De stadsgracht van Vollenhove

Stadsrechten in 1354

Vollenhove ontstond in de elfde eeuw als nederzetting aan de voet van de versterking van de bisschoppen van Utrecht. Die versterking legden ze aan op de hoge keileemheuvel aan de oostelijke oever van het Almere of Flevomeer om van daaruit het ‘Oversticht’ te besturen. De landstreek ontleende zelfs zijn naam aan die heuvel, “hoogte aan (na) de Vlie” werd Fulnaho en later Vollenhove (of Veno). Vanaf 1165 was het een kasteel, waarvan de ‘borgmannen’ in de buurt adellijke huizen gingen bouwen. De nederzetting groeide gestaag en kreeg als beloning voor trouwe diensten van bisschop Jan van Arkel in 1354 stadsrechten, zoals andere steden in Salland die al hadden. Het was vooral een recht op zelfbestuur voor de burgers die binnen een ‘afgepaalde’ vrijheid woonden, inclusief een aantal van zijn borgmannen. Daarnaast konden allerlei privileges worden gegeven, zoals het recht op het houden van markten of het aanleggen van verdedigingswerken. Dat laatste waren lang niet altijd muren, vaak ging het om goedkopere stadswallen.

Wallen en grachten in 1425 en 1525

Ergens rond 1425 hebben ook de burgers van Optencamp, zoals de nederzetting eerst heette, dat recht gekregen – ze gingen althans een stad omringen met een stadsgracht en bijbehorende stadswal. De voor de gracht uitgegraven grond werd aan de binnenkant vanzelf een wal, die werd ten slotte met een stekelhaag beplant. Om de stad in en uit te kunnen moesten er dan ook poorten zijn, met een brug over de gracht. In de privilegiebrief van 1492 van bisschop David van Bourgondië worden die poorten met naam en plaats genoemd. De stad blijkt inmiddels te zijn uitgebreid naar het oosten, waar rond 1440 grond is verworven uit de Radincshuerne, omvangrijke landgoederen die als een halve maan ten oosten om de stad lagen.
In de eerste aanleg was de gracht al efficiënt vlak rondom enkele belangrijke havezaten gelegd, zoals die van Hagen, Rutenberg en het huis dat later Nijerwal zou gaan heten (naar de nieuwe cq opgehoogde wal achter de hof). Bij de uitbreiding moest er ook langs het lage goor een stuk gracht worden gegraven, waar de oude gracht nog gewoon op de kust aansloot. Rond 1525 was de uitbreiding helemaal gerealiseerd, waarbij de Kerkstraat schuin naar de nieuwe Landpoort en brug over de stadsgracht werd geleid.

De grachten zijn duidelijk te zien op de kaart van Jacob van Deventer uit 1560, een goede militaire cartograaf die met stippen op de wegen de afstanden aangaf (tussen 2 stippen is tien passen). De kaart van Johan Blaeu uit 1649 geeft nog meer details, maar (ook) die zijn niet allemaal even correct. De grootste misser is een gracht op de plek van de tegenwoordige Gasthuisstraat, een fout die op de volgende kaart, van Jan de Lat uit 1724 is goedgemaakt.

Zo zien we de stadgracht steeds terug op volgende kaarten, zelfs nog op de militaire topografische kaart van 1955 waar het deel aan de westkant, nu gekruist door o.a. de Canneveltstraat, als een sloot is ingetekend. Ook op luchtfoto’s, gemaakt in de jaren 1930 en 1940, is te zien dat er nog een soort sloot loopt op de plek van de voormalige stadsgracht, met bomen er langs.

Stadsgracht in archieven als markering

De oudste mij bekende vermelding is van 1407. Toen werd een boterpacht verkocht uit een erf te Vollenhove, waar aan de westzijde gelegen is "die graft van den Camp te Vollenhove, streckende van die Bentthet ant Ghoer”. De plaatsaanduiding is dus zuid - noord.
In 1457 huurde Egbert van Rutenberch Rolofszoon de stadsgracht voor tien jaar om te vissen. Hij woonde op de havezate die we nu nog kennen als Oldruitenborgh. Het huis stond met de zuidmuur in het water van de gracht, een optimale bescherming tegen indringers.

De stadsgracht wordt regelmatig genoemd in archiefstukken van de stad en van adellijke families. Het is een duidelijke scheidslijn, en daarvan wordt voor beschrijvingen van stukken land of van bepaalde rechten goed gebruik gemaakt.

Als voorbeeld uit een akte van 7 oktober 1441:
“Burgemeesters en de Raad der stad Vollenhoe oorkonden, dat voor hen in het gericht Alfer van Yselmuden en Fye, zijne vrouw, met Alfer haar momber, verklaarden verkocht te hebben den kerkmeesters van Onze Lieve Vrouwen kapel te Vollenhoe ten behoeve van die kapel eene hofstede, gelegen in de Hof straat aldaar, aan de westzijde belend door de Broeders van Sint-Franciscusorde te Campen en ten zuiden door de stadsgracht, voor eene som geld, die zij bekennen ontvangen te hebben. Int jair onss Heren dusent vierhondert een ende viertich des Saterdachs nae Sinte Remigius'dach.“

De stadgracht wordt genoemd in akten over klooster Clarenberg (1445), kasteel Toutenburg (1511), het stadsgoor (1658), de herberg Cartouwe (1660) en veelvuldig in conflicten rond de hof van de familie Hagen. Verder in stukken over Oldruitenborg, Westerholt en Middachten, drie havezaten die met hun hof grensden aan de gracht.

