Er bestond in de beginperiode van de bloeitijd van de visserij al een visafslag. De stadsomroeper was in 1795 verplicht om in de stad bekend te maken dat er vis aan de afslag te koop werd aangeboden. In 1807 werd er zelfs door een associatie een haringafslag opgericht, die evenwel slechts kort bestaan heeft. Uit de aanwezigheid van beide afslagen wordt duidelijk dat de gevangen vis onder meer in Vollenhove werd verkocht. Dat gebeurde op de Vismarkt, vlakbij de plaats waar de vissers aanlandden en waar zich ook de stadsbrug of steiger bevond waar de veerboten aanlegden.
De vissers uit Vollenhove drongen er in 1912 bij de burgemeester en wethouders op aan om een visafslag op te richten. Dit omdat er tijdens het spieringseizoen onvoldoende concurrentie bestond tussen de beide vishandelaren
Van Smirren en
Van Gulik. Ze werden hiertoe gestimuleerd door het optreden van hun vertegenwoordiger in de Zuiderzeevisscherijraad, opgericht in 1911.
Op 6 april 1913 kwam het onderwerp voor het eerst ter sprake in de gemeenteraadsvergadering, waar de heren
Seidel en Jongman het verdedigden. Het duurde tot 28 oktober 1914 dat de raad zich definitief uitsprak voor de oprichting van een afslag. Het oponthoud werd veroorzaakt door een discussie over de rol die de nationale overheid moest spelen in de oprichtings- en exploitatiekosten. De hoofdinspecteur der visserij was van mening, dat de trage besluitvorming een andere oorzaak had. Volgens hem had
Van Smirren, die door het overlijden van de burgemeester tijdelijk diens ambt had overgenomen de zaak opgehouden, omdat zijn privé-belang als handelaar gediend was met het voortbestaan van de situatie.
Op 1 september 1915 werd de afslag geopend.
In 1915 was Peter Spit (geb. 1858) de eerste keuringmeester en afslager. Zodra een visser met vis kwam luidde Peter de bel om de visventers en visbedrijven te waarschuwen. Hij schatte op het oog de kwaliteit en daarmee de prijs, en zette in. Als men ‘mien’ riep was de vis verkocht. Peter nam het geld in ontvangst voor de visser en hield een deel voor afdracht aan de gemeente-ontvanger op het stadhuis. In 1920 kreeg hij een vaste aanstelling als directeur / keurmeester van de gemeente, evenals afslager / teller Gerrit Jan IJspeerd (geb. 1852). In het stadsarchief bevindt zich een verzoekschrift uit 1920 van P. Spit en G.J. IJspeert om een vaste aanstelling te krijgen als respectievelijk directeur en afslager aan de gemeentelijke visafslag, en de afschriften van de akten van aanstelling.
De ‘walvissers’ met bolletjes, pluten en kleine bonzen losten dagelijks hun vangsten in Vollenhove. Dit in tegenstelling tot de grotere schepen, die alleen in de weekeinden in de haven kwamen. Tot 1931 visten de botters en de grote bonzen tot de paasdagen met de haringgreepnetten. In april en mei visten ze met een beug staande netten op
ansjovis. Dit gebeurde vaak in de omgeving van Medemblik. Later voerde men de
ansjovis ook aan in Urk. De grote schepen gingen ook ,,botslepen". Dat gebeurde in span met op elk schip 2 man. In de week losten de botslepers aan de Zuidwalder viskopers op zee. Op vrijdagavond werd de laatste vangst in Vollenhove aangevoerd. De levende bot werd dan vanuit het schip op de walkant gegooid.
Als de vloot bollen, schokkers, aken of zeepunters ’s middags was afgemeerd laadde de bemanning de gevangen vis in wilgenmanden en bracht het naar de afslag. Er werd vooral aangeleverd op vrijdag en zaterdag.
Bij de visafslag luidde men dan de bel om de viskopers te waarschuwen.
‘s Zomers waren er zo'n 80 tot 100 visventers uit Stad en Ambt. Zij kochten zo'n 20 tot 50 kilogram bot. Die werd dan per fiets, kruiwagen of hondenkar naar de steden en dorpen in de wijde omgeving gebracht.
Er kwamen soms gigantische visvangsten voor. In 1925 bijvoorbeeld vindt men in de krantenartikelen veel over deze overvloed aan vis. De haringprijzen daalden tot zo'n 29 centen per tal. Normaal in die tijd was een prijs van ¾ cent per haring. Nu daalde de prijs zelfs tot één zevende van een cent. Normaal kwam er ook een prijsdaling voor, maar die was meestal zo tussen Pasen en Pinksteren. Maar in 1925 kwam die reeds voor Pasen.
Bij zo’n overschot en dus onverkoopbare haring kwam de ,,Scheuper" met paard en wagen de haring ophalen aan de haven. De karrenvracht werd over het land uitgereden als bemesting.
Uit het ,,Nieuws en Advertentieblad", 31e jaargang, donderdag 8 januari 1925:
De aanvoer aan de gemeentelijke visafslag te Vollenhove in de afgelopen week: er werd 22.022 kg spiering aangevoerd, waarvan de prijs varieerde tussen de vier en tien cent per kilogram.
Na de afsluiting van de Zuiderzee, vingen de vissers op het langzaam zoeter wordende IJsselmeer aanvankelijk steeds minder vis. Haring, ansjovis en garnalen werden sedert 1933 niet meer gevangen. De aanvoer van bot was na 1934 en die van spiering na 1936 niet meer van betekenis. Alleen paling werd volop gevangen en in Vollenhove namen de aangevoerde hoeveelheden met het jaar toe. Paling werd voor de IJsselmeervissers de belangrijkste vissoort en de nog aanwezige visindustrie richtte zich na 1932 dan ook op het roken van en de handel in paling. De vermindering van de vangsten duurde tot 1935/1936, waarna zich weer een biologisch evenwicht ontwikkelde. De vangsten namen weer toe onder andere door de toename van het snoekbaarsbestand.
In 1938 werd door de gemeente er nog eens nadrukkelijk opgewezen dat alleen via de visafslag vis mocht worden verkocht.
Na de inpoldering van de Noordoostpolder verminderden de visserij-activiteiten sterk.
De visafslag werd per 1 januari 1942 opgeheven.
Het gebouw van de afslag is van 1939 tot 1947 gebruikt voor de uitgifte van distributiebonnen, verder nog korte tijd gebruikt als mattenfabriek, tot 1956, en later als woning, tot een brand ook daar een einde aan maakte. De afslag is afgebroken in 1962.
De oude ijs- en ansjoviskelder, die nog jaren als opslag dienst deed, is bij de ombouw van de binnenhaven naar jachthaven gerestaureerd (gereed in 1994). Op de plaats van de visafslag staat nu een beeld ter herinnering aan de barre tocht van de Durgerdammer vissers over de bevroren Zuiderzee in 1849.