De zuivelfabriek

Aandeel uitgegeven in 1897 van de Stoomzuivelfabriek De Eendracht te VollenhoveDe ondertekening van de oprichtingsakte van de coöperatieve stoom zuivelfabriek De Eendracht in Ambt-Vollenhove, op 22 mei 1897, vormde het begin van ruim honderd jaar zuivelgeschiedenis in Vollenhove.

Honderd jaar zuivel, die in 1897 begon met de productie van boter, vervolgens werd uitgebreid tot de productie van een volledig assortiment zuivelproducten en zich uiteindelijk toespitste op de productie van bolvormige Edammerkazen. In 1999 kwam er een einde aan door reorganisatie binnen het concern waarin de zuivelfabriek, na een lange reeks fusies, was opgenomen. Zie hiervoor ook www.zuivelhistorienederland.nl

1897: Het begin

De Eendracht werd in 1897 opgericht als een NV op coöperatieve grondslag; destijds de meest voorkomende vorm bij de oprichting van zuivelfabrieken. Verantwoordelijk voor de oprichting waren twintig individuele veehouders en twee plaatselijke instellingen, namelijk de kerkvoogdij van de Nederlands Hervormde Kerk en het Hervormd Grootburger Weeshuis. De leden en instellingen bezaten samen 148 aandelen van 25 gulden per stuk en 130 koeien.

De aangevoerde melk werd in het begin volledig gebruikt voor de productie van boter. Voor de bouw van een boterfabriek en de aanschaf van werktuigen werd het geld van de aandelen gebruikt, aangevuld met een hypotheek. Ruim tien jaar later, in 1908, waren de aandelen afgelost, waardoor de vorm van de vereniging automatisch veranderde in een echte coöperatie.

 

1898-1920: uitbreiding na uitbreiding

In 1906 werd de fabriek voor de eerste keer enigszins uitgebreid. Vier jaar later, in 1910, werd er voor de plaatsing van een koelmachine opnieuw een lokaal bijgebouwd. In 1916 bleek de melkaanvoer zodanig gestegen te zijn, dat voor de derde keer een verbouwing noodzakelijk was.

Tijdens de algemene ledenvergadering in 1916 werd hiervoor een lening van 80.000 gulden goedgekeurd. Het plan was dit bedrag te besteden aan de bouw van een kaasmakerij.

Het besluit van de regering om fabrieken, die zich nog niet met de productie van kaas bezighielden, hiervoor geen toestemming te verlenen, gooide echter roet in het eten en de voorgenomen verbouwing van de fabriek werd dan ook uitgesteld.

1921-1925: toch kaasproductie

Hoewel de nieuwbouw niet doorging, bestond er wel behoefte aan een herindeling van de fabriek, die bepaald niet op z'n voordeligst draaide. In 1921 werd dan ook besloten alsnog tot een verbouwing over te gaan.

Kort na deze verbouwing kwam opnieuw het maken van kaas ter sprake. Directeur Jullens sprak deze optie in eerste instantie tegen, omdat hij van mening was dat er van de aangevoerde melk geen goede kaas gemaakt kon worden. Dit argument verviel echter toen met proeven werd aangetoond dat er ook van gepasteuriseerde melk goede kaas kon worden gemaakt.

Kaasmaken werd een agendapunt op de ledenvergadering van 6 februari 1924. Maar met een uitslag van 135 stemmen tegen en 122 stemmen voor werd het plan opnieuw in de ijskast gezet.

Om de ondermelk toch te kunnen verwerken, werd in datzelfde jaar de bouw van een poedermakerij bij de fabriek wel goedgekeurd. Eind september 1924 begon het bedrijf met de productie van melkpoeder.

Hoewel de poederprijzen hoog waren, bleef de drang naar een kaasmakerij bestaan. Op 17 mei 1925 stemden uiteindelijk 138 leden voor de bouw van een kaasmakerij. 86 stemden tegen en 2 onthielden zich van stemming. En zo werd er vlak voor het 30-jarig jubileum, in december 1926, voor het eerst in de geschiedenis van de fabriek in Vollenhove, melk verwerkt tot kaas.

In de jaren daarna bouwde de zuivelfabriek De Eendracht Fulnaho een naam op als producent van goede en lekkere kaas, fijne boter en overheerlijke karnemelk.

