Het
oude raadhuis van de stad Vollenhove, gebouwd in 1621, staat aan het Kerkplein.
Het is een juweeltje van bouwkunst; een rechthoekig gebouw van baksteen met
rijke toepassing van bergsteen. Met een smalle zuidelijke gevel sluit het aan
tegen de noordzijde van een klokkentoren uit het laatste kwartaal van de 15e
eeuw.
Aan de oostelijke lange zijde is de voorgevel. Gelijkvloers is een portiek
bestaande uit een rondboogstelling, rustend op vijf Toscaanse zuilen en twee
halve zuilen. Hierboven, onder de vensters van de verdieping, een fries met
zandstenen banden leeuwenkoppen. Voor het venster van de middelste partij is een
balkon op versierde consoles en met twee stenen. Op beide stenen staat het
stadswapen, geflankeerd door het hert als schildhouder. Boven dit middenvenster
is een cartouche met het jaartal 1621. Om de bovenkant van het balkon loopt een
waterlijst. Er zijn bergstenen banden met boogblokken.
Op de verdieping zijn vensters met bergstenen kruiskozijnen met halfronde
ontlastingsbogen. In de trommels van die bogen zijn schelpvormige vullingen,
evenals in de gevel van de voormalige Latijnse school die ook aan het Kerkplein
staat. Aan de smalle zijden van de trapgevel zijn sierankers.
Een
dergelijke galerij is elders in ons land niet meer te vinden. Het in 1855
afgebroken middeleeuws raadhuis van Gorinchem had voor het middengedeelte van
zijn voorgevel ook een op zes pilaren overwelfde galerij. Bij de raadhuizen uit
latere tijd komt een dergelijke galerij weinig meer voor. Het raadhuis hier
heeft een galerij over de volle voorgevellengte. Zelfs buitenlandse schrijvers
hebben aandacht geschonken aan Vollenhove's raadhuis, o.a. Dr. Georg Galland in
zijn: Geschichte der Holländischen Baukunst und Bildnerei im Zeitalter der
Renaissance.
Het gebouw diende naast residentie van het stadsbestuur ook voor andere doeleinden, zoals vergaderruimte voor schutterij en diverse besturen. Het was ook stadsherberg. De stadsherberg vervulde een taak van de overheid; de kastelein was onder andere verplicht tot het doen van jaarlijkse leveranties aan de burgemeester. In de tijd dat er een verordening bestond die de vestiging van een tweede herberg verbood - tot omstreeks 1850 - was er geen concurrentie te duchten. In 1849 kwam de herberg in particuliere handen (Seidel) en kwamen er geleidelijk meerdere cafés en een hotel.
Voor 1621 moet er een ander raadhuis zijn geweest. Dit blijkt uit een bij
privilegie van bisschop Rudolph van
Diepholt uit 1450, toen de wijze van verkiezing van de schepenen geheel werd
veranderd. De zeven aftredende schepenen zullen zeven uit de gemeente (dat zijn
de burgers) kiezen. Deze zeven begeven zich met de zeven aftredende zwoerne
meenten op het raadhuis, waar zij loten welke zeven van hen veertienen als
kiescollege zullen optreden. Er mogen niet meer dan vier 'haveluden' (dat zijn
zij die men later havezatebewoners noemde) in de raad worden gekozen, waarvan
dan twee schepenen en twee raden zullen zijn. Vermoedelijk aldus bepaald ter
wering van overmacht van de adel.
Zie verder bij 'bestuur en rechtspraak'.
In
1638 wordt de aanstelling van een nieuwe stadsbode gemeld. De stadsbode Jasper
Herms was overleden en door Schepenen en Raad werd op 27 januari Roelof Jans,
snijder, met "het bode-ampt" voorzien en aan hem de zilveren
"busse" overhandigd die door de stad in 1617 was aangekocht. Hij legde
in handen van de Schepenen de eed af "sich eerlick en getrouwelick in
voornoemt ampt te willen draghen ende als een boode nae rechte toestaen en dit
alles tot revocatie. Sall oock bij sodane revocatie die busse wederom
ingeleeffert werden".
Gildenmeesters en Raden van het St. Anthonie Gasthuis besloten op dag Anthony 1702 voortaan de stemming over het gilde tot menage van kosten op de tweede Kerstdag na de tweede predikatie op het Stadhuis te houden.