Bluswater

Bij verpachting, o.a. in 1639, van de stadshoven, moesten de huurders de stadsgracht, op aanzeggen, uitdiepen. De meeste hoven lagen bij de Doelen.
Bij brand bracht het water uit de grachten van de stad uitkomst. Raad en Meente besloten op15 oktober 1726 met het oog op het brandgevaar en het ontbreken van voldoende water de stadsgracht te doen opmaken en uitgraven. Dit werd in september 1727 gedaan. Hetzelfde college besloot op 3 april 1789 om de stadsgracht te laten uitbaggeren en in het vervolg dit elk jaar te laten doen met een beugel.

De stadsgracht bevatte kennelijk niet altijd voldoende water, zoals blijkt uit het krantenverslag van de grote brand – ontstaan bij de bakker op de splitsing Kerkstraat / Bisschopstraat - bij de Voorpoort in 1868: “door de ijverige pogingen van de brandweer en de gunstige werking van de brandspuiten, uit de gemeenten Blokzijl en Genemuiden gezonden, en van de handbrandspuiten in eigendom behorende aan mevr, de douairière Sloet van Oldruitenborgh en aan den heer A. baron Sloet tot Oldruitenborgh, die het water ontvingen uit de gracht van de havezathe Tautenburgh, heeft men de verdere uitbreiding van den brand voorkomen. De oorzaak van den brand is niet bekend”.

Het einde

De grachten rond de Toutenburg sloten aan op de stadsgracht, een staaltje efficiency van eigenaar Schenck. Na de sloop van het kasteel werden de resten, de slotgracht met eilandje en daarop de follie die we als ‘ruïne’ kennen, opgenomen in het landgoed of park van Oldruitenborg. Ook enkele aansluitende delen van de stadgracht kwamen daar in terecht. Die ontkwamen daarmee ook aan het dempen, en werden zelfs onlangs gerestaureerd inclusief een stuk van de oude stadswal.

Henk Jongman, een leven lang werkzaam in de visserij, beschreef zijn jeugd in de Visscherstraat en omgeving en vertelde over het gebrek aan riolering het volgende: “het water uit de goten van de hele stad kwam samen op de Vismarkt. Van daar liep het naar een moddersloot op de plaats van het huidige Goor. De moddersloot mondde uit in de stadsgracht (nu de straat Molenberg) en ging dan bij hotel Van der Veen (tot voor kort een supermarkt) onder de weg door in de richting van de Benten. Hier zakte het in de bodem.” Die moddersloot moet ook nog een restant van de oude stadsgracht zijn geweest.

Aan het Hervormd Armbestuur werd op 12 december 1854 toegestaan het uitdiepen van de stadsgracht van het Goor tot de brug bij de gewezen Landpoort. Vermoedelijk had de gracht nog een functie als afscheiding. Later hadden de stadsgrachten geen zin meer. Ze werden in 1921 gedempt met grond uit de oude haven die toen werd uitgediept.

Poorten

De poorten verliezen al in de zeventiende eeuw hun waarde en verdwijnen. Alleen van de Landpoort zijn nog resten gevonden. Daar was begin vorige eeuw nog op oude ansichtkaarten de brug over de stadgracht te zien, en richting de molen noordwaarts de inmiddels grotendeels dichtgeslibde en drooggevallen gracht.

Bij rioleringswerkzaamheden in augustus 1953 aan de Voorpoort stootte men op twee meter diepte op een duiker. Aan weerskanten vond men resten van een dikke muur tot op meer dan drie meter diepte. Aan de zuidkant van het huidige plein begon men in 1997 met het bouwen van een winkel en appartementencomplex. In de bouwput is nog gezocht naar overblijfselen van de landpoort, en de fundamenten werden gevonden.

In 1992 werd de voormalige duiker van de stadsgracht naar de oude haven hersteld. Deze ligt bij de voormalige Voorstpoort van de stad.

Huidige situatie

Iedereen die zich een voorstelling wil maken van de situatie van toen in de omgeving van nu kan voor een blik op de stadskaart van Blaeu terecht in het CultuurHistorisch Centrum Land van Vollenhove. Op een sterk vergrote kaart op doek staan daar de locaties van alle havezaten van toen aangegeven.
De laatste stukken stadsgracht zijn te zien in park Oldruitenborg, eventueel onder begeleiding van een gids.
Bij de uitbreiding van Vollenhove naar het westen in de jaren na de oorlog hebben nieuwe straten, zoals de Canneveltstraat, het tracé van de voormalige stadsgracht gekruist. De Van Middachtenstraat lag nog net binnen de stad, parallel aan de gracht. Zo ongeveer op de kruising met de Canneveltstraat lag in de veertiende eeuw de oudste havezate van de familie Hagen. De gracht lag zo’n 30 meter ten westen van de kruising.

www.henkvanheerde.nl/vollenhove