Voor het ontstaan van de bedrijfsnaam De Eendracht Fulnaho moeten we terug naar de beginjaren van de fabriek. Het oorspronkelijke product, boter werd namelijk verkocht onder het merk Fulnaho. Fulnaho was in de 10e eeuw, voor er nederzettingen waren in dit gebied, de naam van de streek die later Land van Vollenhove werd genoemd, en vermoedelijk de aanleiding voor de naam van de stad Vollenhove – in de volksmond Veno.

1926-1945: de oorlog de baas

Het bedrijf kwam de eerste oorlogsjaren min of meer ongeschonden door, hoewel de melkaanvoer wel ieder jaar verder daalde.

Ontving de fabriek in 1939 nog krap 6.500.000 liter melk, in 1945 bedroeg de aanvoer nog maar 3.800.000 liter. De daling was voor een belangrijk deel toe te schrijven aan het door de oorlog ontstane voedseltekort. Veel boeren hielden een deel van de melk achter voor eigen gebruik.

De fabriek produceerde gedurende deze jaren boter, kaas en poeder (caseïne).

Enkele medewerkers gingen tijdens de oorlog met hun gezin vlak naast de fabriek wonen in de marechausseekazerne, die toch leeg stond. Tegen het eind van de oorlog, op 7 juli 1944, verplichtte de Duitse Wehrmacht de directeur een formulier te ondertekenen, waarin stond dat de Wehrmacht de bedrijfsauto mocht gebruiken. Wanneer het bedrijf niet aan de opgedragen verplichtingen voldeed, werd dat beschouwd als sabotage.

1946-1954: herstel na de oorlog

Het bestuur van De Eendracht was er na afloop van de oorlog van overtuigd dat de melkaanvoer binnen een paar jaar weer een stijgende lijn zou laten zien.

Al gauw bleek dat zelfs al één jaar na de oorlog, in 1946, 700.000 liter meer melk werd geleverd dan in 1945.

In datzelfde jaar kocht de fabriek voor het huisvesten van medewerkers enkele door de gemeente Vollenhove gebouwde sociale woningen.

Een belangrijk besluit van de 116 leden van de vereniging was in januari 1952 om alleen nog melk aan te nemen die vrij was van runder-TBC, een toen nog veel voorkomende ziekte. Het was de eerste fabriek in de regio, die tot dit besluit over ging.

In 1954 werd de oude marechausseekazerne verbouwd tot kaas- en poederopslagplaats.

1954-1964: snelle vooruitgang

Keuringsdiploma uit 1953In 1954 diende de fabriek een verzoek in voor de aanschaf van een complete stoomketelinstallatie. De totale kosten van de aanschaf en inbouw werden geraamd op circa 30.000 gulden.

Vervolgens onderging de fabriek in 1959 een fikse uitbreiding. In de eerste plaats werd de kaasmakerij onder handen genomen en uitgebreid met een luchtbehandelinginstallatie in het pakhuis.

Daarna werd in 1960 de melkontvangst gemechaniseerd en de stoomketel voorzien van een volautomatische oliestookinstallatie. Tot slot werd er aan het eind van 1960 een volautomatische koelinstallatie opgesteld.

Vrijwel tegelijk met de verbouwing kreeg de fabriek vanwege de te grote landelijke botervoorraad in de koelhuizen te kampen met problemen bij de afzet van boter. Noodgedwongen werd er een beroep gedaan op de subsidieregeling voor boter in kleinverpakking. De productie en afzet van kaas stemde gelukkig' wel tot tevredenheid.

De melkaanvoer steeg aan het eind van de vijftiger, begin zestiger jaren aanzienlijk; ieder jaar zo’n tien procent meer was heel gewoon. Tevens kwamen in de jaren zestig de discussies op gang over het verbeteren van de sociale regelingen en het verkorten van de onaangename werktijden.

 

 

 

1964-1971: samenwerking en oprichting Vecolac

In 1964 kwamen acht coöperatieve fabrieken en één NV in de regio Zwolle tot een nadere samenwerking. De naam waaronder werd gewerkt luidde Coöperatieve Fabriek van melk- en zuivelproducten Vecolac-Vollenhove GA.
 

Door deze samenwerking werd het complete productiepakket van Vollenhove (boter, kaas, losse melk, karnemelk, karnemelkspap en yoghurt) al gauw vervangen door één product: kaas in verschillende variëteiten.

