Na de afzwering van Philips II als landsheer, werden de staten van Overijssel
soevereine bestuurders van dit gewest. De griffier van de stadhouder, Gijsbert
Roelinck, sloot zich aan bij de opstand en werd zo griffier van de staten. Vanaf
dat moment was er een zelfstandige administratie van ridderschap en steden. Tot
omstreeks 1630 zetelde in Oldenzaal een spaansgezinde regering met een eigen
stadhouder.
Het hof van kanselier en raden, dat opgericht was in 1553, maar door de staten
werd tegengewerkt, week na 1578 ook uit naar Oldenzaal. De rekeningen van de
spaansgezinde rentmeesters werden ter afhoring naar de rekenkamer te Roermond
gezonden. In 1632 zijn de Overijsselse rekeningen en registers, afkomstig uit
Roermond, bij het archief van de staten gevoegd. In het staatsgezinde deel van
Overijssel bleef de hoge bank en klaring als appèlcollege bestaan. Daarnaast
oefenden gedeputeerde staten (in 1593 als vast college ingesteld) behalve een
bestuurlijke taak, ook toezicht uit op de goede gang van zaken in de procesgang.
Meer en meer kwam de gewoonte op zich bij rekest tot de staten of hun
gedeputeerden te wenden. De klaring raakte daardoor in onbruik.
De staten bestonden uit de leden van de ridderschap van Overijssel en uit
vertegenwoordigers van de steden Deventer, Kampen en Zwolle. De ridderschap van
Overijssel werd gevormd door de gezamenlijk optredende ridderschappen van
Salland, Twente en Vollenhove. Elk van de drie ridderschappen en elk van drie
steden benoemde één lid van gedeputeerde staten.
Ten tijde van de republiek der Verenigde Nederlanden werden de vergaderingen van
ridderschap en steden, en ook van de gedeputeerden, meestal in Deventer, Kampen
of Zwolle gehouden.