In
de zijgevel van het huis Bisschopstraat 16 bevinden zich muurankers die samen de
naam OLDHUIS vormen. Daar heeft de havezate Oldhuis gestaan. Het oorspronkelijke
huis is afgebroken omstreeks 1875. Het had een topgevel aan de Bisschopstraat,
alle kamers gelijkvloers; en een zolderverdieping met vliering.
In de Overijsselse almanak van 1846 wordt gemeld, dat vanaf 1598 deze havezate
behoorde aan het geslacht Rengers en dat in dat jaar eigenaar was Gerhard van
Warmelo, landdrost van Vollenhove.
Volkier Sloet, geboren 1563, werd van Oldhuis verschreven. In 1623
solliciteerde hij naar het drostambt van IJsselmuiden en schreef aan Kampen, dat
hij een der oudsten was, die ten landdage verschenen.
Zijn zoon Hendrik trouwde in 1645 met Everdina van Uterwyck, ging in het huis
van zijn schoonouders aan de Groenestraat wonen en noemde het
Cannevelt, waarvan
hij zich vervolgens liet verschrijven in de Ridderschap.
Hiernaast
staat afgebeeld de zogenaamde opzweringsstaat van Volkier Sloet tot Oldhuis
(1634-1669) met vier kwartieren. Vanwege de havezate Oldhuis te Vollenhove werd
hij in 1659 geadmitteerd in de Ridderschap van Overijssel. Van 1665-1667
vertegenwoordigde hij Overijssel in de Raad van State. In 1667 werd hij
commandeur van de Duitse Orde, balije Utrecht. Zoals blijkt uit zijn kwartieren
stamde zijn moeder Anna Margaretha von Waltmanshausen, uit een Duits geslacht.
Haar vader was Borchard von Waltmanshausen uit de Pfalz, die als kolonel in
garnizoen met de Zwolse Lebuïna van Ryswyck huwde.
Deze kleinzoon van de eerdergenoemde Volkier Sloet verzocht in 1659 aan het
College van de Volle Stoel om een perceeltje van de Weme(kamp) te huren,
strekkend van de oude hut van Jonkheer Hagen of de hoek van de stadswal tot aan
het land, dat hij onlangs van Jonkheer Geert Sloet had gekocht. Op 21 november
werd door dat College besloten het te bekijken en na bevinding van zaken met
verzoeker overeen te komen. Daarop verzocht Jonkheer Hagen, omdat van de door
hem gehuurde Wemekamp een perceeltje aan Jonkheer Volkier Sloet in erfpacht en
een perceeltje aan Jonkheer Willem Dompselaer in koop was afgegaan,
gedeeltelijke ontheffing van dijklasten.
Door de Volle Stoel werd 30 september 1661 besloten, dat hij zelf met Jonkheer
Volkier Sloet huur en dijklasten moet overeenkomen. Met Volkier Sloet en later
zijn erven ontstond over dit perceeltje een probleem, dat in vergaderingen van
de Volle Stoel van 1668, 1675 (2x), 1676, 1683 en na 1690 (23 mei) ter tafel
kwam en met een akkoord eindigde.
In een register van de jaarlijkse uitgangen ten behoeve van het Ecclesiastieke
Rentambt van Vollenhove 1695-1745 komt Jonkheer Volkier Sloot voor, en later
Jonkheer Tengnagel uit zijn havezate Olthuys binnen Vollenhove met een uitgang
van f 2,16 en een van 4 stuivers.
In 1700 stierf de oorspronkelijke tak Sloet tot Oldhuys uit. Vier leden, van
vader op zoon, en meer andere Sloet tot 0ldhuis zijn er van verschreven geweest.
De laatste, Bartolt Maurits, verkoopt reeds vóór 1697 zijn havezate en
landerijen.
In 1697 wordt Reinier Lodewijk Gansneb genaamd Tengnagel van Oldhuis
verschreven. Op het stadhuis te Kampen was een wapenbord van hem. Hij sloot
huwelijksvoorwaarden te Vollenhove op 23 november 1695 met Aleida Geerline
Gansneb genaamd Tengnagel, een dochter van Lodewijk tot Marxveld.
Bij acte van 5 februari 1735 verklaarde zij over te dragen aan Lodewijk Arent
Gansneb genaamd Tengnagel de havezate Olthuys, bestaande uit huis, hof en schuur
met recht van verschrijving en andere adellijke privilegiën, recht en
gerechtigheid die daarbij behoren.
