De reformatie, de vestiging van de gereformeerde kerk en het verbod van de
katholieke eredienst is voor het platteland van Noordwest-Overijssel een
gebeuren van het laatste decennium van de zestiende en het eerste van de
zeventiende eeuw. Heterodoxe ideeën hebben echter reeds lang tevoren invloed
uitgeoefend. Giethoorn en Steenwijk worden in de jaren dertig der zestiende eeuw
genoemd als plaatsen waar aanhangers van het anabaptisme verkeren. In
laatstgenoemde stad was Jan van Batenburg burgemeester geweest, voor hij zich
als leider van de gewelddadige anabaptistische secte der Batenburgers of
moordbranders gevreesd maakte. Deze secte maakte na de val van het "Nieuwe
Jeruzalem" van Jan Beukelsz. van Leiden in Münster het platteland van Westfalen
en Overijssel onveilig en had het speciaal voorzien op kerkelijke bezittingen en
goederen van overheidsdienaren. Jan van Batenburg bekende in 1538, tijdens het
verhoor voor zijn terechtstelling in Vilvoorde bij Brussel, het volgende te
weten over zijn geestverwanten in beide plaatsen: "Die van Giethoirn syn beruft
darom se vur den drost van Vollenhoe geweest syn en weet niet hoe 't daer mede
is dan heeft wel gehoirt dat heere Bartel ende heere Geryt Roelof ende Jan
Scheel beruft zyn, maer of zy herdoopt zyn weet hy niet. In Steenwyck esser een
deel beruft dan en weet gheen sunderlinge bescheit te seggen anders dan kent een
doper gnant Steven maer en weet niet of hy twee vrouwen in echte heeft".
Batenburgs bekentenissen waren voor het Hof in Brussel aanleiding om Philips van
Uytwijck als inquisiteur naar Overijssel te zenden om in samenwerking met de
stadhouder en de drost van Vollenhove de gevreesde kerkrovers te vervolgen.
Resultaten van zijn zending worden niet vermeld. Hoewel Batenburg op de hoogte
was van enige maatregelen van de drost tegen de wederdopers, schijnt deze de
doopsgezinde gemeenschappen in zijn drostambt lange tijd vrijwel ongemoeid
gelaten te hebben. Jan Scheel, door Batenburg met name genoemd, woonde in 1544
nog in Giethoorn, zoals blijkt uit de bekentenissen van Willem Dircksz.
Zeilmaker, in dat jaar in Utrecht terechtgesteld: "Seyt dat een genoemt Tyman,
wonende te Giethoorn, alrenaest Jan Scheel was ende is een bouman mede vant
verbond ende kerckrover. Dese vurs. Jan Scheel ende Tyman kennen daer veel meer
die vant verbond van Batenborch ende David Joris syn. Seyt dat een van Giethoorn
Henrick Herschmaker wonachtig (is) te Heyouer (Joure) ende heeft berooft die
kerck tot Oude Lemmer geleden omtrent vijff jaren ende is gedoopt, een doper
ende vant verbond ende kerckrover". Zeilmakers bekentenis was aanleiding tot de
arrestatie en verdrinking in de IJssel van drie vrouwen in Kampen. Twee van
dezen behoorden tot de Batenburgers en noemden Joost Cremer van Giethoorn als
hun geestverwant. De derde, afkomstig uit Munster en al eerder om geloofszaken
veroordeeld, ontkende iets met de kerkrovers van doen te hebben doch zei te
behoren tot de secte van David Joris. Ze was gehuwd met een ex-priester uit
Giethoorn. In 1551 confisceerde de drost van Vollenhove, Harmen van Westerholte,
de goederen van Jacob Wichersen van Giethoorn, die ervan verdacht werd herdoopt
te zijn, doch lange tijd vrijwel ongemoeid was gelaten. Toen de drost niet
bereid was het verzoek van de ketter om teruggave van zijn goederen in te
willigen, nam deze wraak door de schuren en korenmijten van de drost in brand te
steken en zijn weidende ossen te doden. Kort daarop werd de drost, door de
landvoogdes ontslagen, onder meer beschuldigd van toegeeflijkheid tegenover de
moordbranders. Wellicht waren de moordbranders eveneens verantwoordelijk voor de
"brandstichterijen, moorderijen en andere schelmstucken", die in 1558 in
Giethoorn werden gepleegd. In 1565 verschenen de inwoners van dit dorp echter
vreedzamer in het beeld. Stadhouder
Aremberg vroeg de
Kamper magistraat beter toezicht te houden op de "eilanden" (bedoeld zal zijn
het waterrijke platteland in het rechtsgebied van de stad), waar inwoners van
Giethoorn ketterse bijeenkomsten hielden.
