Brand van 1868 in de Voorstad

pand op de splitsing Bisschopstraat - Kerkstraat, net achter de (voormalige) Landpoort, waarin de bakkerij was gevestigd waarmee de brand begonZo’n 150 jaar geleden was de wereld veel kleiner, nieuws uit een andere provincie over iets dat mensen raakte, speelde een hoofdrol. Dat nieuws bereikte de burgers aan de andere kant van het land uitsluitend via de krant (toen nog courant geheten), en pas vele dagen later. Maar ook de afloop werd gevolgd, en er werden net als nu hulpacties gehouden voor het lenigen van de nood – zoals nu ‘giro 555’. Een voorbeeld was het verhaal van de Durgerdammer vissers, die werden gered door Vollenhoofse collega’s, na een barre zwerftocht van 14 dagen op de Zuiderzee. Hun verhaal, in geuren en kleuren via de krant wereldkundig gemaakt door het hulpcomité onder leiding van ds. Dibbetz uit Vollenhove, leidde tot een reeks aan boeken en schilderijen (ook foto’s waren er nog niet in 1849).

Een ander verhaal is de ramp die zich in Vollenhove voltrok in augustus 1868. Het was een heel droge zomer geweest, alles was kurkdroog. Mogelijk kwam het door vonken uit de vermoedelijk turfgestookte oven van de bakker, net achter de Landpoort in onze stad Vollenhove. In ieder geval sloeg de brand over van huis naar huis, over de stadsgracht heen naar het gebied voor de poort: de Voorstad. Ook de smederij van mijn overgrootvader ging in vlammen op, en daarmee zijn broodwinning. In de familiepapieren trof ik correspondentie met de overheden, die met regelgeving net zo star als nu waren, en hun kans schoon zagen de hoefstal niet meer terug te laten komen. Lees verderop hoe dat afliep!
Hieronder vindt u wat krantenverslagen en berichten van het steuncomité kort na de brand.

Bredasche Courant:

kadasterkaart van situatie rond 1832Te Vollenhove, in de Provincie Overijssel , is in den nacht van 11. Vrijdag op Zaturdag een hevige brand ontstaan, welke door een harden wind aangeblazen niet minder dan 30 huizen heeft in de asch gelegd. De brand is ontstaan bij een bakker in de Kerkstraat, en zijn de vlammen toen ter linker zijde overgeslagen , de gracht over op de huizen van ambt Vollenhove gekomen , en werd daar de geheele buurt verwoest. Daaronder behoorde het logement van de wed. T. v. d. Veen. Vele der personen hebben bij den aanvang van den brand zich nauwelijks kunnen redden. Gelukkig hebben er echter geene persoonlijke ongevallen bij plaats gevonden. De kommissaris des konings in Overijssel is gister dadelijk naar de plaats van 't onheil vertrokken.
Door gebrek aan water hebben de brandspuiten van Blokzijl , Genemuiden en Vollenhove slechts weinig kunnen werken. Had de wind eene andere rigting genomen, dan was geheel Vollenhove waarschijnlijk vernield.

Toelichting: als bakker staat in het kadaster in 1832 te boek ene Jan Hennink, in het pand waarin tot 1953 steeds een bakker gevestigd is geweest – als laatste P. Houtsma-, vervolgens de meubelzaak van Klappe die in de jaren 1970 door brand werd verwoest. Op die plek is nu winkel ‘De Voorpoort’.
‘Ter linkerzijde’ is de noordkant, waar o.a. een kaarsenmaker was gevestigd, dan over de steeg heen naar een boerderij –volgens de eerste kadasterkaart van 1832 van Hendrik Ernst Hofman, en dan over de stadsgracht naar het logement, nu ‘de witte villa’ van de supermarkt.