Deze was gehuwd met Margaretha Wilhelmina Frederica Mulert, zuster van de
eigenaar van de Oldenhof. Gansneb genaamd Tengnagel was aanvankelijk - in 1724 -
vanwege het Hoogehuis te IJsselmuiden in de Ridderschap verschreven. Dit
verruilde hij in 1735 voor de havezate Oldhuis te Vollenhove. De erfgenamen van
Mulert verkochten daarop in mei 1742 de havezate Oldenhof aan deze Lodewijk
Arend Gansneb genaamd Tengnagel. Nadat hij in 1743 de onder de Oldenhof
ressorterende goederen had laten taxeren kon hij vanwege die havezate worden
verschreven.
Van 7 januari 1743 is er een taxatie van goederen, behorende bij Oldhuis voor
Reinier Adriaan Gansneb genaamd Tengnagel, zoon van Lodewijk Arend, als eigenaar
van 13 dagmaat hooiland in Barsbeek bij de Woltweg en de Elskampen bij het
Clooster van St. Janskamp.
Na de dood van Lodewijk Arend Gansneb genaamd Tengnagel in 1750 vererfde het
bezit op zijn zoon Reinier, die ongehuwd in 1763 stierf.
Oldhuis bleef in het geslacht Gansneb genaamd Tengnagel, leden ervan werden van
Oldhuis verschreven. Andere leden van de familie waren in het bezit van de
havezates 't Hoogehuis (IJsselmuiden), de Luttenberg en de Bredenhorst (Heino),
en het huis de Leemkuil (Bemmel).
Tenslotte verklaarde op 18 oktober 1776 de weduwe van Jan Adriaan Joost
Sloet, in leven heer van Diepenbroek, Westerholt en Oye, burgemeester van
Zutphen, dat zij afstand deed ten behoeve van haar jongste zoon Ludolph E. W. S.
Sloet van het recht van eigendom in en aan het allodiale riddermatige huis en
havezate Oldhuis c.a. te Vollenhove, enige tijd daarvoor door haar aangekocht
met het recht van verschrijving in de Ridderschap dezer provincie, onder
voorwaarde, dat die zoon na haar dood het weder in de boedel moest brengen.
Deze zoon werd van 0ldhuis verschreven in 1778 en huwde met Anna Geertruid
Baronesse van Broeckhuysen.
Bij de boedelscheiding tussen de kinderen van wijlen Jan A. J. Baron Sloet en
Wilhelmina A. E. E. Baronesse van Heeckeren van 21 augustus 1782 ontving Ludolph
Sloet o.a. de adellijke havezate het Oldhuis met de daarbij behorende hof en het
recht van verschrijving in de Ridderschap van Overijssel, gelegen in de stad
Vollenhove, voorts Rieken Kelders - Goor, gelegen in het Scholtambt van
Vollenhove, leenroerig aan de huize Tweenijenhuizen. In de huwelijksvoorwaarden
van Ludolph van 19 december 1782 komt dan ook voor, dat van de zijde van de
bruidegom wordt aangebracht de adellijke huize en havezate Oldhuis en de
daaronder behorende goederen voor zover hem reeds uit zijn vaders erfenis
toekomende en de rest als medegift van zijn moeder. Hij werd van Oldhuis
verschreven in 1778.
In 1846 was zijn zoon Jan Adriaan Joost Baron Sloet tot Oldhuis
districtscommissaris van de Veluwe, wonende op het huis de Beele onder Voorst,
nog eigenaar.
Omstreeks 1850 vinden we in Zwolle de aristocraat Baron Sloet tot Oldhuis, die Zwolle graag een vooraanstaande rol wilde laten spelen in de Nederlanden. Zwolle moest daarom een open verbinding krijgen met de Zuiderzee. Niet via concurrent Kampen - daar hield Zwolle niet van - maar via Hasselt en Genemuiden, het Zwarte Water en het Zwolsche Diep. Sloet vond in ir. Benjamin Pieter Gesinus van Diggelen en zijn 'Naamloze Maatschappij ter verbetering van de handelsweg over het Zwolsche Diep, mede door middel van landaanwinning' een man die zijn plannen kon waarmaken. Hij ontwierp de vaarroute met aan het eind in de Zuiderzee twee leidammen en een vluchthaven met lichtwachterswoning. Deze woning, hoog boven het water en gebouwd op kraggen, werd later Kraggenburg genoemd. Tegenwoordig is het als Oud-Kraggenburg in de Noord-Oostpolder terug te vinden, vlak bij het Voorsterbos.