Blijkt uit deze gegevens onmiskenbaar de aanhang van het anabaptisme onder de autochtone bevolking, het blijft verleidelijk een relatie te leggen tussen de oorsprong van de doopsgezinde gemeenschappen in Noordwest-Overijssel en de gebeurtenissen van maart 1534, toen een "untelliche mennichvoldigheit van man, wijf ende kinder", afkomstig uit Vlaanderen, Zeeland en Holland, per schip en te voet op Zwolle aftrok om zich op de Agnietenberg te verenigen met andere groepen om samen naar Münster te gaan. De vloot werd tegengehouden bij Genemuiden, de schepen verbeurd verklaard en de opvarenden weggestuurd. In Zwolle werden ongeveer honderd dopers in hechtenis gezet en zeven leiders terechtgesteld.
In 1567, wanneer een einde wordt gemaakt aan de betrekkelijke vrijheid die de
hervormden in de voorgaande anderhalf jaar in de Overijsselse steden hebben
gehad, vluchten velen naar elders. Onder hen is ook Jan Sloet, de drost van
Vollenhove. In 1572, na de eerste successen van de opstand in Holland en
Zeeland, landt een groepje geuzen bij Vollenhove. Ze nemen een pastoor en een
kapelaan gevangen en plunderen op de terugtocht Emmeloord op Schokland. In het
najaar van hetzelfde jaar bezet graaf Willem van den Berg, een zwager van Willem
van Oranje, naast Zwolle en Kampen, Hasselt, Genemuiden, Meppel en Steenwijk
waardoor hij ook het platteland beheerst. Al in november moet hij wijken voor
het oprukkende leger van Don Frederik, de zoon van Alva. Maar in de korte tijd
van zijn verblijf in Overijssel heeft "onses alregenedichsten heeren rebell"
zoals zijn tegenstanders hem noemen, kerken en kloosters geplunderd en
katholieke overheidsdienaren ontslagen.
Na de Pacificatie van Gent in 1576 verdwijnen de Spaanse garnizoenen uit Zwolle
en Kampen, maar het Staatse leger is niet welwillender tegenover de bevolking
die het geacht wordt te beschermen. Rennenberg, de stadhouder van Overijssel,
kiest aanvankelijk de Staatse partij, doch pleegt na korte tijd zijn beruchte
"verraad" en belegert in de winter van 1580/1581 Steenwijk. In 1582 gaat deze
stad alsnog voor de Staatse partij verloren. Het Land van Vollenhove is tijdens
het beleg en de bezetting van Steenwijk front- en fouragegebied voor beide
partijen. Zolang de Spaanse macht overheerst, blijft het katholicisme
gehandhaafd, maar als de Staatsen in 1592 Steenwijk heroveren wordt overal het
openbaar belijden van het katholieke geloof verboden en de gereformeerde kerk
gevestigd.
Begin 1581 wordt de Spaanse bezetting uit Vollenhove verdreven en tegelijk wordt de pastoor ontslagen. Het duurt echter nog veertien jaar voor zijn plaats door een predikant wordt ingenomen. Wel worden twee personen beroepen: in 1581 een zekere Petrus Deken en in 1582 Johannes Sylvius uit Zwolle, die hun beroep kennelijk niet hebben aanvaard. Aangenomen mag worden dat de beroepen zijn uitgebracht door de groep rond de familie Sloet. Jan Sloet de Oude was in 1578 naar Overijssel teruggekeerd, had zijn ambt van drost van Vollenhove weer opgenomen en bevorderde de reformatie in Kampen, waar hij militair commandant was. Zijn zoon, Jan Sloet de Jonge, die hem in 1579 opvolgde, laat zich in later jaren eveneens als een ijverig voorstander van het gereformeerde geloof kennen.