1972-1973: kaasspecialiteiten

In 1972 was het weer tijd voor een enorme uitbreiding. Er werd voor 1,5 miljoen gulden aan nieuwe apparatuur aangeschaft, waaronder vier nieuwe, Zweedse kaastanks. De fabriek in Vollenhove was daarmee één van de eerste bedrijven in Nederland, die deze installatie met een gesloten systeem in gebruik nam.

De reiniging werd eveneens vernieuwd en geautomatiseerd.

In hetzelfde jaar werd besloten de schoorsteenpijp, die sinds de overstap van kolen op stookolie en vervolgens op aardgas, al twaalf jaar lang niet meer werd gebruikt, steen voor steen af te breken.

In 1973 werd vervolgens achter het bestaande pand een nieuwbouwproject gerealiseerd ter waarde van ruim één miljoen gulden. Deze nieuwbouw was bestemd voor een indampinstallatie voor wei met een capaciteit van 75 miljoen kg wei per jaar en voor een nieuw ketelhuis met een met gas gestookte stoomketel voor de benodigde stoom ten behoeve van de indampinstallatie. Daarnaast maakten de oude opslagtanks van 10.000 liter plaats voor nieuwe tanks met een inhoud van 50.000 liter.

Vecolac Vollenhove was in de jaren zeventig één van de weinige bedrijven, die nog zelf de kaas afzette in binnen- en buitenland. De productie omvatte de traditionele Edammer en Goudse kaas, maar ook specialiteiten als Amsterdammer en Blokedammer behoorden tot het productie- en verkoopassortiment. Vermeldenswaard is tot slot het 75-jarig bestaan van de fabriek in 1972. Alle leveranciers en medewerkers kregen ter herinnering aan dit jubileum een boterdoos met inscriptie.

1973-1978: de laatste jaren zelfstandigheid

In 1973 bestond Vecolac uit vijf bedrijven: twee in Zwolle (consumptiemelk en speciaalproducten), Wezep (boter en poeder), 's Heerenbroek (kalvermelk) en Vollenhove (kaas). Per 1 januari 1976 werd het productierecht van Hasselt overgeheveld naar Vollenhove, wat automatisch leidde tot een uitbreiding van de productie. In 1967 werden er dan ook een nieuw kaaspakhuis van twee verdiepingen en een nieuwe pekelkelder gebouwd.
In 1976 haalde het bedrijf de regionale pers met de productie van een kaas van 120 kg met een doorsnede van bijna een meter. Deze kaas werd gemaakt ter gelegenheid van de opening van een groot warenhuis in Duitsland.

1979-1981: Vecolac werd Coberco

In 1979 werd Vecolac een onderdeel van de Verenigde Coöperatieve Melkindustrie Coberco BA. Met uitzondering van vijf boeren tekenden alle andere veehouders voor het lidmaatschap van Coberco. Na deze overname overwoog Coberco in eerste instantie de kaasfabriek in Vollenhove te sluiten, maar een bedrijfsbezoek in het voorjaar van 1980 bracht hier verandering in. Vollenhove zou als enige Edammerproducent in Coberco-verband worden uitgebreid en gemoderniseerd. Dankzij de installatie van twee nieuwe melktanks met een inhoud van 300.000 liter, een interne verbouwing en een energiebesparende operatie op het wei-indampen van 60 procent, realiseerde Coberco Vollenhove een productie van 15.000 bolvormige Edammers per dag. Dit betekende een productiestijging van maar liefst 40 procent. De afzet van de Edammers werd ondergebracht bij de Nationale Coöperatieve Zuivelverkoopcentrale (NCZ) in Meppel. Daarmee vulde Vollenhove het dreigende tekort aan Edammerkazen bij de NCZ op. Wat betreft de melkaanvoer betekende de overname door Coberco eveneens het einde van de bussenmelk; op 31 december 1981 werd de laatste melkbus afgeleverd in Vollenhove.

 

 

 

1982: topproductie

Modernisering van de productieruimte in Vollenhove in 1981De productie werd tijdens de Coberco-periode sterk opgevoerd. Verwerkte Vollenhove in 1960 nog 10 miljoen liter melk per jaar, in 1983 bedroeg de melkaanvoer 90 miljoen liter.

