Paviljoen Zwemlust

Langs de Zuiderzee stond een paalscherm als bescherming van de kust tegen het geweld van de golven. Nadat was besloten de Zuiderzee af te sluiten werd begin jaren 1920 door het Waterschap gestopt met onderhoud van dat paalscherm. 
Het water tussen strand en palen werd door de plaatselijke jeugd gebruikt om ‘pootje te baden’.

In 1924 werd de vereniging 'Vollenhoofsche Badhuis' opgericht. De vereniging was eigenaar van twee keten met in totaal zes kleedhokjes. Het badhuis werd in mei opgesteld bij de Zuiderzee aan de Voorst, later het kanaal Kadoelen-Noordoostpolder, en in september weer opgeruimd. De leden van de vereniging kregen een sleutel. 

1931: oprichting VVV

's Zaterdagsmorgens tegen koffietijd zochten ze vaak een plekje aan de stamtafel in het café van Luut de Lange in de Bisschopstraat (nu: cafetaria De Haare). Een uurtje maar zaten ze bij elkaar, een enkele maal wat langer. Neringdoenden uit Vollenhove, maar ook wel inwoners zonder winkel of zaak. Eén ding hadden ze gemeen, ze voelden zich sterk betrokken bij het wel en wee van hun stad. Ze vergaderden zonder agenda en ze maakten geen verslag van hun besprekingen. Van alles kwam er aan de orde, van onbetekende nieuwtjes tot heel serieuze zaken als de afsluiting van de Zuiderzee en de gevolgen daarvan voor de visserij. 

Verder maakte het strand bij de Voorst de tongen nogal eens los. In het bijzonder na fraaie zomerse zondagen, zoals die van de Pinksteren in 1930. Het was er vol geweest met mensen die daar verpozing hadden gezocht in de zon en in het water. Wat anders hadden ze er ook niet gevonden: de Vereniging Vollenhoofsch Badhuis had er weliswaar in de zomermaanden een eenvoudig hokje staan, zelfs met een plankier eromheen, maar dat was uitsluitend bestemd voor een handjevol leden.
Andere badgasten waren genoodzaakt zelf ergens een stil plekje te zoeken om zich om te kleden. Drinken en versnaperingen moest men maar van huis meenemen.
Het zou de bezoekers veel aantrekkelijker gemaakt kunnen worden met voorzieningen op en nabij het strand. Eigenlijk was dat iets voor een Vereniging Voor Vreemdelingenverkeer, een VVV. Maar Vollenhove had geen VVV en daar moest wat aan gedaan worden, zo vonden de mannen aan de stamtafel. Enkelen van hen, onder wie dokter Jansen, caféhouder Luut de Lange (Bisschopstraat), kruidenier Antony Soeters in de Kerkstraat, bakker Lieffert Nijenhuis in de Visschersstraat (tegenover de Van Baaksteeg) en Barend Velsen, uitbater van hotel Seidel, namen het op zich om er nader werk van te maken. Het is vooral aan dat groepje mensen te danken, dat er in de zomer van 1931 in Vollenhove een VVV werd opgericht.

1932: twee plannen voor een paviljoen

Gesterkt door de steun van deze VVV maakte caféhouder Luut de Lange in 1932 een plan voor een zwembad en een horecabedrijfje op de Voorst.
Het Waterschap Vollenhove, dat eigenaar was van het strand, had geen bezwaren gehad tegen de plannen van caféhouder De Lange. Het dagelijks bestuur had ze zelfs toegejuicht. De heren van het Waterschap gaven Luut de grond, die hij dacht nodig te hebben, voor een periode van veertig jaar in erfpacht.

Waarschijnlijk aangemoedigd door de positieve reactie van de zijde van het Waterschap op de plannen van De Lange, had ook Barend Velsen van hotel Seidel een ontwerp ingediend voor voorzieningen bij de Voorst. Niet zulke grootse als die van De Lange, maar wel bijzonder. Barend dacht aan tien badhokjes voor zijn hotelgasten op de palen van de zeewering.