Een gereformeerde gemeente kan er in de woelige jaren tachtig nog niet
geweest zijn. Er wordt tot vlak voor de poorten gevochten en in 1588 klaagt de
Overijsselse synode dat de vijand in Vollenhove en andere plaatsen geen
gereformeerde predikant duldt. De synode aanvaardt node, hoewel zij haar
toestemming onthoudt, dat de eredienst door een in het zwart geklede priester
wordt verzorgd. De aanwezigheid van het Staatse garnizoen in Blokzijl is dus
niet voldoende om een gereformeerd predikant te kunnen beroepen. Toch moet de
priester het vrijwel zonder militaire bescherming gedaan hebben. Stond de
bevolking als geheel welwillender tegenover hem dan tegenover een predikant?
De sfeer in de stad is gespannen en onzeker, niet alleen vermeldt het "Boek van
allerhande acten, 1494 - 1759", dat in deze jaren slordig en met hiaten is
bijgehouden, scheldpartijen aan het adres van de drost, de schepenen en de raad
van Vollenhove, zelfs is er sprake van een beeldenstorm op kleine schaal,
waarvan aartspriester Waeijer van Zwolle in de zeventiende eeuw verslag doet.
Hij vermeldt niet zonder leedvermaak het in katholieke kringen levende verhaal
dat de twee woeste beeldschenners, wier uiterste inspanning nodig was geweest om
een houten Christusbeeld te vernielen aanstonds na hun misdaad in vreselijke
benauwdheid en pijn gestorven waren.
De betekenis van katholieke vormen brokkelt af in deze jaren. De inhoud van de eedsformule verandert, worden in 1584 nog de heiligen naast God aangeroepen, in 1587 wordt gezworen op God en het evangelie. Tot 1581 worden jaarlijks vijf kerkmeesters gekozen, daarna slechts ëën per jaar. De "dach Petri ad cathedram", de dag waarop de magistraat wordt vernieuwd, is in 1583 geseculariseerd tot "1 februari". In 1594, twee jaar na de bevrijding van Steenwijk, heeft Vollenhove zijn eerste predikant in de "ghewesen dienaer" Arnoldus van Heemse, afkomstig uit Laar in het graafschap Bentheim. In latere jaren berust het recht een predikant te beroepen bij de "Volle Stoel", een college waarin vertegenwoordigers van de magistraat en de plaatselijke ridderschap naast de drost zitting hebben. Van Heemse is kennelijk op eigen initiatief, dus zonder beroepen te zijn, naar Vollenhove gekomen doch eenmaal aanwezig wordt hij door de "ghemeente tot een dienaer begheert". Met gemeente is hier mogelijk weer de groep van protestantse sympathisanten rond Jan Sloet bedoeld. De synode is niet ingenomen met de vreemdeling; hij mag niet worden bevestigd voor hij een getuigschrift van een afgelegd predikantsexamen heeft getoond. Hiertoe is hij kennelijk niet in staat, want hij doet, waarschijnlijk in juli 1597, alsnog examen. In dezelfde maand verhindert de synode de toelating tot het predikambt van Johannes Wierichs, barbier in Vollenhove. Zijn proefpreek in Vollenhove was beneden de maat geweest en bovendien hebben de leden vernomen dat hij in Hindelopen "particulier vermaninghe hadd gedaen".