Prov. Overijsselse en Zwolse Courant:

Men verneemt nader dat door den brand te Vollenhove in den nacht van 7op 8 dezer, de prooi der vlammen zijn geworden: 27 huizen bewoond door 31 huisgezinnen, uitmakende 120 zielen; 3 schuren; 1 magazijn van het dijkbestuur; 1 kuiperswinkel; 1 paard, 1 veulen, 4 kalveren, 7 varkens, een aantal kippen, benevens de inboedels. Tegen brandschade waren verzekerd 24 huizen, 3 schuren, het magazijn van het dijkbestuur en de kuiperswinkel. De getaxeerde waarde van het verbrande bedraagt ruim f 45000. De huisgezinnen, welke van woning beroofd zijn, worden voorloopig gehuisvest bij ingezetenen te Stad en Ambt Vollenhove. Door de ijverige pogingen van de brandweer en de gunstige werking van de brandspuiten, uit de gemeenten Blokzijl en Genemuiden gezonden, en van de handbrandspuiten in eigendom behorende aan mevr, de douairière Sloet van Oldruitenborgh en aan den heer A. baron Sloet tot Oldruitenborgh, die het water ontvingen uit de gracht van de havezathe Tautenburgh, heeft men de verdere uitbreiding van den brand voorkomen. De oorzaak van den brand is niet bekend.

detail uit topografische kaart 1850Opmerkingen: de kuiperswinkel staat in het kadaster in 1832 te boek op kavel B520, op naam van Herm Snijder. In totaal staan in de Voorstad in het kadaster langs de straat in 1832 aan de noordzijde 11 kavels te boek, en aan de zuidzijde 6.
Een aantal kavels en hun eigenaren / bewoners staat beschreven in het artikel in Kondschap, januari 2006, over de afkomst van Havanha, de schrijver Hendrik van Heerde. In 1864 vond er een boedelscheiding plaats waarbij twee takken van de familie zich splitsten. Aan de noordkant werd de smederij voortgezet door voormalig beurtschipper Egbert van Heerde, die het huis met smederij kocht voor f 526. Het huis daarnaast werd verkocht aan veehouder Hendrik ten Napel voor f 501. Aan de zuidzijde werden beide kavels met huizen gekocht door timmerman Hendrik van Heerde, in het meest westelijke huis – gekocht voor f 501 - woonde ene Elias Lenson. Volgens het kadaster woonde verder in 1832 aan de noordkant wagenmaker Egbert Veldhuis, een veehouder, dan volgen 2 huisjes van de erven Jacob Bergkamp, de kuiper Herm Snijders en was er een huisje van de RK Armenzorg. Vervolgens smid Barteld ten Napel en een huisje van de erven Jan ten Napel. Aan de zuidzijde was naast de timmermanszaak van Van Heerde de wever Jan Nieuwenhuis gevestigd, en op kavel H.327 ‘opzichter’ (van het dijkbestuur / waterschap?) Hermen Brink, vervolgens een kavel van smid Berteld ten Napel – tegenover zijn pand aan de noordzijde. De topografische kaart van 1851 geeft qua bebouwing ook ongeveer dit beeld, met aan de noordkant schuren achter de huizen. Onbekend is de functie van het gebouw ten noorden van het logement (volgens kadaster 1832 is de functie ‘tuin’).

Advertentie

Landgenooten!
Eene vreselijke ramp heeft onze (Ambt Vollenhove, red.) gemeente getroffen. In den nacht van 7 op 8 dezer barstte alhier een geweldige brand uit, die binnen betrekkelijk korten tijd 27 huizen en 5 schuren in de asch legde, en de bewoners niet alleen van een eigen dak beroofde, maar tevens voor een groot gedeelte van alles wat zij bezaten. Te treffender is deze ramp, daar velen, die er door getroffen werden, tot den daglooners en landbouwenden stand behooren, en al hun voorraad van hooi, koren enz. voor den winter reeds te huis hebbende, dien daarbij ten eenenmale hebben verloren. Niemand dan wij, die ooggetuigen waren van die ramp, kan zich eene levendige voorstelling van de ellende, die daardoor ontstond, maken, en het is onder den invloed daarvan, dat wij met vrijmoedigheid een beroep doen op uwe welbekende milddadigheid, daar eigen krachten te kort schieten om in dien nood te voorzien.
Beschaamt dan ook, bidden wij, onze hope niet, maar toont u, zoo vele gij iets missen kunt, bereid, om de geslagene wonde, zoo al niet geheel te heelen, dan toch te lenigen. Het besef, dat gij daardoor in den geest van den Vader der liefde handelt, zij daartoe uwe drangreden.
Ook de geringste gave zal door een der ondergeteekenden, die zich allen als commissie met de inzameling der gelden gaarne willen belasten, met dankbaarheid ontvangen worden. Opgave uwer giften zal in de dagbladen gedaan worden.