1933: opening

Beide mannen kregen toestemming. En zo was er in de eerste maanden van 1933 grote bedrijvigheid op het strand bij de Voorst en de omgeving. Er werd gegraven, gebaggerd en getimmerd. De toeristen moesten hier aan het begin van het seizoen een aantrekkelijk zeebad aantreffen.
Het werk vorderde gestaag. De plaatselijke correspondent van het Nieuws-en Advertentieblad voor Zwartsluis en omgeving (de Sluziger) kon op 30 maart 1933 dan ook vermelden dat een en ander zijn voltooiing naderde. Verslaggever Henk van Heerde, nu nog bekend van ‘Garriet-Jan en Annegien’, ging er kijken en schreef vervolgens een lofdicht.
Het verslag van de officiële opening op 24 mei 1933 werd weliswaar in soberder bewoordingen gesteld, maar het ademt dezelfde geest als Van Heerde's gedicht. 
Wat er in de afgelopen maanden vooral dankzij enkele Vollenhoofse middenstanders op de Voorst verrees, was: "Een aardig badpaviljoen, geflankeerd door een fraaie tennisbaan, een speeltuin en een aantal badhokjes. Er werd een wateroppervlakte met een diepte van 1,50 meter tot 40 meter in zee afgepaald en omrasterd. Buiten de afrastering kunnen goede zwemmers hun hart ophalen. Daar heeft het water een diepte van 2,30 meter. Hier is ook een springtoren gebouwd. Een ideale zwemgelegenheid! Aan een steiger, die een dertigtal meters de zee inloopt, liggen fraaie zeilbooten afgemeerd. De inrichting is dus geheel op zomersport ingesteld".

Burgemeester Ten Cate, die het paviljoen met het bad, de speeltuin en de tennisbaan opende, zei onder meer: "Deze inrichting voorziet in een gemis, dat zich hoe langer hoe meer deed gevoelen. Immers door de ontdekking van Vollenhove als ideaal plekje voor natuurgenot en zwem- en zeilsport, kwamen hier de laatste jaren zooveel vreemdelingen aan het strand, dat er toestanden dreigden te ontstaan, die niet getolereerd konden worden. Hulde moet daarom gebracht worden aan de particulieren, die er zich, en nog wel in zulke moeilijke tijden, voor inspanden om op zoo'n royale wijze verbetering hierin te brengen. De bezoekers zullen er baat bij hebben, de exploitant van het paviljoen, maar ook andere neringdoenden in Vollenhove. Het paviljoen en het zwembad openen breede perspectieven voor dit door de droogmaking van de Zuiderzee zoo zeer gedupeerde plaatsje".

Het werd druk

Er kwamen tijdens de pinksterdagen van 1933 meer mensen dan ooit tevoren op die feestdagen. Met name op de tweede pinksterdag was het er mudvol. Ruim vierduizend bezoekers werden er geteld, bijna drie maal zoveel als het inwonertal van de stad. En de toeristen bleven komen, die hele zomer. Op zulke grote aantallen waren de voorzieningen niet berekend. In het voorjaar van 1934 werden er daarom badhokjes bijgebouwd, werd de aanlegsteiger voor boten vergroot, onderging de fietsenbergplaats een uitbreiding, en zo wat meer. Bovendien kreeg het paviljoen een naam: Zwemlust.

De voorzieningen

Het Paviljoen was een houten gebouw met een veranda en terras, zo’n twintig meter van het water. Een steiger liep tientallen meters het water in. Hier werden zeil- en roeiboten aan afgemeerd. Er kwam in 1935 een nieuwe steiger bij, vooral voor aanleg van grote boten.
Er kwamen twaalf badhokjes op het eerste klif, waarvan één grotere voor gezinnen. In 1934 werd dit de kant van de ‘heren’, toen er nog eens twaalf badhokjes kwamen om in de groeiende behoefte te voorzien. De ‘dames’ konden deze bereiken via een plank met dwarsplankjes, vanaf de klif. Elk hokje had een houten vlonder waarop men zich kon aankleden. 
In 1936 kwamen er enkele hokjes voor het deponeren van de kleren, bovenkleding en schoenen aan klerenhangers, de rest in jutezakken. Het nummer, ook van de kastjes, correspondeerde met het nummer dat met een veiligheidsspeld op de badkleding werd gehangen. 
Er was een met water omringd zonneplankier, waar vooral de jeugd op zat / lag te zonnen.
Vanuit de badhokjes kon men over de oude steiger via een trapje aan het eind het zilte nat bereiken. Het water was daar zo’n 60 centimeter diep. In het ondiepe gedeelte was de diepte zo’n 30 centimeter.

Toegang was 10 cent, vanaf 1937 inclusief vermakelijkheidsbelasting 12 cent - die ging naar de gemeente (Ambt Vollenhove). Er bestonden ook gezinsjaarkaarten. Pootje baden, gebruik van strand en van speeltoestellen was gratis. Er waren schommels, wippen, een zweefmolen en rekstokken. Voor de tennisbaan moest apart worden betaald.
De tennisbaan was omgeven door hoge ballenvangers, en plm. 1 meter 50 hoge rietmatten als bescherming tegen de wind. Er stonden enkele banken voor het publiek, bijvoorbeeld bij tenniswedstrijden.

