Vanuit
het klooster St. Janskamp (St. Jansklooster) werd het vrouwenklooster Clarenberg
gesticht. Dit lag buiten het stadsgebied van Vollenhove bij de Landpoort en
wordt in 1411 als zodanig genoemd. De zusters gaven hun verblijf de naam
Clarenberg naar hun voorbeeld Clara van Assisi.
Deze Clara van Assisi werd in 1194 in Italië geboren. Als jonge vrouw wordt
zij gegrepen door de idealen van haar stadgenoot Franciscus van Assisi, de
stichter van de nieuwe kloosterorde voor mannen: de orde der Franciscanen, die
door hemzelf Minderbroeders worden genoemd. Ook Clara van Assisi zoekt zo'n
geordend religieus leven maar dan voor vrouwen. Er komt voor de volgelingen van
Franciscus en Clara nog een derde religieuze orde die meer openheid naar de
wereld propageert: de Tertiarissen; een gemeenschap met vaste tijden voor
godsdienstige bezinning, met ruimte en openheid naar de wereld, dienstbaarheid
aan anderen. Een vernieuwingsbeweging die over heel West-Europa golft, tot in
onze streken.
Op de Agnietenberg bij Zwolle is die vernieuwingsbeweging Moderne Devotie
ontstaan onder de bezielende leiding van Thomas a Kempis. De directe gevolgen
voor Vollenhove en omgeving waren de stichting van Sint Janskamp in 1398 en
enige jaren later een open kloostergemeenschap voor vrouwen op de hoogte voor de
Landpoort te Vollenhove: 'Oppen berghe bi der stat Vollenho...'.
De kerkelijke leiding duidt echter geen open, ongeordende religieuze
gemeenschappen en dwingt tot aansluiting bij een erkende orde. Voor de vrouwen
in Vollenhove ligt de keuze voor een orde voor de hand: de orde der Clarissen:
'mons sanctae Clarae', de berg van Sint Clara, Clarenberg.
De
tweede helft van de naam was blijkbaar ingegeven door de vorm van het terrein:
een verhoging in de keileemrug en het dekzand daarboven.
Bij de aanleg van het sportveld in 1957 bestond een deel van de werkzaamheden in
het egaliseren van het terrein, waarbij de kop van deze verhoging naar de
zijkanten afgevoerd werd. Er werden toen ook resten van de fundering van het
klooster teruggevonden, menselijke skeletresten, aardewerk, brokken tufsteen en
een gotische stenen raamlijst.
Het terrein waarop het klooster heeft gestaan heette nog tot in de twintigste
eeuw de Begijnenkamp. Een begijn of bagijn is volgens Van Dale een lid van een
min of meer vrije kloosterorde, ontstaan in de zuidelijke nederlanden omstreeks
het midden van de dertiende eeuw; weduwe of onehuwde vrouw die, zonder een
kloostergelofte af te leggen met anderen gemeenschappelijk als geestelijke
zuster leeft. Het woord komt van het latijnse begina of oudfranse bege (beige)
naar de kleur van hun mantel.
Enkele jaren geleden werd op het terrein een verzorgingscomplex gebouwd, met
verzorgingshuis, seniorenappartementen en praktijken voor tandarts en
fysiotherapeut. Het kreeg de naam Nieuw Clarenberg.
Bij het graven van de bouwput in 1994 werden nog delen van fundamenten van het
voormalige kloostercomplex gevonden, evenals vele scherven van
gebruiksvoorwerpen, van enige heiligenbeeldjes en van een altaar.
In 1405 was het vrouwenhuis van het nieuwe klooster al beschikbaar. Dit
convent werd vanuit diverse windstreken materiëel ondersteund. Het necrologium
van de Sint Jans Kamp vermeldt op 3 april 1405 Wobbe "onze suster" en
op 15 februari 1406 Trude, de vrouw van Henrick Wynters "onze zuster".
De vrouwen noemden hun huis naar Clara van Assisi. Het was gevestigd "oppen
berghe" bij Vollenhove en werd daarom Clarenberg genoemd. Deze zusters
waren dus geen Clarissen of nonnen volgens de tweede regel van Franciscus, maar
Tertiarissen volgens zijn derde regel. Hierbij was het ook mogelijk, dat een
gehuwde zich aansloot, mits de echtgenoot daarvoor zijn toestemming gaf, wat
Hendrik Winters blijkbaar gedaan had.