Dat betekende onder meer dat het drie jaar na de fusie, in 1982, alweer tijd werd voor een flinke uitbreiding. De extra inspanningen en rompslomp eromheen weerhielden het bedrijf er niet van om met de Edammer 2 kg gouden en zilveren FNZ-medailles in de wacht te slepen.

In 1983 brandde de koeltoren van het bedrijf gedeeltelijk af. De productie ondervond hiervan geen hinder. In 1984 leidde de superheffing, die sindsdien niet meer is verdwenen, tot een daling van 4,4 procent van de melkaanvoer.
 

De oude marechausseekazerne werd in 1988 afgebroken, waarmee een heel brok geschiedenis verloren ging.
De Edammer 2 kg werd in 1988 bekroond met de wereldtitel tijdens de Wisconsin kaaskeuring. De zuivelfabriek zat toen middenin een ingrijpende verbouwing en een automatiseringsproces, waarmee eind 1987 werd begonnen en dat uiteindelijk in 1990 definitief kon worden afgerond. Op 2 november 1990 was er een feestavond, met koud en warm buffet, waarbij de openingshandeling werd verricht door burgemeester W. Tuik.

1999: het einde

Anno 1997, precies honderd jaar na de oprichting, verwerkte Coberco Kaas in Vollenhove op jaarbasis circa 190 miljoen liter melk tot bolvormige Edammerkazen in verschillende gewichtsklassen en was daarmee één van de grotere kaasproductiebedrijven van Coberco. Het honderdjarig bestaan werd op luisterrijke wijze gevierd.

Coberco fuseerde in datzelfde jaar met Frico Domo tot Friesland Coberco, later Friesland Foods en sinds 2009 Friesland Campina. Er volgde een reorganisatie, waarna op 12 november 1999 de productie van Frico Cheese in Vollenhove werd beëindigd.

De inmiddels volledig vernieuwde productiefaciliteit werd vanaf 2000 tot plm. 2007 gebruikt door Wine to Wine, een dochteronderneming van Siebrand in Kampen, zie www.winetowine.nl. In 2010 is het hele complex gesloopt.

 

 

 

 

 

De leidinggevenden

De eerste leidinggevende, M.F Dijkstra, heeft slechts enkele jaren als directeur gefungeerd. Hij werd in 1900 opgevolgd door C Bottema, die in 1920 zijn ontslag aanbood. W. Jullens werd in datzelfde jaar door het bestuur benoemd tot directeur In 1948 werd F. Lampert de vierde directeur van de fabriek. Deze vertrok na twaalf jaar in 1960 naar Middelburg, waar hij directeur werd van de coöperatieve zuivel fabriek Walcheren. Hij werd opgevolgd door R Goudriaan, die vervolgens 25 jaar lang de belangen van het bedrijf behartigde. Na zijn pensionering in 1985 nam H. M. Davelaar de functie van Goudriaan over Davelaar werd in 1990 opgevolgd door H. Toenhake, die tenslotte de functie in 1994 overdroeg aan plantmanager G.F.W van Lochem.

Verloop melkaanvoer sinds 1897

Gedurende de eerste twintig jaar van het bestaan van De Eendracht lag de melkaanvoer vrij constant tussen de twee en drie miljoen liter per jaar In de volgende dertig jaar deed zich een geleidelijke stijging voor van drie naar vijf miljoen liter.

Vrijwel direct na de oorlog begon de melkaanvoer verder toe te nemen en liet binnen tien jaar tijd een verdubbeling zien van vijf tot tien miljoen liter om in de volgende vijftien jaar geleidelijk verder te groeien tot 30 miljoen liter in 1970.

Nadat in het begin van de tachtiger jaren de melkbussen plaats hadden gemaakt voor het RMO-transport bedroeg de melkaanvoer op jaarbasis 75 miljoen liter Tien jaar later in 1990, was dit kwantum gegroeid tot 112 miljoen liter. In de laatste jaren werd zelfs jaarlijks zo'n 190 miljoen liter melk aangevoerd.

Oude jaarverslagen

Interessant is het lezen van één van de oude jaarverslagen, bijvoorbeeld dat uit 1945, dat uit 1960 of uit 1961. Daarin ook de complete lijst met werknemers. Verder vind u hier het verslag van het 40-jarig bestaan.

 

www.henkvanheerde.nl/vollenhove