Vollenhove, 10 Augustus 1868.
De Commissie ter leniging der brandschade te vollenhove,
A.J. ten Cate, Burgemeester; B.J.Dibbetz, Predikant; A.A.A. Molhuijsen, Predik.; L. Bauer, R.K. Pastoor; A.H. Baron Sloet van Oldruitenborgh, Grondeigenaar; G. Baron Sloet van Marxveld, Dijkgraaf; Jhr. G.K. van den Santheuvel, Controleur; Mr. C.J. van Marle, Kantonregter; Mr. M.G. Bentfort, Griffier; J. van Smirren, lid van den Raad; K.H. ten Napel, Wethouder; W. Post, lid van den Raad; R.H. Ebbink, Instituteur.
Ook de uitgevers dezer courant verklaren zich gaarne bereid tot de ontvangst van liefdegiften.

Toelichting: ds Andries Molhuijsen was predikant in Vollenhove van 1852 tot 1887, ds. Bernardus Dibbetz van 1838 tot 1872, De laatste was ook betrokken bij de hulpactie voor de geredde Durgerdammer vissers in 1849. Opvallend is dat ook pastoor Lambertus Bauer, pastoor van 1866-1877, in dit comité mee deed – een vroeg staaltje van oecumene, in ieder geval een bewijs dat de hulpactie breed gedragen werd. Anton Henri baron Sloet van Oldruitenborgh, betrokken als ‘buurman’ en grondeigenaar, woonde toentertijd al in Zwolle – omdat er in Vollenhove zo weinig te doen was. Gerard Sloet van Marxveld zette zich bijzonder in voor de ontwikkeling van Vollenhove. Hij stichtte er in 1869 een stroopfabriek. Jan van Smirren, 1812-1891, was naast raadslid later ook loco-burgemeester maar vooral een belangrijke vishandelaar en exporteur.

Dagblad van Zuid-Holland en Den Haag

BERIGTEN UIT DE PROVINCIEN.

Meppel , 8 Aug. De brand te Vollenhove, van Vrijdag op Zaturdag nacht, waarvan men de oorzaak niet kent, is zeer ernstig geweest. Er zijn toch 26 huizen verbrand, behalve hooi, eenige veulens , varkens en geiten. Een en dertig gezinnen, te zamen 120 personen uitmakende, zijn van hun verblijf beroofd. Gelukkig was de wind West, had hij de tegenovergestelde rigting gehad, dan waren de gevolgen veel erger geweest. De spuiten uit Blokzijl, Genemuiden, en uit de plaats zelve, vooral die van den baron Sloet, hebben goede diensten gedaan. Het water daarvoor moest uit de pompen verkregen worden aangezien de gracht droog was. Het bedrag van het tegen brandschade verzekerde is nog al belangrijk.
Drie weken later: De Commissie voor de door brand noodlijdenden te Vollenhove heeft de eer met hartelijke dankbaarheid bekend te maken, dat bij haar zijn ingekomen de volgende giften: Bij A. J. ten Cate van S. te D. f 35, van H. J. X. te Leiden f 10, van J. H. N. f 10; bij B. J. Dibbetz van H. en M. te Amsterdam f 40, van J. P. aldaar f 3.71, van F. te Epe f 3.96, van V. te Hattem f 1.50, van H. B. te Nijmegen f 4.45 ½ , van S. te Breda f 10, van mevr. N. N. te Zalt Bommel f 10, van C. te Ede f 10, door de heeren Hamming en Bösken te Utrecht, waarvan specifieke opgave in het Utrechtsche Dagblad, f 322.50, van de familie D. te F. f 25, van freule S. te Utrecht een pak kleederen; bij A. A. A. Molhuysen van N. N. f 60, van S. en S. te Almelo f 25, van R. G. te D. f 1.98, van N. N. f 5, van N. N. f 2.50; bij A. H. baron Sloet van eenen onbekende te Zwolle f 200, van A. uit Wageningen f 12.37 ½, van N. N. uit Zwolle f 20, van baron van N. uit Zwolle f 60, door tusschenkomst van den heer W. baron Sloet van Toutenburg te 's Hage f 735, van N. N. uit Zwolle f 60; bij G. baron. Sloet van S. v. T. f 100, van S. v. T. f 100, van N. N. f 10, van iemand uit Indië f 20; bij mr. C. J. van Marle van F. te Harlingen f 25; bij J. van Smirren van O. te Meppel f 8; bij R. H. Ebbink van R. W. te Naarden f 2.97, van N. N, postmerk Amersfoort, met begeleidend versje, f. 7.43 ½ .
Hoe verblijd wij ook over deze milde giften waren, toch zijn ze bij lange na niet toereikend, om ook maar eenigermate in den geleden nood te voorzien. Immers, het is der commissie gebleken, dat, na aftrek der assurantie-penningen, bij zeer matige berekening eene schade overblijft van ruim f 36000, weshalve op nieuw een dringend beroep wordt gedaan op de vaderlandsche weldadigheid. Behalve de uitgevers dezer Courant, hebben zich tot het verder ontvangen van liefdegaven bereid verklaard : te 's Hage de heeren W. baron Sloet van Toutenburg en ds. J. Moll Jacz.; te Amsterdam de heeren ds. J. Posthumes Meyjes, Sluiter en Blaauw; te Utrecht de heeren Hamming en ds. Bösken; te Leiden de heer G. J. Rollandet; te Deventer dr. W. B. J. van Eijk, en te Almelo mr. D. G. Kortenbout van der Sluis.
Vollenhove, 24 Augustus 1868. De Commissie voornoemd, A. A. A. MOLHUIJSEN, Secret, en Thesaur.