Naast het restaurant trof men een overdekte fietsenstalling, en een opslagplaats voor stoelen, tafels en parasols, en zeven vlotten. 
Het restaurant had als logo op alle serviesgoed een dame in badpak in zweefduik.
Er was een kelder, gekoeld met ijs uit de ijskelder in de binnenhaven, voor bier (Grolsch) en de flesjes frisdrank, verpakt in houten kratjes.

Voor de ingang, vlak voor het restaurant, stond ijscoman Jaap Boes met zijn bakfiets ijs te verkopen voor bakker Post (Kerkstraat). Men kon er ijsjes kopen van een halve, één, twee en vijf cent. Buiten het hek stond de concurrent: ijscoman Jaap Rozeboom, voor bakker Kwast (Voorpoort). Verder stond op het terrein nog een snoep- en fruitkar van Mansveld (Visserstraat). Naast de keukendeur van het restaurant hing een automaat voor chocoladerepen en chocolademelk van Van Houten. Er was een pomp die heerlijk helder drinkwater gaf.

De ansichtkaarten die men in het Paviljoen kocht, konden ter plaatse in de brievenbus die ‘s avonds werd gelicht, de post werd naar het postkantoor op het Kerkplein (huidige restaurant ‘Robuust') gebracht.

Personeel

Zetbaas was Harm Ouderling, die ook in het paviljoen sliep, evenals de ober, Ab Mossel. Als het druk was, kwamen er extra kelners uit Zwolle. In de keuken stond Marie, later getrouwd met badmeester Hendrik Oldenhof. 
De badmeester was later diens neef Henk Oldenhof, bijgenaamd Pikkertien, vroeger visser, en ook diens broer Jan Oldenhof.
De derde en laatste badmeester was Laurent Nering Bögel. Hij woonde in Hagensdorp en werkte als vrijwilliger bij Paviljoen Zwemlust, waarvoor hij in 1938 van dokter Jansen een microfoon kreeg, die hij na de oorlog voor de geluidsinstallatie van de ijsbaan gebruikte. 
Taak van het personeel was ook de kaartverkoop, schoonmaken van de badhokjes en bootverhuur. Men had een BM-er, een kleine zeilboot, roeiboten en twee kano’s; die bij goed weer vrijwel altijd verhuurd waren.
‘s Avonds moest men de zeven houten vlotten, erg populair bij de jeugd, langs het strand zoeken en terugbrengen. Als het niet druk was gaven ze ook wel zwemles.

Vergelijking met Zandvoort

Het Zeebad trok allengs steeds meer publiek. Van heinde en verre kwam men per fiets, auto, bus en boot, in het weekend vaak zo’n 500 per dag. Vollenhove kreeg er landelijke bekendheid door.
Passagiersboten, met tot zo’n 70 passagiers, meerden af aan de kop van de steiger, en kwamen uit Zwolle, Genemuiden en soms ook Meppel. Er waren speciaal houten balken aangebracht met een houten trap naar de steiger, zodat men gemakkelijk op het strand kon komen. Een ober van het restaurant inde op de steiger het entreegeld.

Op donderdag 21 juni 1934 verscheen er in de Sluziger een artikeltje, waarin een verslaggever trots vermeldde dat Vollenhove op zomerse dagen vergeleken kon worden met Zandvoort. "Wel ontbreken hier de luxueuze badhotels", zo schreef hij, "maar de prettige ongedwongenheid op dit strand doet het bad tot een aantrekkelijke plek maken voor al degenen, die van het strandleven wenschen te genieten". Vollenhove mocht zich gelukkig prijzen, dankzij het Voorster strand met zijn Zwemlust was voor de stad "een nieuw perspectief geopend".

Ook in de zomer van 1935 bleef het bad veel bezoekers trekken. Ze kwamen van alle kanten. De rondvaartboot Stad Genemuiden legde regelmatig aan bij de kop van de steiger om strandliefhebbers af te zetten of op te halen. De busmaatschappij Zwolle-Blokzijl, die het personenvervoer van de in het jaar daarvoor opgeheven tramdienst tussen beide plaatsen had overgenomen, verkocht in samenwerking met de eigenaar van het paviljoen eendaagse retourbiljetten, die tevens toegang gaven tot het bad. Wie vanaf Zwolle kwam betaalde f 1,00, vanaf Zwartsluis f 0,45 en vanaf Blokzijl f 0,25. Van de bezoekers, die in Meppel op de bus stapten - en dat waren er heel velen -, werd f 1,00 gevraagd.
Hoeveel mensen er op zondag 14 juli van dat jaar van deze regeling gebruik hebben gemaakt, is niet bekend. Maar het was bijzonder druk op het strand. De zwemmers en baders stonden op die dag in rijen te wachten voor de badhokjes. 