Bisschop Frederik van Blankenheim
was deze geestelijke gemeenschap welgezind en hij gaf dan ook omstreeks 1419
zijn goedkeuring toen deze zusters vroegen om een eigen geestelijke voor het
afnemen van de biecht, het verlenen van de absolutie en het lezen van de mis in
de kapel.
Uit de beginperiode van dit zusterconvent is helaas weinig bekend. Van 7 paters
of biechtvaders zijn de namen bewaard gebleven: Ribbert, overleden 13 mei 1469,
Johan van Wynsyn, overleden 2 juni 1503, Johannes van Unna, vermeld in 1506,
1512 en 1520, Marten van Emmerick, overleden 17 mei 1541, Gerlich van Deventer,
overleden 19 mei 1546, Wijcherus Gerardi, vermeld in 1571 en Herman Alberts,
vermeld in 1595.
Van de leidinggevende moeders zijn helaas slechts een aantal namen bewaard
gebleven zonder verdere persoonlijke gegevens. Hun namen en het jaar waarin zij
vermeld worden: zuster Katherine (1471), zuster Stine (1473), Alijt Johans (1480
en 1487),
Margreta of Greta Tymens (1506 en 1512), Lutgert Mulertz (1563 en 1571), Johanna
Koetkens (1565), Anna van Bewesten (1595).
Laatstgenoemde "matersche" moest reeds samen met haar
"procuratersche" Alijt Geerts en de rentmeester Pouwel Peters rekening
en verantwoording van het beheer der kloostergoederen afleggen tegenover de
drost van Vollenhove Johan Sloet. De doorwerking van de reformatie had
ingrijpende gevolgen voor de zusters op de Clarenberg.
Aan
de vooravond van Sint Bonifacius (5 juni) 1423 kon het oorspronkelijke terrein
vergroot worden met het erf Ten Doorganck door aankoop van de gelijknamige
familie. In de loop van de volgende jaren ontstond er verschil van mening tussen
de zusters en de ingezetenen van het kerspel Vollenhove over de vraag of de
landerijen van het convent als geestelijke goederen vrijgesteld waren van
schatting. Deze kwestie liep zo hoog op, dat bisschop Rudolf
van Diepholt zich ermee bemoeien moest. Op zondag Jubilate 1445 erkende de
bisschop deze vrijstelling in een charter, waaruit blijkt, dat het complex aan
de noordkant grensde aan de straat naar de Landpoort, aan de oostkant aan de
hofstede van Albert van Isselmuden (de Rollecate),
aan de zuidkant aan de Bentweg (nu Laan van Toutenburg)
aan de westkant aan de stadsgracht.
In de tweede helft van juli 1572 probeerden de Geuzen de kustweg van
Overijssel naar Friesland in handen te krijgen. De eerste poging mislukte, maar
enige dagen later slaagden zij er toch in de stad Vollenhove en het kasteel Toutenburg
te bezetten, waarna zij ook Blokzijl veroverden. Bij een van deze acties,
vermoedelijk bij de tweede, namen zij de pastoor en de kapelaan van Vollenhove
gevangen en voerden hen weg over zee. De Waalse soldaten van Caspar de Robles
wisten echter Blokzijl en Vollenhove op de Geuzen te heroveren. Daarna
belegerden zij het kasteel Toutenburg
naast het klooster Clarenberg, maar zonder succes omdat zij niet over voldoende
geschut beschikten. Toen verzonnen de Walen een list en deden alsof zij het
beleg ophieven. Daarop verliet de helft van de bezetting het kasteel om de
zogenaamd terugtrekkende Walen te achtervolgen. De Geuzen liepen zo in de val.
Enkelen werden doodgeschoten, anderen in zee gejaagd en een aantal gevangen
genomen.
Intussen breidde de opstand zich uit over de steden Kampen, Zwolle, Hasselt,
Genemuiden en Steenwijk. De Walen moesten zich terugtrekken, waardoor de druk op
de bezetting van het kasteel verdween en ook Vollenhove definitief aan de kant
van de Nederlandse Opstand de toekomst tegemoet ging.
