl de Bourdon 16' van het Hoofdwerk zijn
oorspronkelijke gedaante van Bourdon 8' terugkreeg en de Roerfluit 8' van
hetzelfde werk kwam te vervallen.
De restauratie van dit waardevolle orgel werd uitgevoerd door de Fa. Gebr. van
Vulpen te Utrecht.
Na minutieus onderzoek naar de kleuren die in de naden van de orgelkas
aangetroffen werden is het orgel geschilderd door Schildersbedrijf H. Roebers te
Vollenhove.