Tot in het jaar 1599 is Arnoldus van Heemse predikant in Vollenhove. Dan
wordt zijn plaats ingenomen door Johannes van Langen (of Langius), die de
gemeente tot 1619 heeft gediend. In dat jaar vertrekt hij naar Utrecht. Al in
zijn eerste ambtsjaar krijgt hij een beroep naar Nijmegen, dat hij van de synode
niet mag aannemen, "aenmerckende de groote stichting daermede Langius aldaer
staet, maer ook de grote scheuringe dewelcke op zijn vertreck soude volgen". Om
hem de uitoefening van het ambt lichter te maken belooft men dat Vollenhove een
tweede predikant zal krijgen. Een belofte die niet wordt ingelost gedurende de
tijd die hij in Vollenhove staat. Van Langen is een man van gezag, gelet op het
aantal malen dat hij praeses of scriba van classicale en synodale vergaderingen
is geweest. Uit twee voorvallen, in de acta van de classis Steenwijk beschreven,
leren we hem kennen als een man die zijn goede naam verdedigt, maar die
anderzijds de morele moed heeft schuldbelijdenis te doen. In 1602 betichten de
mennisten hem ervan, dat hij het niet aangedurfd zou hebben enkele edelen te
vergezellen naar hun vermaning en met hen te disputeren. Langius stelt de
classis van de ware toedracht op de hoogte: het had hem niet aan moed ontbroken,
maar de edelen die hij zou vergezellen waren verhinderd door een begrafenis.
Bovendien zou het bezoek aan de vermaning op zaterdag vallen, een dag waarop hij
twee predikaties had voor te bereiden. De classis oordeelt dat de mennisten, als
ze willen disputeren, naar Vollenhove kunnen komen, maar dat zij laster tegen
één van haar leden niet kan aanvaarden. De drost moet de lasteraars maar
aanspreken over deze dingen.
In maart 1604 heeft Langius door een "disfameusen, wel calumnieuseliecken"
brief, die hij de drost geschreven heeft de goede verstandhouding met de
gewestelijke autoriteiten zo ernstig in gevaar gebracht dat de Staten hem met
"discretie ende gevoeglichheit" uit het ambt dreigen te zetten. De Vollenhover
predikant, geschrokken van de gevolgen van zijn schrijven, bekent "sijne passie
te veel nagevoicht tho hebben" en vraagt de synode hoe hij zich zal kunnen
verzoenen met de autoriteiten. De vergadering beslist dat hij, vergezeld van een
collega uit de classis Steenwijk op de Landdag van Ridderschap en Steden een
brief zal overhandigen, waarin uitleg van zaken wordt gegeven en bovendien
gevraagd wordt of de Staten hem, nadat hij schuldbelijdenis heeft gedaan, in
zijn ambt willen handhaven. De Staten ontvangen het verzoek, doch blijven bij
hun vorige besluit, hoewel Langius niet daadwerkelijk ontslagen is.
Uit het voorval met de mennisten blijkt dat op zondag tweemaal werd gepreekt.
Dit waren echter niet de enige diensten. Uit het verslag van de moeizame
pogingen van de gereformeerde kerk, om de laatste pastoor van Wanneperveen voor
te bereiden op een predikantsexamen, mogen we zelfs afleiden dat Langius
dagelijks preekte.
In april 1600 werd in Vollenhove de eerste gereformeerde kerkeraad geïnstitueerd. De Kamper predikant Caspar Holstechius had daarbij de leiding. Het college bestond naast de predikant uit vijf ouderlingen en twee diakenen, die "als sij de gansche gemeinte driemad waren voorgestelt ende niemand eenige beletselen voortbracht sijn sij nae Christelicke ordonnantie voor de geheele menichte bevestiget in den Naeme des Heeren". De taak van de diakenen bleek te zwaar te zijn, daarom werd hun aantal reeds in april 1601 verdubbeld. Een jaar later werd het aantal ouderlingen uitgebreid tot zes, doch daarna vermeldt het notulenboek tot 1607 geen verkiezingen. Twee van de ouderlingen waren lid van de plaatselijke ridderschap, de derde heette afkomstig te zijn uit "die Sijl". Het ligt voor de hand dat hiermee Blokzijl werd bedoeld, hoewel het geheel onduidelijk is op grond van welke regeling iemand uit die plaats zitting had in de Vollenhover kerkenraad. In 1600 waren drost Jan Sloet en burgemeester Pieter Claessen tot ouderling gekozen. Zij namen hun verkiezing aan op voorwaarde dat zij slechts één jaar zouden dienen omdat ze al een zwaar ambt hadden. Sloet was van 1607 tot zijn dood in 1610 opnieuw ouderling.