Het einde van Zwemlust

Over bezoekersaantallen na het seizoen 1935 wordt in de Sluziger, hèt streekblad voor het Vollenhoofse, zoals vermeld, nauwelijks meer iets geschreven. Het zou kunnen komen, omdat Henk van Heerde, die de eerste drie jaren het paviljoen en het strandbad zo enthousiast in het nieuws bracht, in 1936 naar Kampen vertrok, waar hij redacteur werd van het pas opgerichte Kamper Nieuwsblad. Maar het lijkt erop dat de drukke dagen van de beginjaren nooit weer zijn gehaald. Gingen het strand en het bad aan aantrekkingskracht inboeten?

Er gebeurde in de zee vlak bij het bad inmiddels wel een en ander door de Zuiderzeewerken.
Bij storm spoelde vaak veel zand weg, vooral bij de tennisbaan. Elk voorjaar werd er door personeel en vrijwilligers heel wat kostbaar zand heengekruid, tot in 1935 een palenscherm werd geplaatst. 
In 1933 zag men de baggermolen al voorbij varen, om een vaargeul naar de haven open te houden. Men profiteerde bij Paviljoen Zwemlust van de geul door een springtoren (duikplank) te plaatsen.
"Een groote baggermolen scheurt het taaie keileem bij de Voorst uit de bodem los", zo schreef een verslaggever van de Sluziger op 5 augustus 1937 na een tocht langs de Zuiderzeewerken. Over het paviljoen, waar hij even binnenwipte voor een kop thee, vermeldde hij niets, net zo min overigens als over het strand en het bad.

In de zomer van 1938 begonnen de polderwerken bij Vollenhove pas goed. Er kwamen grote baggermolens en zandzuigers om het randkanaal tussen het oude land en de toekomstige Noordoostpolder zover uit te diepen, dat het geschikt was voor schepen van 1000 ton. 
In 1939 was de dijk van de Noordoostpolder, aan de overkant van de geul, al helemaal klaar. In het najaar van 1940 werd het sluitgat van de ringdijk om de polder gedicht. Met het droogmalen kon worden begonnen.

De dagen met duizenden bezoekers op het strand bij de Voorst waren voorgoed voorbij. Toen in 1940 de oorlog uitbrak, was het helemaal gedaan met het Paviljoen. Tot juli waren er op het terrein Duitse troepen gelegerd, die veel zwommen en zeilden en gelukkig niets beschadigden. Het waterschap verkocht de basaltblokken van de kliffen, omdat die niet meer nodig waren.

Inmiddels was de zoon van initiatiefnemer Luut de Lange, Luut junior, uit dienst gekomen en wist niet wat te doen. Zijn vader stelde voor te gaan trouwen en op het paviljoen te gaan wonen. En zo trouwde hij op 26 september 1940, er werden enkele kamers en een keuken aangebouwd en het stel ging wonen in het Paviljoen. Alle inventaris en boten waren nog aanwezig en werden overgenomen voor f 3000 van de vorige zetbaas. Luut moest regelmatig onderduiken vanwege de razzia's van de Duitsers op jonge mannen.

In 1942 werd het verboden of onmogelijk door de vorderingen om nog per auto of bus naar het Paviljoen te komen, dus het bezoek daalde en het Paviljoen werd onrendabel. De Duitsers bouwden op het hoogste punt van De Voorst een groot gebouw als uitkijkpost richting de polder. Dit werd vlak voor het einde van de oorlog weer afgebroken.

De tweede klift, gerestaureerd in 2002Het paviljoen had zijn tijd gehad. Het werd gesloten en ingericht als woonhuis. In 1946 ging het echtpaar De Lange-Belt met hun op het Paviljoen geboren zonen Luut en Henk in de stad Vollenhove wonen. Ze vertrokken in 1951 naar Baflo (Groningen) en begonnen daar een café met weegbrug.  
In 1958 brandde het gebouwtje af. De toenmalige bewoner Gasthuis bouwde op dezelfde plaats een nieuwe woning, een semi-bungalow. Er naast werd een kippenschuur gebouwd, die rond 1970 door brandstichting getroffen werd, in de tijd dat er een pyromaan in Vollenhove rondwaarde. Momenteel is dat een caravanstalling.

Opnieuw waterrecreatie?

Vlak bij de plek van het zeebad is sinds enkele jaren opnieuw een strandje ingericht met aanlegplaats en verhuur van kano’s en waterfietsen, van de op de rand van Voorst en Bentpolder liggende camping ‘t Akkertien van de familie Spans. 

Ook de kliffen zijn inmiddels terug, dankzij de inzet van de Vereniging Stadsbelangen Vollenhove.

www.henkvanheerde.nl/vollenhove