Hoeveel de zusters van Clarenberg van dit oorlogsgeweld te lijden hebben gehad
is niet bekend, maar wel weten we dat het convent de volgende jaren kon blijven
funktioneren, ook toen Vollenhove reeds een predikant bleek te hebben in de
persoon van Willem Alberts (1578).
De
kloostergebouwen van Clarenberg en St. Janskamp waren in 1580 bij de belegering
van Steenwijk grotendeels verwoest zodat de kloosterlingen elders een toevlucht
moesten zoeken. Uit een brief door de drost van Vollenhove van 19 maart 1582 aan
Hasselt blijkt dat het huis waar de nonnen te Zwolle woonden inmiddels tot
weeshuis was ingericht. Zij keerden weer terug naar Vollenhove, maar in 1609
werd de samenwoning opgeheven en werd hun een uitkering voor levensonderhoud
toegekend.
Er werd in 1613 een nieuwe regeling voor de ouder wordende zusters getroffen:
zij kregen een alimentatie van 400 gulden. Vervolgens werden zij ondergebracht
bij een vrouw in de stad. De laatste zusters waren Cunne Lutijns en Alijt
Lubbers, die door Marretien Berents, de weduwe van Gerrit van Doetecum tegen een
flinke vergoeding verzorgd werden. Als deze hospita het wenste, kon ze ook nog
een ton Haarlemmer bier thuis geleverd krijgen. Omstreeks 1620 stierf Alijt
Lubbers en enige jaren later Cunne Lutijns, de laatste zuster van het convent
naar de derde regel van Franciscus op de Clarenberg.
Ondanks de bedoeling van de Staten van Overijssel om het beheer over de
goederen van de beide kloosters zelf te voeren, kwam het beheer over de
Clarenbergse goederen in handen van de jonkers in de stad Vollenhove. Maar ook
het stadsbestuur wenste een vinger in de pap. Op 27 mei 1613 sloten de
magistraat van Vollenhove en de jonkers een overeenkomst over het beheer en de
bestemming van de inkomsten. De administratie hiervan is bewaard gebleven. In
een geschreven boek met aantekeningen van 1613 -1649, nu in het Rijksarchief in
Zwolle, komt deze Overeenkomst voor over de verpachtingen van de
kloostergoederen en de verkoop van de inboedel van het Convent op 6 mei 1614.
Uit het laatste valt enigszins op te maken hoe het voormalig klooster, of wat er
toen nog van over was, er uit zag.
In
het voorjaar van 1614 werd de inboedel van Clarenberg verkocht. Daarbij werden
de volgende vertrekken genoemd: het sael, de gang, de voorkamer, de keuken, de
schotelkamer, de grootste achterkamer met twee beddesteden, het kleine kamertje
in de gang, de kleine kamer aan de gang en het boven (de zolder). Tot de
inventaris behoorden "drie koenen mit een veerspincke". De melk werd
ook door de zusters verwerkt, want tot de inventaris van de grote zaal behoorden
een kam, een "karnewage mit 14 melckvaten", 3 melkemmers, 4 balies van
verschillend formaat, een boterton en verder in de gang nog 3 melktonnen.
Door de Volle Stoel werd 18 augustus 1623 toegestaan dat de voerlieden van de
stad een weggetje mochten ophogen van de Herestraat van Jan Jochemshuis tot aan
de hof van Jonkheer Alphert van Isselmuiden (de Rollecate)
of tot aan de Bagijnecamp, met puin dat ze uit Clarenberg mochten halen. Van de
gebouwen huurde jonker Van Isselmuden van de Rollecate "des paters huys
inden Convente". De andere gebouwen raakten al spoedig in verval en
leverden het eerder genoemde puin om de weg te verharden.
Hetzelfde College besloot op 25 juni 1632 dat men de vervallen behuizing staande
in 't convent Clarenberg en de stenen in de put zou wegbreken en openbaar
verkopen. Herman Jacobs werd op 25 maart 1633 koper van deze afbraak. De put
schijnt niet uitgebroken te zijn omdat 15 februari 1633 Alphert van Isselmuden
een stuk van Clarenbergskamp pacht met de put die hij moet onderhouden.
Het waren waarschijnlijk de restanten van deze put, die bij de aanleg van het
sportveld in de jaren 1950 teruggevonden werden. Deze vondst werd weer toegedekt
zonder verder te zijn onderzocht.