Het notulenboek licht ons niet in over de betekenis van het ouderlingenambt in de praktijk van het kerkelijke leven. Wel zijn enkele summiere gegevens over de armenzorg door de diakenen, die bij de uitdelingen werden bijgestaan door de ouderlingen. Het beheer van de diaconale goederen werd door de diakenen uigeoefend, terwijl de magistraat toezicht hield op de jaarlijkse rekening. In 1603 werd met de gemeente van Blokzijl afgesproken, dat de armen van de buurtschap Kuinderdijk zouden worden bedeeld door de diaconie van Blokzijl, terwijl die van Leeuwte en Barsbeek werden verwezen naar Vollenhove. In 1610 vermeldt het notulenboek de verkiezing van twee extra diakenen uit de door de Vollenhoofse diaconie bedeelde buurtschappen.
Het beheer van de kerkelijke fondsen en van de goederen van de voormalige kloosters werd uitgeoefend door het college van de Volle Stoel. De nonnen van Clarenberg konden uit deze fondsen in hun levensonderhoud voorzien, ook nadat hun samenwoning in 1609 was beëindigd.
Eén van de meest interessante bronnen voor de reformatiegeschiedenis van Vollenhove is de lijst van deelnemers aan het Heilig Avondmaal tussen 1600 en 1619. Als we deelname aan het Avondmaal hanteren als criterium voor het gereformeerd zijn - hetgeen niet inhoudt dat wie niet deelnam katholiek was - dan zien we dat in verschillende jaren tussen 1602 en 1609 het stadsbestuur grotendeels gereformeerd was, evenals beide weesmeesters en de kerkmeester. De stadsschrijver was echter geen lidmaat van de gereformeerde kerk. In de magistraat en de kerkenraad hadden vaak dezelfde personen zitting, maar beide colleges konden niet geheel samenvallen. Twee van de ouderlingen waren steeds edelen die geen deel konden uitmaken van de magistraat en in de kerkenraad zaten ook mensen uit de omliggende buurtschappen. Van de in totaal 232 avondmaalgangers waren er 33 van adel of aantoonbaar van de adel afhankelijk. Van de dertien havezaten, die zeker in het begin van de zeventiende eeuw bestonden, waren er vijf in het bezit van mensen die tussen 1600 en 1619 deelnamen aan het Avondmaal. Van de eigenaars van zeven andere kan niet gezegd worden dat ze gereformeerd waren, maar op grond van familierelaties mag wellicht worden verondersteld dat ze niet katholiek, mogelijk zelfs "voorstander" van de gereformeerde religie waren. Dit geldt met name voor de leden van de geslachten Sloet en Van IJsselmuiden. Toen in 1621 aan katholieken de toegang tot de Statencolleges werd ontzegd, werden vier leden van het geslacht Hagen, dat in Vollenhove de havezate Oldhagensdorp bezat, getroffen. Op dit riddergoed was tegen het einde van de zeventiende eeuw een Rooms-katholieke schuilkerk gevestigd.
Over de getalsverhouding tussen gereformeerden en katholieken in de eerste decennia van de zeventiende eeuw valt niets met zekerheid te zeggen. Absolute bevolkingscijfers van de stad Vollenhove ontbreken en het getal van 232 avondmaalgangers (95 mannen en 137 vrouwen) is het totaal in de periode 1600 tot 1619. Toen namen slechts drie mensen uit de buurtschappen rond Vollenhove deel aan het Avondmaal. De veronderstelling, dat de reformatie op het platteland nauwelijks was aangeslagen, wordt versterkt door het feit dat de diakenen die in 1610 uit de buurtschappen werden gekozen niet als deelnemers aan het Avondmaal vermeld staan.
Eén katholiek inwoner van Vollenhove heeft bijzondere aandacht van de classis gekregen. Het is Johannes ten Water, een bijschoolmeester. Hij staat bekend als overtuigd "pausgezind" en omdat hij niet voor de classisvergadering, die hem ontboden heeft, wil verschijnen, eisen de broeders dat de drost hem uit zijn functie zet. Of hij werkelijk uit zijn ambt gezet is, is niet bekend. Zijn collega's, Horatius Sibrandi en Jan Hendriks zijn minder principieel en verklaren zich voor de classis bereid de Nederlandse Geloofsbelijdenis te ondertekenen, al wensen ze wel eerst van de inhoud kennis te nemen.