Opmerking: ds. J. Posthumes Meyjes plaatst ook nog een advertentie in de krant in Amsterdam, met zijn adres: Prinsengracht bij de Vijzelstraat, AA 600. Bij W. baron Sloet van Toutenburg - broer van Anton Henri baron Sloet van Oldruitenborg - zijn, zo blijkt uit een andere advertentie, ook nog eens giften binnengekomen van 24 burgers, onder wie‘een oud spuitgast van het Ambt Vollenhove’ die 25 gulden geeft, totaal f 735 – het bedrag dat in bovenstaand overzicht ook wordt genoemd. Totaal was er dus f 1941.38 opgehaald!
Nogmaals twee weken later: Naar men verneemt, hebben HH. Gedeputeerde Staten dezer provincie goedkeuring verleend tot het houden eener collecte in al de gemeenten van dit gewest, ten voordeele der niet geassureerden bij den onlangs te Vollenhove plaats gehad hebbenden brand. Bij matige berekening is de waarde van het verbrande f 64,583.20, verzekerd was ƒ28,520, zoodat er aan brandschade resteert ƒ36,003.20. De tot nu toe ingekomen giften tot leniging der geleden schade zijn op verre na niet toereikend om dit verlies te vergoeden.

Voorstad vanuit het oosten gezienBijna een jaar later staat in de Prov. Overijsselse en Zwolse Courant dat die collecte toch niet is doorgegaan:

UITTREKSEL uit het Verslag van de Gedeputeerde Staten aan de Staten der provincie Overijssel, omtrent den toestand der provincie in 1868, gedaan in de Zomervergadering der Staten van 1869.
In den nacht van 7 op 8 Augustus woedde te Vollenhove alsmede een hevigen brand. Te Stad Vollenhove uitgebroken, deelde hij zich al spoedig aan de nabij gelegen huizen van Ambt Vollenhove mede, en vernielde in korten tijd 32 gebouwen. Ook hier deed de openbare liefdadigheid het hare tot leniging van den ramp. De beloopen schade wordt begroot op ƒ 64.583,20 , daarvan was verzekerd voor f 28.580,00. De gemeentebesturen verzochten ons eene provinciale collecte uit te schrijven, ten behoeve van de door den brand noodlijdenden. Hoewel erkennende dat de geleden schade aanzienlijk mag genoemd worden, waren wij toch vau meening, dat de ramp niet van dien omvang was, om het uitschrijven eener provinciale collecte, die voor buitengewoon groote rampen moet blijven voorbehouden, te regtvaardigen.