De rentmeester van de Clarenbergse goederen werd benoemd door het College van de
Volle Stoel. Schepenen en Raad besloten op 23 februari 1646 de benoeming door de
Volle Stoel over de administratie van de Clarenbergse goederen zo te wijzigen
dat de benoemde Gedeputeerden van de Geestelijke Clarenbergse goederen voor de
tijd van 6 jaren werden benoemd en niet langer.
De jaarlijkse inkomsten van de Clarenbergse goederen bestonden uit pachten in
rogge uit land te Steenwijk, Steenwijkerwold, Wanneperveen, koppen boter uit
land bij de Kuinderdijk en Blankenham, geldpachten uit land te Oldemarkt,
Kosteverloren, carspel Barsbeek en Quadoelen, uitgeleend geld, een canon (vaste
pacht) uit de hof van de Rollecate, gelegen in de kloosterkamp benevens
uitgangen (erfpachten) uit verscheiden huizen in de stad.
De inkomsten van de Clarenbergse goederen werden goed besteed. In het begin van
de zeventiende eeuw werden deze vooral besteed aan de latijnse school, het huis
van de rector en het onderhoud van de Onze
Lieve Vrouwe-Kerk, oorspronkelijk de kerk van de Stad.
Volgens
de registratie van transporten van Oldemarkt en IJsselham kochten Claes Luyties
en Wendele op 31 mei 1648 "de achterste Camp landts van Clarenberch".
Deze Claes is de stamvader van allen, die de achternaam Klarenberg dragen. Deze
familie Klarenberg wordt nog steeds vooral aangetroffen in de buurt van
Oldemarkt.
Enige buitengezetenen bij de Landpoort hadden de Geestelijke kamp betimmerd
en met uitlaten (uitgangen), plantagiën en anders bezwaard en daarom besloot de
Volle Stoel op 30 september 1661 dat voortaan niemand enige achteruitgang aldaar
op of over die kamp zal mogen hebben, dat de geplante bomen weggenomen moeten
worden en voorts van de uitlaten in het vervolg een behoorlijk canon betaald zal
worden.
Hetzelfde College verbood op 1 februari 1685 linnen op de Bagijnenkamp te bleken
te leggen en zij die afdaken of uitgangen naar de kant van die kamp hadden
gemaakt moesten die afbreken en de uitgangen dicht metselen.
Bij een verhuring (1724) van landerijen die tot de Clarenbergse goederen hoorden, werden genoemd om te weiden: de Clarenbergskamp voor drie jaren en voor zes jaren de 3 oosterse en 3 westerse Lazaruskampen (deze werden in 1790 verkocht aan C. W. Sloet tot Tweenijenhuizen), het hoge Goor tegenover de molen, nu molenberg en de andere kamp daarvan.
Op 26 februari 1734 werd de Klarenbergs- of Bagijnecamp bij de Rollecate en de hof van de Geestelijkheid daarin gelegen openbaar verkocht aan de heer van Isselmuden, heer toe de Rollecate. De omschrijving van deze kamp luidt aldus: de Clarenbergscamp, strekkende oostwaarts van de hof van de heer van de Rollecate tot westwaarts aan de boomgaard van de heer van Toutenburgh en de stadsgracht, noordwaarts van de straatweg en de huizen of uitlaten op de camp staande, tot zuidwaarts aan de sloot of gracht van de Bentstege, de hof van de Geestelijkheid daaronder begrepen en de iepen daarop staande. De jaarlijkse uitgangen van gemelde huizen en hunne uitlaten bleven aan de Geestelijkheid. Bezwaard op no. 117 met 10 gieden Bentdijk en no. 18 met 4 gieden. Beulaaksweg en een jaarlijkse uitgang van 13 gld. 2 st. en 8 penningen ten voordele van de armen en 1 gld. en 6 st. ten voordele van de Geestelijkheid van Kampen. Verder bezwaard met verponding, lening en oude handgeld. De bomen op de camp aan de hof van de Heer van de Rollecate geplant zullen aan hem blijven, waartoe hij van het College van de Volle Stoel op 29 juni 1730 toestemming heeft gekregen. Deze camp is nog voor twee jaren verhuurd aan Lucas Jans Brummelbos, hetgeen door de koper moet worden overgenomen.