In het vernieuwde reglement op de Schutterij van 1720 staat, dat de vergaderingen en bijeenkomsten op de grote kamer van het Stadhuis zullen worden gehouden.
In 1787 werd een register opgemaakt van het stadszilver en andere zaken,
waarop voorkomen:
1e een zeer fraaie grote zilveren beker met deksel met een kroon daarboven,
2e een kleinere met deksel met druiventros daarboven,
3e een kleinere met deksel, respectievelijk aan de stad gegeven door de Drosten
Johan van IJsselmuiden, Bentinck en Ripperda.
Verder dito beker zonder deksel, 2 zilveren schenkkannen, 2 ronde zilveren
lepels, 2 medailles, 7 zilveren letters (op de roedendragersmantels vroeger
gebruikt: Vollenho, maar de V mist), een St. Anthoniebeeld van St. Anthony
Gasthuis en een zeer oud St. Pietersbeeldje van hout.
In
de jaren rond 1788 stond op de secretarie de stads- en wezenkist, waarin
papieren van de stad en de wezen werden opgeborgen. Verder was op het stadhuis
een regtkamer en onder het stadhuis de gevangenis, waar zij, die iets misdreven
hadden, op water en brood gezet werden.
Op 7 oktober 1791 besloten Raad en Meente van Vollenhove het stadhuis door de timmerman Gerrit van Baak en de metselaar Albert de Ruiter te doen herstellen en de kosten werden geraamd op respectievelijk fl. 300 en fl. 400.
Op 21 maart 1795 werd een reglement vastgesteld voor de verkiezing van vijf representanten en een secretaris op 3 april 1795. Er staat in dat het Comité van waakzaamheid telkens op het stadhuis op een aparte kamer zal vergaderen, apart van de Regtkamer, maar op 3 april zal men op de Raadkamer vergaderen.
Vergaderingen moesten stipt op tijd beginnen. Vandaar dat op 15 april 1796 besloten werd dat bij iedere vergadering de roededrager de zandloper moest zetten. Die kan een kwartier lopen en als die afgelopen is moet diegene die dan nog niet verschenen is 1 stuiver betalen voor consumpties bij de vergadering. Zo zal ook gehandeld worden bij de Municipaliteitsvergaderingen.
Op 28 juli 1806 schrijft de magistraat aan de Procureur-Generaal van Overijssel, dat zich in deze stad geen directe criminele gevangenis bevindt. Wel een zekere plaats onder het stadhuis, in de wandeling genaamd 't gat van Ens (onder de toren). Daarin zijn wel eens ondeugende jongens gebracht, die straatschenderijen gepleegd hadden. Die gevangenis is wel stevig, maar op den duur niet gezond, omdat er geen licht in doordringt.
Bij
besluit van de magistraat van 24 februari 1808 werd een weekmarkt opgericht. Op
iedere vrijdag is er markt om 10 uur, te beginnen onder het stadhuis, voor
boter, eieren, spek, hammen enz.
In de vergadering van het Heemraadschap Vollenhove van 7 juni 1819 werd een vertrek op het raadhuis aangeboden door de burgemeester voor het houden van de vergaderingen en werden daar in een kist stukken opgeborgen.
Aan de kantonrechter werd op 14 januari 1839 de kamer aan de zuidwestzijde in het gemeentehuis afgestaan met een daaraan grenzend kamertje. Het zogenaamde zeekamertje werd ingericht voor diverse colleges, die eerst van genoemde kamer gebruik maakten.
De gemeenteraad besloot op 10 augustus 1849 de betrekking van bode af te schaffen en de woning onder het stadhuis publiek te verhuren. Op 29 december van dat jaar werd een gedeelte van het stadhuis verhuurd aan C. F. Seidel. Als herberg, later hotel, bleef het verhuurd aan dat geslacht van vader op zoon, toen de schoonzoon, en daarna anderen.
De raad van de gemeente besloot op 17 februari 1947 de havezate Oldruitenborgh aan te kopen en te bestemmen tot raadhuis. Begin 1951 werd het oude raadhuis geheel ingericht als hotel. Die functie behield het tot begin jaren 1970, waarna het uitsluitend als restaurant verder ging (zie verder bij: Seidel).