De
kapel was een onderdeel van het H. Geestgasthuis, een ziekenhuis dat in 1370
werd gesticht. Het Gasthuis zelf is al lang verdwenen, de kapel bestaat nog. In
1978 was de restauratie gereed.
In 1370 verklaart de Pauselijke afgevaardigde dat het koor van het hospitaal te
Vollenhove en het altaar ter ere van Jezus, de H. Maagd en Maria Magdalena
gesticht, door hem gewijd zijn, met toezegging van 40 dagen aflaat aan elk, die
het gasthuis begiftigt.
Het gasthuis wordt o.a. in 1385 genoemd: op 6 februari van dat jaar kocht het
gasthuis het goed Opper Hoegheboeket.
Op 5 december 1451 wordt gesproken over een voorgenomen schenking aan het
"hospitaelgasthuys geleghen in onzer stadtvrijheid" te Kampen ten
behoeve der timmering ervan van een jaarrente, gaande uit een huis bij het
Heilige Geestgasthuis te Vollenhove.
In het burgerboek van Vollenhove komt voor: 1459 Claes inden hilghen geest.
In een charter van 1511 wordt de kapel en het gasthuis "des hiligen
Giests" binnen Vollenhoe, met name genoemd.
De Gedeputeerden der Geestelijke goederen te Vollenhove verzochten 6 juni 1623
aan Hasselt om mr. Guert, glasemaker, voor zijn kunst en arbeid te betalen 28
car. gld., omdat in de H. Geestkerk een glas met het wapen en nam der stad
Hasselt was geplaatst. Zij delen tevens mee, dat in die kerk glazen aangebracht
zijn: aan de noordzijde de steden Hasselt, Steenwijk, de heerlijkheid Kuinre en
de Schans Blokzijl en aan de zuidzijde de drost van Vollenhove, Henrick Hagen en
Sijse Utterwijck, de stad van Vollenhoo, Jan Petersz en Dominicus Hartcamp
(inventaris Hasselt, blz. 273, no 1739).
Na
de hervorming werd de kapel op een gegeven moment in gebruik genomen als school
en gebouw van de wacht. Ook gebruikt als bergplaats voor turf van de kerk, en
van zeilen en netten voor de vissers.
De Municipaliteit besloot 24 juli 1795 aan de burgerij voor te stellen een
geschikte plaats en niet de school voor de Roomse gemeente tot het waarnemen
hunner godsdienst af te staan. Een verzoek tot afstand van de Kleine Kerk werd
afgewezen (parochiearchief).
Op 30 augustus 1795 werd door de rentmeester van de heer van Rhemen tot
Rhemenshuizen aan de Geestelijkheid van Vollenhove verhuurd het huis
Rhemenshuizen in de Kerkstraat om door de Rooms katholieken als kerk gebruikt te
worden.
Op 1 april 1799 werd hun de voormalige H. Geestkapel ter beschikking gesteld.
Deze werd op 8 mei ingewijd.
Op 26 mei 1800 werden een zilveren kerklamp met het wapen der familie van Dorth
(wonende op Old Hagensdorp) en de zilveren klampen van het missaal uit de kerk
gestolen. De dader(s) bleven onbekend.
De H. Geestkapel had vanaf 1786 geen torentje meer. Plannen tot de bouw van een
nieuw torentje zijn er in 1898 geweest. In een brief van Petit & Fritsen van
24 december van dat jaar aar pastoor H. Hegeman te Vollenhove wordt gevraagd, of
er al een torentje is en of de pastoor de afmetingen hiervan kan toezenden.
Verder schrijft de firma, dat zij Angelusklokjes van 25 tot 100 kg in voorraad
heeft en dat zij in die dagen klokjes van 30 en 45 kg zal gieten. De brief wordt
besloten met een prijsopgave. Voor zover is na te gaan is er toen evenwel geen
torentje gekomen, net zo min als een klok. Een zeszijdige dakruiter, maar zonder
klok, is er pas gekomen bij de restauratie van het gebouw in de jaren zeventig
van de vorige eeuw.
De kapel heeft als kerk tot 21 juni 1953 dienst gedaan, toen een nieuw
kerkgebouw schuin tegenover de kapel in gebruik werd genomen. Het gebouw was
daarna ondermeer klaslokaal, gymnastiekzaal en opslagplaats.
In
1958 was het een bouwval geworden, niets meer en niets minder. Aan alle kanten
werd het in zijn voegen krakende gebouwtje gestut. Op 3 september 1958 werd dan
ook bij het toenmalige ministerie van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen een
gemeentelijk verzoek ingediend, de stoffelijke resten te mogen slopen. Geen
sprake van", oordeelde het departement van Den Haag op 14 mei van het
volgende jaar. O.K. en W. had ,,overwegende bezwaren", omdat het bouwval
,,een van de weinige, nog overgebleven gasthuiskapellen in Nederland is".
Na allerlei subsidieaanvragen en een nog verdere verwoestingen aanrichtende
storm in oktober 1972, gaf het ministerie van CRM in het midden van de jaren
zeventig te kennen, dat f 478.900,- subsidie kon worden toegekend over de door
architectenbureau Meijerink uit Zwolle opgestelde restauratiebegroting van f
575.000,-.
Met vereende kracht werden de herstelwerkzaamheden ter hand genomen. Maar onder
meer door historische vondsten en het mondjesmaat af komen van de door CRM
toegezegde subsidie, wilde de restauratie echter niet al te snel vlotten. Als
gevolg daarvan čn onder invloed van de alsmaar verder stijgende rentetarieven,
werd de financieringsschuld van de Stichting Stadsherstel Vollenhove, de
initiatiefnemer van de restauratie, hoger en hoger.
Naarmate de restauratie vorderde tekende zich steeds duidelijker af dat er
waarschijnlijk geen gegadigde voor de Heilige Geestkapel gevonden zou worden
binnen het verenigingsleven van Vollenhove. Een idee om er het jeugdwerk in te
vestigen werd verworpen, omdat ook dat geen geld in het laatje zou brengen. De
plaatselijke fanfare kreeg er evenmin onderdak, want dat zou te veel
geluidsoverlast bezorgen. In het begin van 1980 ondernam de schuldeisende
ABN-bank in Zwolle dan ook de eerste poging het kerkgebouwtje te verkopen. Het
heeft daarna inmiddels al enkele eigenaren gehad, zonder veel of blijvend
succes.
Het gebouw deed incidenteel dienst als expositieruimte.
Het is een klein eenbeukig gebouw in vroeg-gothische stijl met recht gesloten
koor en een houten zoldering, waarboven de schinkels van het oorspronkelijk
houten tongewelf.
In het koor een muurschildering, voorstellend St. Joris en de draak.
Glas-in-loodramen.
Boven de ingang is een verbleekte aanduiding in de boog waarneembaar, waaruit
men met enige moeite het woord Deo en nog enige letters aan de tand des tijds
kan ontrukken. Vermoedelijk heeft er gestaan: Deo Gratia (bij Gods genade).