De
doorwerking van de Franse revolutie bracht met zich mee, dat de edelen plaats
moesten maken voor de vertegenwoordigers van het Ambt van Vollenhove, omdat het
klooster buiten de stadswallen gelegen had. Daarmee begon een nieuwe periode van
beheer, die pas definitief werd door het Koninklijk Besluit van Koning Willem II
van 22 januari 1833. Daarvoor was lang onderhandeld tussen de vertegenwoordigers
van de burgerlijke gemeenten Stad en Ambt, van de hervormde gemeente en van de
rooms katholieke parochie. Overeenkomstig dit Koninklijk Besluit bleven de
goederen en inkomsten in volle eigendom bij de burgerlijke gemeente van de Stad
Vollenhove, die uit de inkomsten een medisch doctor moest bezoldigen, die tevens
vroedmeester was, samen met een vroedvrouw voor Stad en Land, speciaal voor de
armen. Bovendien werden bedragen vastgesteld voor de traktementen van de
onderwijzers van Stad en Ambt en van de doodgraver.
De gemeenteraad kende op 18 februari 1830 uit de Clarenbergse kas f 100 toe
voor werkverschaffing en f 100 voor salaris van de secretaris.
Op 26 april 1830 deed de voorzitter mededeling inzake de bezittingen van
Clarenberg. Dan volgt een schrijven van Gedeputeerde Staten dat alle bezittingen
eigendom der gemeente zijn. Op 12 mei 1832 werd machtiging van de Gouverneur
gevraagd om de rentmeester van Clarenberg (W. van Ittersum) te ontslaan. Op 10
februari 1834 een schrijven van de Gouverneur dat de overeenkomst over
Clarenberg door zijne majesteit is goedgekeurd.
Omstreeks 1910 wilde een Vollenhovenaar de Begijnenkamp een meter afgraven onder voorwaarde dat alles wat hij vond voor hem zou zijn. De eigenaar, de heer A. Baron Sloet van Oldruitenborg, is hierop niet ingegaan.
De
Begijnenkamp werd in 1957 in gebruik genomen als voetbalveld, en deed als
zodanig dienst tot plm. 1980 het sportpark De Benten in gebruik werd genomen.
Daarna bleef het als tenniscomplex in gebruik tot 1994.
Het Steenwijker Dagblad meldt op 18 maart 1957: Scherven uit grijs verleden
bij Vollenhove gevonden. Het artikel verhaalt van de vondsten, gedaan bij de
egalisering van het voetbalterrein. Er werden zware funderingen aangetroffen.
Naast één van de muren vond men vier mensenschedels, later een volledig
geraamte dat na aanraking als poeder uiteenviel. Men riep er archeoloog G. D.
van der Heide uit Schokland bij. Er werden geen hele of gave voorwerpen
gevonden, enkel scherven van borden, kopjes, kannetjes en kruiken.
Zie hierover ook het 3-maandelijks verslag van Zuiderzeewerken 28, 1957, pag.
89.
Bij het verleggen van het voetpad Franse Pad in 1968 een tiental meters oostwaarts, en de bouw van het mortuarium aan de nieuwe straat, werden opnieuw tientallen menselijke beenderen gevonden.
In 1995 werd op de Begijnenkamp een nieuw verzorgingstehuis gebouwd, wat de naam Nieuw Clarenberg kreeg. Voorafgaande aan de bouw (in 1994) werd de bodem onderzocht op sporen van het oude Clarenberg.
In overleg met de toenmalige gemeente Brederwiede, de woningstichting, leden
van de werkgroep Archeologie en in een later stadium de aannemer werd door de Rijksdienst
Oudheidkundig Bodemonderzoek in het voorjaar van 1994 een beperkte opgraving
gepland in het kader van de uitgraving van de bouwput van het nieuwe
verzorgingstehuis.
De gravers kampten met het probleem dat de ligging van het klooster niet exact
bekend was. Bovendien was het terrein sterk verstoord.
Het veldwerk was reeds tevoren verricht door leden van de archeo-werkgroep Brederwiede. In een later stadium werd hulp geboden door leden van de werkgroep archeologie 'Meppel' en 'Steenwijk'. De organisatie was in handen van de dagelijkse leiding van de archeo-werkgroep Brederwiede.