Gevolgen voor de familie Van Heerde

De brand had als gevolg voor mijn familie, dat er geen bewijzen van eigendom meer waren (vermoedelijk verbrand), zoals blijkt uit de boedelverdeling in 1895, met als begunstigde o.a. mijn overgrootvader:

Dat zij van de hiervoor vermelde onroerende goederen geen meerdere titels van aankomst of bewijzen van eigendom kennen of kunnen afgeven, noch die meerder voorhanden hebben en voor zoveel hun bekend is niet te weten dat daarvan enige meerdere overschrijving ten hypotheekkantore heeft plaats gehad dan een onderhandse acte van aankoop en verkoop getekend den 1ste November 1868 welke is geregistreerd te Vollenhove den 25sten november 1868, deel 34 folio 190 recto vak 7 een blad zonder renvooi. (etc) …. En acten van publieke veiling gehouden door den destijds te Stad Vollenhove gevestigden notaris Pieter Jennes den vijfden en negentienden April 1864 blijkens geregistreerde processen-verbaal van die datum onder mijner minuten berustende, overgeschreven ten gemelden hypotheekkantore den 9den Mei 1864 in deel 274 nummer 26; enzovoort enzovoort.

Problemen met hoefstal op openbare weg als gevolg van de brand in 1868

In 1868 worden bij een brand een aantal huizen in de Voorstad van Ambt Vollenhove verwoest, waaronder blijkens een brief van gedeputeerde staten van Overijssel ook de smederij met hoefstal. Daarna is er blijkbaar een noodstal op de openbare weg geplaatst, wat blijkbaar sinds 1824 verboden was. De burgemeester schreef daarover op 16-9-1868 een brief, en kreeg op 24-9-1868 antwoord. Op 20-10-1868 werd er in een gemeenteraadsvergadering een verordening van politie op hoef- en noodstallen in de voorstad in de gemeente Ambt Vollenhove vastgesteld, die onmiddellijk inging. Het is dan verboden op de openbare straat hoef- of noodstallen op te richten of bestaande te herstellen of te vernieuwen, en reeds aanwezige doch in bouwvallige toestand verkerend of gedeeltelijk vernield, worden op last van de gemeente binnen een nader te bepalen tijd weggeruimd. Op overtreding staat een boete van f 25, en art. 180 van de wet van 29-6-1851, staatsblad 85, is van toepassing.

Op 22-10-1868 komt de bekrachtiging van deze verordening, per missive op 21-10-1868 verstuurd, reeds af van Gedeputeerde Staten. Dat is snel!

Mijn overgrootvader Egbert van Heerde schreef daarop 20-1-1869 een brief aan B&W van Ambt Vollenhove (de Voorstad behoorde niet tot de stad!):

‘Edelachtbare heren, daar mij door den heer burgemeester dezer gemeente is aangezegd om voor de 1e December 1868 mijn hoefstal af te breken en op te ruimen, waaraan ik niet heb kunnen voldoen door dientengevolge ik daar door een groot deel van mijn broodwinning zou moeten verliezen en zo zou dan de laatste schade der brand ook voor mij onbe..baar worden.
Dog wil volgaarne alles doen wat voor mij in deze doenlijk is zo dat ik de hoefstal wel zo kort aan huis wil zetten dat ik mij maar enigszins kan redden. Zo uedel achtbare zulks verkiest verzoeke dan vrindelijk uedelachtbare advies in dezen,

Uedelachtbare onderdanige dienaar, E van Heerde,
Vollenhove den 20 Januarij 1869.

Opmerking: die hoefstal of travalje kwam inderdaad kort aan huis te staan, in de lengterichting direct naast de gevel, ‘op de stoep’. Toen in 1914 de tramlijn Zwolle-Blokzijl in gebruik werd genomen, met een aftakking van het tramstation door de Bisschopstraat naar de haven, liep die zo dicht langs de hoefstal dat er een stuk van de bovenkant afgezaagd moest worden (de balk boven waar normaal het hoofd van het paard zit stak aan de zijkant uit). Deze zelfde travalje staat, met een andere, nog steeds in het hoefstaldeel van de smederij (uit 1949) aan de Doelenstraat.

 

www.henkvanheerde.nl/vollenhove