Op
biddag, de 9e maart van het jaar 1994, tegen het einde van de morgen, schuurt de
bak van de hydraulische kraan over een laag funderingsstenen. Het eerste
locatiepunt van het klooster is gevonden, de geschiedenis van het klooster en de
bewoners komt tot leven. Een ijverige amateur-archeoloog graaft voorzichtig een
deel van een heiligenbeeldje uit de stinkende, met keileem vermengde grond. Even
later geeft de schrille toon van een metaaldetector de plaats aan van een deel
van een bronzen kaarsensnuiter.
Wanneer de grondwerkers zwarte sporen in de geel-blauwe keileem hebben ontdekt,
vermoeden de archeologen een afvalkuil. In de onmiddellijke nabijheid worden de
fundamenten van een klein rond bouwsel blootgelegd, de stookplaats van het
klooster. Sporen van dierlijk afval wijzen hierop. Een 15e-eeuwse kookpot wordt
omzichtig uit de zwarte modder te voorschijn gehaald, in vele onderdelen: het
eerste goed te restaureren kloosterobject.
In westelijke richting stuiten de werkers op de funderingspoeren van de
tuinmuur; een lichte afbuiging in noordwestelijke richting is duidelijk
waarneembaar. De kaart van Johan Vossius uit 1597 wordt te voorschijn gehaald:
de tuinmuur vanaf het klooster in de richting van kasteel
Toutenburg vertoont een lichte buiging in noordwestelijke richting.
Dwars op het Franse pad werd een U-vormige bouwput uitgegraven van minimaal 70 cm diepte op ongeveer 1 m N.A.P. De resten van het kloostercomplex bevonden zich helaas in hoofdzaak tussen de 'benen' van de U-vorm van het complex en bleven daar voorlopig onbedreigd liggen. Slechts delen van de noordelijke en zuidelijke buitenmuur van het kloostercomplex (40 meter uit elkaar gelegen) zijn vrijgekomen.
Van de noordmuur is 6 meter van de vleilaag vrij gekomen. De muur was 1 meter breed met een steenformaat van 21 x 11 x 4,5 cm. Evenals de zuidmuur was hij gefundeerd in en op een wat bredere en diepere sleuf die gevuld was met grof zand, vermengd met enig natuursteen.
Veertig
meter ten westen, in het verlengde van het noordelijk muurfragment, lag een rij
vierkante stiepen of poeren met een baksteenformaat van ondermeer 23 x ll x 5
cm. Deze stiepen lagen 2 meter uit elkaar en moeten een meer dan 20 meter lange
(tuin ?) muur met spaarbogen gedragen hebben. Deze tuinmuur lag pal naast een
oost-west lopende sloot van 3,5 meter breed en 1,20 meter diep (onder het
schaafvlak).
Het noordelijke muurfragment lag eveneens naast en ten dele op deze (dus oudere)
sloot. De sloot bevatte in de onderste helft veel bouwpuin.
De ruim 1 meter brede zuidelijke buitenmuur met diverse steenformaten lijkt
te zijn aangetroffen: vanaf het oostelijke hoekpunt over de volle lengte van 20
meter; grotendeels als funderingssleuf.
Viereneenhalve meter erbinnen liep een 60 cm brede (binnen)muur met een
steenformaat van 28 x 13 x 7 cm, als onderdeel van een ruim 5 m brede ruimte.
Tussen deze 2 muren lag een rij stiepen van 24 x 12 x 5 cm.
De hoeveelheid vondsten is beperkt: tientallen scherven van de periode na de
14e eeuw. Slechts enkele metaalfragmenten (ondanks naarstig speuren met
metaaldetectors) werden aangetroffen. Er werden geen begravingen blootgelegd.
Al
het gevondene laat niet toe een zelfstandig beeld van het kloostercomplex te
schetsen. Het gevondene kan in overeenstemming zijn met de kennelijk 3 aanwezige
gebouwen van het kloostercomplex die op de kaart van Johannes Vossius (1597)
staan aangegeven. Het onderzoek heeft versnipperde detailgegevens van het
klooster opgeleverd, alsmede de exacte locatie ervan.
Naderhand zijn bij het sorteren en reinigen van de vondsten nog bijzonderheden naar voren gekomen: