In
de Stad Vollenhove, als zelfstandige gemeente, bevonden zich in het begin van de
twintigste eeuw drie scholen, waar zowel jongens als meisjes onderwijs volgden.
School A, gevestigd aan de Bisschopstraat 206, was een openbare school voor lager onderwijs, die op dat moment 232 leerlingen telde. Het hoofd der school was de heer E. Dragt. Het gebouw heeft eind jaren 1950 nog kort dienst gedaan als Openbare ULO, daarna als Sociale Werkplaats (‘mindervalidenwerkplaats’) en is afgebroken omstreeks 1975. Op het terrein werden enkele woningen gebouwd en een brandweerkazerne. Dit laatste gebouw doet inmiddels dienst als Oudheidkamer en wordt verbouwd tot Cultuurhistorisch Centrum.
School B, een openbare school voor ULO-onderwijs, was gevestigd aan het Kerkplein 26. Hier volgden 14 leerlingen afkomstig uit de wijde omgeving het onderwijs. Het hoofd der school was de heer J. de Bruyn. Het gebouw stond naast de vroegere Franse school, maakte er mogelijk ooit deel van uit. Die school, in wat later ten onrechte de ‘voormalige Latijnse school’ werd genoemd, was in de negentiende eeuw een kostschool. Het gebouw van School B heeft in de jaren 1960 dienst gedaan als gymnastieklokaal, ook de plaatselijke scouting heeft er nog kort gebruik van gemaakt. In de jaren 1980 is het na een lange periode van leegstand verbouwd tot hotel. Momenteel is het vooral een restaurant, De Herberg, overigens nog steeds met enkele hotelkamers.
De derde school was een lagere school voor bijzonder onderwijs opgericht door
de Vereeniging tot Stichting en instandhouding van scholen met den Bijbel te
Stad Vollenhove, opgericht in 1897, nadat er al in 1894 een ‘steuncomité’ was
gevormd. Financiering moest geheel uit eigen kring komen, en het viel ook niet
mee om een geschikt stuk grond te vinden. De vader (wagenmaker Simon Dragt,
betovergrootvader van de huidige groenteboer met die naam) van de secretaris,
Jan Baver Dragt verkocht uiteindelijk een stuk grond aan de Kerkstraat. De
school werd op 3 juli 1903 geopend en was gehuisvest aan de Kerkstraat 95a. Het
gebouw werd enkele malen uitgebreid, de ingang verplaatst naar de Bisschopstraat
en is rond 1975 afgebroken.
Bij de opening wordt aannemer Weijs bedankt voor de nette afwerking van de
school en de voorzitter van de vereniging, L. Wichers belooft hem, dat "het
bestuur hem in voorkomende gelegenheden en bij soortgelijk werk zal aanbevelen".
Vanuit de tegenstanders van het christelijk onderwijs klinken echter vijandige
woorden: "dat zaakje is binnen een jaar failliet" en "er ligt een gladde vloer
in het leslokaal zodat het nog geschikt is als dansvloer". Op de "School met den
Bijbel" worden, ondanks de hatelijkheden, dagelijks tweeëndertig kinderen
onderwezen "bij het licht van Gods woord" door de eerste hoofdonderwijzer E.E.
Boonstra. Maar al spoedig vertrok dhr. Boonstra naar elders en in 1905 kwam de
bij sommigen nog bekende meester Dam uit Zutphen. Vele jaren heeft hij de school
geleid, totdat hij schoolopziener in Heerenveen werd.
Langzaam maar zeker groeide de school, en in 1906 moest er een lokaal bijgebouwd
worden. Weijs, die zo "netjes afgeleverd" had, mocht de klus klaren voor het
bedrag van f. 1410,-. Maar ook de moeilijkheden bleven de jonge school niet
bespaard. Secretaris Dragt, die vele jaren nauwgezet het wel en wee geboekstaafd
heeft, schrijft erover. De eerste onderwijzer moest in militaire dienst en van
zijn opvolger bleek al spoedig, zo vermeldt Dragt, "dat het niet de juiste man
op de juiste plaats was". "En ook de plaats die de school zo langzamerhand
veroverd had, bleef ons steeds betwist", aldus Dragt, "getuige de Oranjefeesten,
die we afzonderlijk op het landgoed De
Rollecaten moesten houden". Maar ondanks tegenwerking en financiële zorgen
("besloten wordt de contributie te verhogen tot 50 cent per jaar") bleef de
school groeien en in 1918 moest het gebouw alweer uitgebreid worden. Maar ruimte
om te bouwen was er niet meer, een nieuwe school bouwen was te kostbaar en dus
werd besloten om twee lokalen bovenop het bestaande gebouw te bouwen.
De schoolgebouwen A en B waren in zeer slechte staat. Mede door het
bouwbesluit van 1912 moesten de verbeteringen spoedig tot stand gebracht worden.
In een circulaire van 7 april 1913 werden de gemeenten van de voorgeschreven
veranderingen op de hoogte gebracht (bijlage 1)
De schoolopziener in het district Zwolle, de heer O.A. Bosch, schreef in een
brief aan burgemeester en wethouders van de gemeente, dat hij geen verbeteringen
zag naar aanleiding van deze circulaire. Sinds lange tijd waren er geen
aanpassingen geweest in de scholen. De achterstand was dientengevolge behoorlijk
opgelopen. In school A waren voor jongens en meisjes geen afzonderlijke
privaten. Het aantal waterplaatsen was te gering en de stankafsluiters bij de
urinoirs ontbraken. Luchtafvoer uit die ruimten ontbrak en ook waren de
tonnetjes van buitenaf niet bereikbaar. Deze voor die tijd niet te tolereren
stankoverlast zou nog tot menige briefwisseling aanleiding geven. Bovendien
vertoonde school A meerdere gebreken, zoals lekkage het niet kunnen openen van
onderramen en het niet aanwezig zijn van instructies voor de schoonmaakster. De
schoolopziener verzuchtte in zijn brief van 30 juni 1913 dan ook:
“Werkelijk er moesten van Stad Vollenhove betere dingen kunnen gezegd worden.”
De school voor ULO-onderwijs, school B, was volgens dezelfde schoolopziener
ook in betreurenswaardige staat. Uit dezelfde brief de opmerking:
"Er moeten werkelijk maatregelen genomen worden ter verbetering. Ik hoor echter
niet dat iets gedaan wordt.”
De woning van de heer de Bruyn, als onderdeel van de school, moest nodig
verbouwd worden. De school vertoonde dezelfde gebreken als bij school A.
Luchtkokers ontbraken er in de schoollokalen, op de privaten en in de
waterplaatsen.
De Bijzondere school functioneerde in 1912 al 9 jaren en was volgens de
commissie tot wering van het schoolverzuim en de schoolopziener in redelijke
staat. Er waren op het gebouw geen aanmerkingen te maken.
De verbeteringen aan school A en B sleepten zich nog enige tijd voort. De
gemeenteopziener, de heer M.N. Costerdijk, ging zelf poolshoogte nemen om een
onderbouwd hersteladvies aan de gemeente te geven.
De zoldering van de ULO-school werd inderdaad 'betrekkelijk' donker bevonden,
hetgeen afweek van artikel 8 van het bouwbesluit. Met wat verf zou dit makkelijk
te verhelpen zijn, luidde het advies.
Volgens artikel 10. moesten in elk schoolvertrek de onderramen van een
lichtkozijn geheel kunnen openslaan. Hieraan voldeden de ramen niet. Een
oplossing hiervoor was door de opziener snel en goedkoop te realiseren:
'Aangezien dit alleen nodig is voor ventilatie bij warm weer en de gevel Z.Z.O.
gericht is, heeft het beweegbaar maken van de ramen meer tocht tot gevolg’. Dit
was volgens de gemeenteopziener erger dan het onaangename van de warmte in de
zomer. Bovendien werd een belangrijk deel in deze periode met vakantie
doorgebracht, was zijn opinie. De beide ramen in de achtergevel konden wel zo
gemaakt worden, dat ze verder openvielen, wat de ventilatie meer bevorderde, dan
het kunnen openzetten van de onderramen.
De tonnen konden van buitenaf bereikbaar gemaakt worden d.m.v. luikjes in de
buitenmuren. Volgens genoemde opziener ook geen verbetering want:
"langs de luiken zal tocht binnenkomen en de lucht van de privaten zal zich zo
verspreiden door de voorportalen en de schoolvertrekken binnendrijven." Het
advies hield in dat er geen verbetering te verwachten viel en alles beter bij
het oude gelaten kon worden.
Uiteraard kon de schoolopziener, uit volksgezondheidsoverwegingen. niet met
deze zienswijze instemmen. Hij verklaarde dan ook in een brief dat hij geen
ontheffing verleende van artikel 10, 3de lid van het KB van 25 juni 1912. Hij
vond deze bepaling zo heilzaam, dat hij voor een klein beetje tocht niet
bevreemd was. Hij betreurde het wel dat er ramen op de noordkant waren, waardoor
er nooit zon in de school kon komen.
"Daarom is frissche lucht een reden te meer om in overvloed aanwezig te laten
zijn. Om te ventileren door deuren en ramen tegen elkaar open te zetten is niet
heilzaam voor de kinderen."
Het uit hygiënisch oogpunt niet gebruiken van ramen, die makkelijk geopend
kunnen worden, met het oog op tochtvorming in koude perioden, was de
schoolopziener niet bekend. Juist uit het oogpunt van gezondheid werd er op
aangedrongen zoveel mogelijk ramen toegankelijk te maken voor verse en frisse
lucht.
Voor het niet van buitenaf bereikbaar maken van de tonnetjes moest ministeriële
ontheffing aangevraagd worden. De schoolopziener mocht hier officieel geen
verantwoordelijkheid voor nemen. Hij hield zich zo afzijdig van de uitspraak,
dat hij het niet eens was met deze oplossing.
Op 7 mei 1914 was er nog geen begin gemaakt met de verbeteringen. Er was geen
subsidie aangevraagd, al stond dit open voor gemeenten, die hiervoor financieel
in aanmerking konden komen. Volgens de schoolopziener kon de gemeente hiervan op
de hoogte zijn.
Er werd door hem dan ook op aangedrongen het bestek en de toekenning snel in
orde te brengen, zodat dit aan H.M. de Koningin gezonden kon worden samen met
een verzoek om steun van het rijk voor de uitvoering.
In het verslag van de plaatselijke commissie van toezicht op het lager
onderwijs over het jaar 1915, werden nog vele kanttekeningen geplaatst over de
verbeteringen die aan de scholen waren verricht.
In school A waren de oude banken in de lokalen nog steeds niet geverfd en ook
was de scheidingsmuur in het lokaal van de onderwijzer de heer Prins nog steeds
niet hersteld. Al enkele jaren werd hierop aangedrongen. Aandacht voor voldoende
licht in de lokalen kwam tot uiting door de bomen op de speelplaats te laten
vellen en jonge bomen te herplanten aan de andere muur. Deze maatregel zou
meteen de ontstane schade aan het dak en de goten opheffen. De privaten waren
ook nog niet in overeenstemming met het KB.
Daar de vergoedingen van het rijk overeenkomstig waren met de gemaakte kosten,
was er geen verontschuldiging te bedenken om deze besluiten niet uit te voeren.
Ondanks de zorg om de behuizing bleef het leerlingenaantal gestaag groeien.
School A had in 1915 in zes klassen: 134 jongens en 105 meisjes.
School B, waar inmiddels één raam verbeterd was, breidde zich uit van 26
leerlingen in 1914, naar 33 leerlingen in 1915: 21 jongens en 12 meisjes.
Dat de Bijzondere school meer kinderen ging herbergen bleek uit de opmerking dat
het aantal kapstokken te gering was geworden. De lokalen waren hier overigens
nog steeds in goede staat.
De school telde in 1914: 40 jongens en 23 meisjes. In 1915 groeide dat naar: 46
jongens en 32 meisjes.
Het herhalingsonderwijs, waarvoor in 1913 nog een rijksbijdrage ontvangen
werd van het ministerie van Binnenlandse zaken afdeling Onderwijs, had in deze
periode geen invloed op de groei van de ULO-school. In latere jaren werd dit
type scholing als concurrerend ervaren, vooral toen er in tijden van terugloop
van het leerlingenaan¬tal, een opheffing dreigde van het ULO-onderwijs in de
Stad Vollenhove. Vooralsnog was er in deze periode de mogelijkheid naast elkaar
te bestaan. Het herhalingsonderwijs gaf oudere kinderen de gelegenheid om
basisvakken als lezen, schrijven, rekenen en handwerken (voor meisjes) beter te
beheersen.
In de leerplichtwet artikel 4 en KB artikel 3 van 13 november 1900 werd nog de
mogelijkheid opengelaten voor het volgen van huisonderwijs. Dit was nog een heel
vroege vorm van onderwijs, in oorsprong bedoeld voor de betere standen. Na 1900
was het mogelijk ook op andere gronden hiervoor toestemming te krijgen. Ieder
jaar moest hiervoor een vergunning aangevraagd worden bij het ministerie. In
Stad Vollenhove werd huisonderwijs gegeven door de heer P.K. Dam (hoofd van de
bijzondere school) aan J.W.G. Sloet van Oldruitenborgh in de vakken a t/m g,
zoals de wet voorschreef.
In 1917 bedacht het waarnemend hoofd van school A, de heer Hes, een
ingenieuze maatregel. De schoolbanken waren nog steeds haveloos en niet geverfd.
De heer Hes had ze nu maar belegd met karton, zodat ze weer door de kinderen
gebruikt konden worden, zonder dat ze splinters konden oplopen. In de
scheidingsmuur in het lokaal van de heer Prins bleek nog steeds een gat te
zitten ter grootte van 10 stenen. Hierdoor konden de leerlingen de lessen en
elkaar volgen in het andere lokaal, wat niet bijdroeg tot de rust in de klas.
Gelukkig waren de bomen op de speelplaats op twee na omgehakt. Eén boom nam ook
nu nog te veel licht uit één der lokalen weg en zou nog moeten wijken. Aan de
verbeteringen van de privaten was nog steeds niets gedaan. In twee lokalen waren
nieuwe kachels gekomen. Even werd hier dankbaar gebruik van gemaakt, tot men tot
de ontdekking kwam dat, door het harde stoken om het gehele lokaal te verwarmen,
de voorste banken waren gebarsten. In alle lokalen waren dringend kachelschermen
nodig. Vooraan bij de kachel zitten zal daarom niet altijd een onverdeeld
genoegen zijn geweest. Bovendien werd de voorraad steenkolen danig aangesproken.
School A had niet voldoende en ook school B was al bijna door de voorraad heen.
De brandstofvoorziening werd nadien een punt van aanhoudende zorg. Om de
schaarste aan steenkolen het hoofd te bieden werden lesroosterwijzigingen
doorgevoerd. De vrije maandag en de tweede vrije zaterdag per maand werden
afgeschaft en vervangen door de woensdag- en zaterdagnamiddag. De tijden voor
het herhalingsonderwijs konden hieraan aangepast worden en sloten nu geheel op
de lagere schooltijden aan.
Dat niet alle schoolkinderen even trouw de school bezochten, bleek uit het
feit dat in de garnalenpelperiode een zorgwekkend schoolverzuim geconstateerd
werd. Verzocht werd om een plaatselijke gemeenteverordening in te stellen om
hiertegen op te treden.
Deze verordening is er nooit gekomen, daar de inspectie veronderstelde dat het
gegeven niet van blijvende aard zou zijn.
Het aantal leerlingen daalde voor school A gering in 1916. Er gingen op dat
moment 131 jongens en 98 meisjes naar deze school.
School B kende in 1916 ook een kleine teruggang van 33 leerlingen naar 27. De
bijzondere school steeg daarentegen in 1916 van 78 naar 81 leerlingen, wat te
danken was aan het toenemend aantal meisjes dat de school bezocht.
De oorlogsperiode 1914 - 1918 liet ook de Stad Vollenhove niet helemaal onberoerd. De geconstateerde schaarste aan steenkool en het schoolverzuim vanwege het garnalenpellen maakten hier duidelijk onderdeel van uit. Hoewel van inspectiewege niet overwogen werd hier een herfstvakantie voor te adviseren.
Kleine verschuivingen traden op door o.a. de vakantie op maandag te laten
eindigen om de zondag als rustige afsluitingsdag te kunnen beschouwen.
Religieuze argumenten voor deze maatregel werden hier echter niet voor genoemd.
De toelatingsleeftijd werd 3 maanden later gesteld, en de kinderen werden met
nadruk niet toegelaten wanneer ze, vóór 1 januari van het jaar van toelating,
niet al 5 jaar geworden waren.
Toelating per 1 april kon wanneer de overgang plaats vond op de laatste
schooldag in maart.
In 1916 werden onderwijzeressen in tijdelijke dienst aangesteld als
personeelsaanvul¬ling i.v.m. de mobilisatie. De oproepen voor onderwijzer werden
gestaakt. Door de grote achteruitgang van het aantal leerlingen, van 27 in 1916
naar 8 in 1917, overwoog de gemeenteraad de MULO-school op te heffen, maar vond
hier de kerkvoogden van de Nederlands Hervormde Gemeente tegenover zich. Zij
wezen op een overeenkomst uit 1832, waarbij het onderhoud van de school en de
woning, en het salariëren van de onderwijzers geregeld was, daar de school was
gesticht op het Convent van Clarenberg. De gemeente was hierdoor verplicht deze
lasten op zich te nemen, zonder rekening te houden met het aantal leerlingen. De
sluitingsdreiging kon zo afgewend worden.
De schooltijden werden in de winter van 1917 nog verder ingekrompen, waarbij het aantal schooldagen van 5 naar 4 werd teruggebracht. De lessen begonnen nu om 9 uur en eindigden om 14.30 uur met een 1,5 uur durende middagpauze. In december en januari werd de middagpauze nog een kwartier maar voren geschoven. Bovendien zou het herhalingsonderwijs helemaal stopgezet worden, als het minimum van 5 belangstellenden niet gehaald werd. Om op zaterdag stookkosten uit te sparen werd deze schooltijd naar de woensdagmiddag geschoven. De lokalen waren dan reeds op temperatuur.
De plaatselijke commissie van toezicht was in 1918 van mening dat het
leerlingen¬aantal voor school B weer op peil gebracht moest worden. Een jaar
later konden al twee leerlingen meer geteld worden.
Daarentegen werd de bijzondere school te klein, het leerlingenaantal bleef hier
groeien.
Ook school A had een groeiend aantal leerlingen. De banken in de zesde klas
waren nu geverfd en maakten "een netten indruk."
Dit kon nog steeds niet geconstateerd worden van de banken in de vierde en
vijfde klas. Roerwater liep langs de muur in klas vier door een lekkende
schoorsteen. De geur die hierdoor verspreid werd was zeer onaangenaam. De kachel
brandde hierdoor slecht en in alle lokalen ontbraken vuurschermen. De voorste
banken hadden veel te lijden van de kachelwarmte zo werd nogmaals vastgesteld.
Evenmin was er al iets gedaan aan het gat in de scheidingswand van het lokaal
van de heer Prins. De privaten hadden ook nog geen verbeteringen ondergaan.
De commissie begreep wel dat de financiële consequenties, om verbeteringen door
te voeren, op dat moment nog niet haalbaar waren. Toch werd in overweging
genomen om verbouwing, volgens het KB van 25 juni 1912, zowel noodzakelijk, als
zeer aan te bevelen te vinden. "Mede daar het aantal leerlingen weer iets
toegenomen was, tot 242, en 8 jongens en 39 meisjes het herhalingsonderwijs
volgden."
In school B werd de lekkage hersteld, maar het verdere uiterlijk liet nogal te
wensen over.
De School met den Bijbel werd in 1919 voorzien van een bovenbouw, bestaande
uit 2 lokalen. Tijdens de verbouwing werd tijdelijk gebruik gemaakt van een
andere lokaliteit, zodat het onderwijs ongehinderd voortgezet kon worden.
Het onderwijzend personeel werd met 2 onderwijzers uitgebreid, zodat het team nu
uit 4 personen bestond. Het aantal leerlingen bedroeg nu 95, en 5 jongens en 8
meisjes volgden het herhalingsonderwijs.
De schoollokalen staken bijzonder gunstig af bij de gemeentescholen, was het
oordeel van de plaatselijke commissie van toezicht.
De regels en de verslaglegging werden sinds de invoering van de leerplichtwet
steeds verder uitgebreid. Het rijk verzocht in 1915 om een opgave van jeugdige
personen, tussen 13 en 18 jaar, die onderwijs volgden. Jongens en meisjes
moesten apart vermeld worden. Het aanstellen van personeel werd steeds
uitgebreider gereglementeerd. Jaarwedden werden losgekoppeld van de
ambtenarensalarissen en zelfstandig per jaar verhoogd naar gelang het aantal
dienstjaren en behaalde bevoegdheden. Verzocht werd lestijden en lesroosters te
rapporteren.
Deze uitbreiding van schooltoezicht mondde uit in de wet op het Lager Onderwijs
in 1920 (de Schoolwet De Visser). Naar aanleiding van deze wet nam de
plaatselijke commissie van toezicht van de Stad Vollenhove ontslag en droeg haar
archief over aan de gemeente. Hiermee wordt uitvoering gegeven aan de nieuwe
grondwettelijke bepalingen over het onderwijs uit 1917. Zowel openbaar als
bijzonder onderwijs krijgen subsidie. De wet leidt onder meer tot verkleining
van de klassen, voert een zevende leerjaar in, verbetert de opleiding voor
onderwijzers en laat de salarissen van onderwijzers voor rekening van het rijk
komen en de kosten voor gebouwen en leermiddelen voor rekening van de gemeenten.
Hiermee zijn de grote financiële zorgen voor de School met de Bijbel voorbij en
is het doel bereikt: het christelijk onderwijs heeft zijn plaats gekregen en
bewezen in de maatschappij.
Bij raadsbesluit van 12 maart 1921 werd voor school A nu een oudercommissie ingesteld. De commissie kreeg voor haar vergaderingen een verwarmd schoollokaal ter beschikking. Er werd per 29 augustus 1921 een voorschrift met 13 aandachtspunten opgesteld voor het schoonhouden van alle schoolgebouwen en alle schoolterreinen in de gemeente Stad Vollenhove.
Het aantal leerlingen voor het herhalingsonderwijs nam toe en zo konden ook
het aantal lesuren hiervoor uitgebreid worden. Deze toename was mede het gevolg
van de plannen tot drooglegging van de Zuiderzee. Vooral jonge vissers hadden
een sterke neiging om een ander beroep te kiezen, waartoe hun de nodige scholing
ontbrak. De herhalingscursus raakte overbezet, waardoor enkelen deze cursus niet
konden volgen.
Het bestuur van de afdeling 'Vollenhove en omstreken van Volksonderwijs' nam
hiertegen stelling bij monde van de voorzitter de heer A.F. Stroink, en wenste
een cursus voor Voorbereidend Vakonderwijs aan jonge vissers mogelijk te maken.
Ook de ULO profiteerde van deze ontwikkeling en kreeg toestemming om met één
personeelslid uit te breiden, als de school een zuivere ULO-kopschool zou worden
met ingang van het nieuwe cursusjaar 1 april 1922. De school zou dan de klassen
7, 8 en 9 bevatten met een aantal leerlingen van 24 of meer.
De inspecteur van het lager onderwijs, de heer D.W. Reinders van de inspectie
Zwolle, reageerde op deze ontwikkeling en vond het wenselijk dat iedere
onderwijzer een afzonderlijk lokaal zou hebben. De kamer van het hoofd zou
hiervoor tijdelijk ingericht kunnen worden, of anders moest er een lokaal
bijgebouwd worden, aldus de inspecteur.
Naar aanleiding hiervan verzocht het hoofd van de school S. de Boer om
instemming met het vervallen van het 6de leerjaar. Deze kinderen zouden dat
leerjaar op school A kunnen afmaken. De extra locatie werd gevonden in het
achterste gedeelte van het catechisatielokaal van de Nederlands Hervormde Kerk
aan de Bisschopstraat. De schoolopziener, de heer Loman, gaf hier toestemming
voor, als de toiletvoorzie¬ning naar voorschrift was gerealiseerd.
Op 23 juni 1923 telde de School met den Bijbel 101 leerlingen. Het gebouw en
het omliggende terrein was eigendom van de vereniging. De leerlingen kregen les
in de vakken a t/m k evenals de 200 leerlingen van de openbare school A.
Op 3 oktober 1923 wilde de gemeente het raadsbesluit van 24 maart 1922 ongedaan
maken en besluiten tot het opheffen van het vervolgonderwijs aan de openbare
lagere school A i.v.m. de armlastigheid van de gemeente. Door de wet van 16
februari 1923 artikel 61 kwamen de kosten van dit onderwijs geheel voor rekening
van de gemeente. De hoofdinspectie te Groningen adviseerde het College van
Gedeputeerde Staten van Overijssel om op dit besluit een negatief advies uit te
brengen. Het avondonderwijs was al wegbezuinigd en het bleek dat 'de arme
visschersbevolking' het vervolgonderwijs zeer op prijs stelde. Het aantal
leerlingen bedroeg 38 á 42 op de cursusdagen.
In het schooljaar 1922/23 (van 1 oktober tot 17 maart) breidde het bijzonder
onderwijs de vervolgcursus uit naar 2 leerjaren. waarin de vakken: lezen,
rekenen, Nederlandse taal, aardrijkskunde, nuttige handwerken, natuurkunde en
tekenen onderwezen werden.
De School met den Bijbel bleef gestaag groeien van 115 leerlingen in 1924 naar 130 in 1928. Alle reden om het 25-jarig bestaan van de school op 1juli 1928 uitgebreid te herdenken met een feest en een receptie. Burgemeester en wethouders werden hiervoor per brief uitgenodigd.
De ULO-school, die buiten dit pleidooi tot opheffing gehouden werd, telde 40
en 30 leerlingen gerekend over de jaren 1922 en 1923.
Er werd les gegeven in de vakken a t/m o en q, d.w.z. een uitbreiding van de
vakken van het lager onderwijs met Frans, Duits, Engels, wiskunde en algemene
geschiedenis. Deze school was net als het gewoon lager onderwijs een dagschool
en daardoor anders van karakter dan het vervolgonderwijs, dat 's avonds werd
gegeven. Gezien het leerlingenaantal profiteerde het wel van de toegenomen
belangstelling voor aanvullend onderwijs.
De ULO-school kreeg vastgestelde schooltijden per 1 april 1924 van 31 1/2 uren
wekelijks. De eerste schooldag volgde na het afgelegde toelatingsexamen. Totaal
waren er 9 weken vakantie per jaar. Maandag t/m zaterdag werden de lessen
gevolgd van 9-12 en van 2-5 uur, op woensdagmiddag iets korter en op
zaterdagmiddag waren de kinderen vrij. Voor al deze veranderingen werd de school
in 1927 uitgebreid verbouwd. De onderwijzerswoning van school B werd ook in het
bestek opgenomen (bijlage 3). Aan het vak aardrijkskunde werd per 18 februari de
behandeling van de verkeersre¬gels toegevoegd in het leerplan van school B. Ook
dit was een landelijke verordening die plaatselijk gestalte moest krijgen.
Uit het verslag van de commissie tot wering van het schoolverzuim bleek dat
er in 1927 redelijk trouw naar school gegaan werd. Er stonden 4 leerlingen
genoteerd voor onwettig schoolverzuim en 1 leerling voor geoorloofd. Dit is
gering gezien het grote aantal schoolgaande kinderen op dat moment, te weten:
22 leerlingen naar de ULO school,
197 naar de openbare lagere school, en
130 naar het bijzonder onderwijs.
Ondanks de lovende inzet van het personeel, wilde het aantal leerlingen aan de
ULO maar niet verder stijgen. Het daalde geleidelijk onder de
instandhoudingsnorm. Iedereen betreurde deze gang van zaken, maar het was niet
te stoppen. Per 1 januari 1931 kreeg het hoofd van de school F. Steenbruggen
ontslag en vertrok naar Hengelo (0v). De school is dan opgeheven. De resterende
kinderen werden bijgeschoold aan school A om via het vervolgonder¬wijs naar de
kweekschool, HBS, e.d. te gaan. School A kreeg weer een 7de klas voor de
kinderen die naar de ambachtsschool wilden.

In dezelfde periode speelde de kwestie van de aanvraag van de gemeente om ontheffing te verlenen voor het geven van lichamelijke oefening per 1928. De inspectie weigerde deze ontheffing per brief van 27 maart 1928. De gemeente had kunnen weten dat er een terrein nodig was als speelveld. Zij had de landerijen, welke ze in eigendom had, niet voor langere tijd mogen verhuren, en had tot een regeling moeten komen met de huurders. Als dit niet mogelijk was, dan zou er wellicht een terrein van het Waterschap gehuurd kunnen worden. In ieder geval werd per 5 augustus 1928 een aanbesteding uitgeschreven voor de afrastering van een speelterrein op het Goor.
Op 3 december 1929 was nog niet tot uitvoering overgegaan wat de moeders,
o.I.v. mevr. Stroink - Sloet, tot actie deed overgaan. Er werd een gezamenlijke
brief geschreven om:
zoo spoedig mogelijk een ander speel- en gymnastiekterrein voor de kinderen der
openbare school te bepalen. De speelplaats op de Achtersteeg is een ware
modderpoel en komen de kinderen elken dag onder den modder thuis. Elken dag van
11-11½ uur wordt daar gymnastiekles en balspelen gehouden en is dit terrein daar
toch zeer zeker niet voor geschikt."
Het bestuur der Vereniging tot
stichting en instandhouding van Scholen met den Bijbel te Vollenhove zat met een
vergelijkbaar probleem.
De
straat voor de school werd tot dan toe als speelterrein gebruikt, maar dit werd
door het toenemende verkeer hiervoor ongeschikt, Het bestuur wenste dat het
College overeenkomstig artikel 72. van de lager onderwijswet van 1920 een huis
en erf aan zou kopen achter de school, evenals een extra strook grond naast het
huis van het hoofd der school. Het totale gebied tussen de Kerkstraat en de
Bisschopstraat kon zo geschikt gemaakt worden als speelterrein.
De stenen uit het bouwvallig pand konden gebruikt worden voor de fundering van
de scheidingsmuren. De bestrating kon gerealiseerd worden met basaltine tegels
en schelpengruis. Ook moest de waterinstallatie in de school verbeterd worden,
en de waterput op het terrein wat verlaagd worden. Door deze aanpassingen kreeg
de school een achteringang aan de Bisschopstraat naast het huis van het hoofd
van de school.
De afdeling Volksonderwijs zat in deze periode van veranderingen ook niet
stil, en wilde een cursus oprichten voor voorwerker t.b.v. de inpoldering van de
Noordoostpolder en de polder te Giethoorn. Ze wenste een cursus voor
vissersjongens en een cursus voor boerenzonen en arbeiders. Hierdoor konden ze
deelnemen aan het beoogde inpolderingsproces, dat in 1932 zou gaan beginnen als
een door het rijk gestimuleerd werkgelegenheidsproject. Het Departement van 't
Nut betuigde zijn instemming met dit initiatief.
De hoofden der scholen vonden het ook nodig hun krachten te bundelen en twee
vervolgcursussen te starten ter ondersteuning van werkloze vissersjongens van 17
à 18 jaar en ouder, zodat ze werk konden vinden bij de inpoldering van de
Zuiderzee. De cursussen (van elk 2 uur) zouden 2 avonden per week gegeven kunnen
worden, één cursus aan de openbare en één cursus aan de bijzondere school.
Er werd uitgegaan van minimaal 10 leerlingen en een lesgeld van 10 cent per
avond. De gemeente verspreidde hiervoor een brochure onder de bevolking met als
extra aanbeveling. mogelijkheden tot toelating bij de spoorwegen.
Er reageerden 14 personen voor de cursus aan de bijzondere school en 15 personen
voor de cursus aan de openbare school.
Bij de opgave van het aantal leerlingen ontbreken na 1931 veelal de exacte
aantallen.
Voor school A loopt het leerlingenaantal terug van 162 (in 1931) naar 140 (in
1934). Het bijzonder Onderwijs daalde met 3 leerlingen naar 119 in hetzelfde
tijdvak. Bij de opgaven van het schoolverzuim werd als oorzaak in 1936 'armoede'
genoemd, en in 1937 'verzachtende omstandigheden' of 'verschoonbaar'.
Deze tolerante houding ten opzichte van het verzuim weerspiegelde de moeilijke
financiële positie waarin de Stad Vollenhove verkeerde.
In 1939 was het voortgezet onderwijs geheel verdwenen en gingen de kinderen naar
de Ambachtsschool en de Landbouwhuishoudschool in Steenwijk en naar de MULO in
Meppel.
Bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog bezochten nog 141 leerlingen
school A. Het onderwijzend personeel moest onderschrijven, dat ze de bezettende
macht eerbiedigden, zoals blijkt uit de brief van A.G. Slot bij zijn benoeming
tot tijdelijk onderwijzer aan de openbare lagere school.
De Rijkscommissaris voor het bezette Nederlandse gebied reglementeerde de
organisatie van het onderwijs met straffe hand. Het Departement van opvoeding,
wetenschap en cultuurbescherming nr. 8.99 afd. l.o. keurde de rijksvergoedingen
voor de scholen goed, evenals de bijdrage over 1940 en de verrekening van het
reeds ontvangen voorschot.
Door de gemeenteraad werd in de begroting verlenging verleend voor:
- Het instandhouden van schoolgebouwen en terreinen voor onderwijs in
lichamelijke oefening.
- Geringe en dagelijkse reparaties van de gehuurde schoolgebouwen.
- Onderhoud van het schoolmeubilair,
- Verlichting, verwarming en schoonhouden van de schoolgebouwen.
- Schoolbibliotheek.
In 1941 telde de openbare school, net als in 1940, 141 leerlingen en de
bijzondere school 117 leerlingen.
De School met de Bijbel bestaat in 1943 40 jaar, een feit dat niet gevierd
wordt, omdat "de vrijheid ons is ontnomen", aldus ds. Honneff. Een jaar later,
in november 1944, fungeert het gebouw als doorgangscentrum van de slachtoffers
van de razzia's in de Noordoostpolder. Kort na de oorlog is het gebruikt voor
tijdelijke internering van plaatsgenoten, die in de oorlogsjaren de "verkeerde
kant" gekozen hadden.
In 1946 wordt de Christelijke ULO. geboren, met ca. 30 leerlingen in een lokaal van de School met de Bijbel. Ruimtenood leidt ertoe dat lessen worden gegeven in de huiskamer van het hoofd van de school en in de Gereformeerde kerk.
De Noordoostpolder wordt in cultuur gebracht en van overal stromen de
polderwerkers toe. Een explosieve groei is het gevolg.
Maar het gebouw, in 1903 geprezen als "een parel;van grote waarde" wordt oud en
bouwvallig. De lokalen worden te klein voor de nieuwe eisen. Bij een fikse
regenbui kunnen de emmers en teilen niet genoeg worden aangesleept en zonlicht
is alleen maar op het veel te kleine plein te ontdekken. Dus dient het
schoolbestuur in 1948 weer een verzoek in bij de gemeente om een bouwvergunning
voor het verbouwen en uitbreiden van het schoolgebouw voor LO en ULO. aan de
Kerkstraat te Vollenhove. De reactie hierop blijft uit, en op 21-09-1953
verzoekt het bestuur de gemeente om gelden uit de gemeentekas voor aankoop van
een naastgelegen woning. Het plan is om deze woning af te breken en het terrein
in te richten als speelplaats en een klein gedeelte te gebruiken voor
uitbreiding van de fietsenstalling. Het aantal leerlingen is inmiddels zo
gegroeid dat het onmogelijk is om ze allemaal op het huidige schoolpleintje te
laten spelen. De Rijksschooltoezicht inspectie Zwolle reageert hierop naar het
college van B&W:
“naar mijn mening worden de normale eisen niet overschreden, indien de
uitbreiding van de speelplaats een grootte van 100 m2 per leslokaal niet te
boven gaat. Indien het schoolgebouw dus 8 lokalen telt, mag de speelplaats in
totaal niet meer dan 800 m2 groot zijn. Ik laat het daarbij aan uw beoordeling,
of in dit geval het afbreken van de woning verantwoord is. Voor het bezoeken van
de school per rijwiel komen slechts die leerlingen in aanmerking, die tenminste
1 ½ km van de school verwijderd wonen.”
Het gebouw moet dus ergens vlak na de oorlog zijn uitgebreid met twee lokalen
(van zes naar acht) en een personeelskamer (met daarboven een magazijn). Het is
onduidelijk wanneer dat precies is gebeurd.
Het
christelijk onderwijs stichtte in 1952 nog een school, een
landbouwhuishoudschool – in de volksmond: spinazieacademie. Voor zover ik weet
gingen er uitsluitend meisjes naar deze school. Het gebouw stond aan de
Groenestraat, waar nu de nieuwe openbare basisschool staat. Slechts de
fietsenhokken zijn overgebleven van deze school, die de naam ‘Baron Sloet van
Marxveld’ kreeg en op 29 oktober 1952 officieel werd geopend. De school verdween
in de jaren 1980, nadat er door een teruglopend aantal leerlingen nog een fusie
was aangegaan met de Chr. ULO onder de naam Chr. Scholengemeenschap “De Werf”.
1954:
nijpende situatie School met de BijbelOp 31-12-1953 stuurt het bestuur van de school met de bijbel wederom een
brief aan B&W: "Door de Raad is besloten mee te werken tot aankoop van bedoelde
woning, teneinde na afbraak het verkregen terrein dienstbaar te maken voor
vergroten van het schoolplein. Blijkens de notulen van onze bestuursvergadering,
werd destijds door B&W bezwaar gemaakt een woning, eveneens bestemd voor afbraak
en uitbreiding speelplaats, door het schoolbestuur te doen aankopen. B&W waren
namelijk van mening dat aankoop door het gemeentebestuur moest geschieden,
waarna de woning aan het schoolbestuur kon worden overgedragen. In verband met
bovenstaande is de door u bedoelde woning bij mondelinge afspraak aangekocht,
doch is hiervan nog geen akte opgemaakt, waardoor geen eigendomsbewijzen in ons
bezit zijn. Wij achten het niet uitgesloten, dat het door u bedoelde gezin
t.z.t. de woning zal weigeren te verlaten. Gezien de door de raad verleende
medewerking, zal binnen afzienbare tijd tot afbraak moeten worden overgegaan
daar de uitbreiding van het schoolplein zeer urgent is."
Nog geen jaar later, op 12-04-1954 stuurt het schoolbestuur een brief aan de
Raad der Gemeente Vollenhove. Hierin wordt verwoord dat op grond van het zich
uitbreidende leerlingental de Minister toestemming heeft gegeven om op
rijkskosten een zesde leerkracht aan de school te verbinden. Op zich is men
verblijd met deze mededeling, ware het niet dat de schoot niet meer over
voldoende ruimte beschikt. Er wordt een "zeer voorlopige" oplossing gevonden
door een lokaal van de ULO-afdeling over te nemen en een ULO-klas onder te
brengen in de personeelskamer. Deze oplossing was echter allesbehalve ideaal
voor een goede gang van zaken, en daarom verzocht het bestuur de raad om "een
lokaal van de openbare school beschikbaar te stellen."
Een maand later, op 18-05-1954 reageert de openbare school middels een brief
naar het College van B&W op het verzoek om een lokaal ter beschikking van de
School met de Bijbel te stellen. "In een onderhoud met de heer Baakman is
gebleken dat men uitging van de veronderstelling dat het betreffende lokaal niet
in gebruik was. Daar dit evenwel gebruikt wordt voor handenarbeid van de lagere
school en bergruimte van de ULO-school, deelde de heer Baakman onze bezwaren
tegen deze oplossing. Afgezien van de verdere moeilijkheden, die een
onderbrengen van een klasse der bijzondere school tussen een lagere- en U.L.O.
openbare school mee kan brengen, hebben wij de overtuiging, dat ook de heer
Baakman aan een andere redelijke oplossing de voorkeur geeft."
Het bestuur heeft zich bij de beslissing neer te leggen, en men moet maar roeien
met de riemen die men (niet) heeft. Op 13-06-1955 doet het bestuur nog een
verzoek om een onderhoud met het College van B&W in verband met het steeds
nijpender wordende ruimtegebrek, en op 26-08-1955 komt de verlossende brief van
de gemeente aan het bestuur: "...delen wij u mede, dat uw vereniging een lokaal
van de O.L. school gratis zal mogen gebruiken, met dien verstande, dat de kosten
van verwarming, verlichting, dagelijks onderhoud en schoonhouden van het lokaal
uiteraard voor uw rekening zijn."
In 1957 komt er een nieuw gebouw gereed voor het openbaar lager onderwijs aan de
verlengde Groenestraat. De naam van de school is nu niet meer ‘School A’ maar
krijgt de naam “De Voorpoort”. Er zijn vier lokalen. Een bekende schoolmeester
was Frans Kroese. Schoolhoofden volgden elkaar steeds na een paar jaar op,
behalve J. Edel die hoofd was van 1969-1985. Een bekend schoolhoofd uit de jaren
dertig (1932-1952) was D. Lintstra, ook wel ‘de lintworm’ genoemd.
Ook in 1957 is de start van een christelijke kleuterschool aan de Wheeme, in
twee houten noodlokalen, onder leiding van juffrouw Langen en juffrouw Boot.
De nijpende situatie van de School met de Bijbel bleef niet onopgemerkt bij de
gemeente. In 1958 besluit burgemeester Krol zijn werkkamer op het gemeentehuis
af te staan om er tijdelijk, voor de duur van de bouw van een nieuwe ULO, een
klas in onder te brengen. Het volgende artikel verscheen in het tijdschrift "de
Spiegel":
Dat schreef dezer dagen de heer A.R. Sybesma, hoofd van de school op een
schoolbord in een van de vertrekken van het raadhuis, het oude landhuis Old
Ruitenborgh, dat in 1948 gemeentehuis van Vollenhove werd en dat nu ook school
is, omdat burgemeester mr. J. G. Krol, diens wethouder en de raad van de nood
een deugd hebben gemaakt. Old Ruitenborgh is een riant landhuis in oude stijl,
dat niet bepaald benepen is op gezet. Wie evenwel sinds kort burgemeester Krol
wil spreken, wordt niet meer naar een ruim, stijlvol vertrek verwezen, waar men
de eerste burger van Vollenhove zou verwachten, doch naar een weliswaar netjes
behangen, doch uitermate eng vertrekje op de tweede etage. Het ruime vertrek dat
eigenlijk de burgemeesterskamer was, is nu gemeubileerd met een aantal
schoolbanken en herbergt dagelijks veertig leerlingen van de school met de
bijbel, die geacht worden hier te vertoeven teneinde een basis te leggen voor
hun toekomst. Hier horen zij in een unieke omgeving de roemruchte feiten
aangaande onze vaderlandse geschiedenis, hier leren zij het vervoegen van de
werkwoorden, hier dienen zij op de hoogte te raken van de voortbrengselen van
diverse landen ter wereld en hier lezen zij het verhaal van het kacheltje dat
niet wilde glimmen. In dat laatste zou men een wondere symboliek kunnen zien,
maar intussen is het een feit, dat de burgemeester van Vollenhove zijn vertrek
heeft ontruimd ten behoeve van de hope des vaderlands.
Het heeft allemaal zijn reden. De gemeente Vollenhove telt ruim 5000 zielen,
waarvan er omstreeks 2500 in de stad Vollenhove wonen. Door de inpoldering van
het IJsselmeer heeft deze gemeente een veer moeten laten en anderzijds een
graantje mee gepikt. Vollenhove is ook een onderwijscentrum voor een ruim
omliggend gebied en het zijn de onderwijsvraagstukken, die hier momenteel in het
middelpunt van de belangstelling staan.
Zeker, daarin staat Vollenhove niet alleen. Er zijn talrijke plaatsen in het
gehele land, waar het onderwijs schade ondervindt of dreigt op te lopen door het
feit, dat ons land voor woningbouw en stichting van scholen slechts een
ontoereikend bedrag van twee miljard gulden op het kleed kan leggen. Doch de
voorlopige oplossing, die Vollenhove heeft gevonden, is stellig uniek.
Het zit allemaal zo: De Vereniging tot Stichting en Instandhouding van Scholen
met de Bijbel exploiteert in Vollenhove een lagere school en een uloschool. Zij
heeft aan de Bisschopstraat een schoolgebouw met acht lokalen. Edoch voor de
lagere school zijn nodig 7 lokalen en 1 lokaal voor handenarbeid en voor het ulo
behoeft men 5 lokalen en een lokaal voor natuurkunde, dat is een totale behoefte
aan 14 lokalen en dus... zijn er 6 lokalen tekort. Men zou zo zeggen, dat het
onderwijs aan deze scholen niet naar behoren gegeven kan worden, maar toch
draait het. En wel als volgt: er is geen gelegenheid voor handenarbeid en dat
spaart 1 lokaal, geen gelegenheid voor natuurkunde, dat levert weer een lokaal
en dus zijn er nog maar 4 tekort. Voorts is er één klas ondergebracht in de
haveloze vroegere Latijnse School, die tot voor kort voor gymnastiekonderwijs
werd gebruikt en slechts beschikt over een tonnetjesprivaat dat direct vanuit
het lokaal bereikbaar is. Dan zijn er nog twee klassen ondergebracht in de
ontruimde vroegere openbare school.
Inmiddels heeft men een urgentieverklaring gekregen voor de bouw van een
ulo-school met 6 lokalen, maar dat wil nog niet zeggen, dat die school er dan
ook komt, want er is geen geld en de gemeenten mogen geen kapitaalsuitgaven
doen. De werkelijkheid is dus, dat men een geldlening vraagt bij het ministerie
van O.K. en W. en dan op een wachtlijstje komt. En Vollenhove hoopt nu maar, dat
er zoiets als 'superurgentie' mogelijk is. Bij dit alles kan men zeggen, dat het
onderwijs nog rolde, afgezien van het feit, dat er ook nog een openbare ULO door
een nieuwe vervangen dient te worden, dat het gymnastiekonderwijs, nadat de
Latijnse School klaslokaal werd, in het gedrang kwam en dat er nog altijd een
klas geen plaats had.
Dat laatste werd uiteraard een onderwerp van gesprek in de raadsvergadering
waarin het aanbod van de burgemeester om zijn kamer als tijdelijk klaslokaal in
te richten, werd aanvaard. Nog even kwam aan de orde, dat men de raadszaal wel
als schoollokaal kon gaan gebruiken, maar de burgemeester -en hij niet alleen-
meende, dat men de sfeer van huwelijksvoltrekking en de raadsvergadering niet
mag bederven. Zo heeft dezer dagen de jeugd bezit van het burgermeesterlijk
vertrek genomen. De oude boekenkast met gemeentewetten staat nog in de hoek, het
grote portret van het koninklijk paar hangt nog aan de muur.
Het dagelijks onderwijs in Vollenhove is voorlopig gered, al moet men niet
vragen hoe en al moet men over natuurkunde, handenarbeid en gymnastiek maar niet
praten. Het gymnastiekonderwijs is nog een hoofdstuk apart en men kan
betwijfelen of dat in Vollenhove niet beter achterwege gelaten kan worden, omdat
dit in het belang van de volksgezondheid moet worden geacht en het dat in
Vollenhove onmogelijk kan zijn.
Toen de uit de vijftiende eeuw daterende en jaren geleden buiten gebruik
geraakte rooms-katholieke kapel nog diende als aardappelopslagplaats, kregen 800
kinderen van Vollenhove gymnastiekonderwijs in de Oude Latijnse School, die
tevens diende als vergaderplaats voor vijf verenigingen. Nu de Latijnse School
evenwel een stukje lagere school geworden is, is de lichamelijke opvoeding
verplaatst naar die oude kapel. Dit gebouw mag dan een historisch monument zijn,
het is dermate bouwvallig, dat men er bang van zou worden. De muren zijn
vochtig, de ramen dichtgemaakt met vellen plastic (zoals die van de Latijnse
School schuil gaan achter kippen gaas) en de kapel is bovendien zo haveloos en
muf, dat men zich kan afvragen of het verantwoord is, hier over lichamelijke
opvoeding te spreken, laat staan er goedbedoelde pogingen voor aan te wenden.
Enfin, evenals voor de bouw van een protestants christelijke ulo en een openbare
uloschool, heeft Vollenhove ook al sinds 1955 een urgentieverklaring voor een
gymnastieklokaal voor alle scholen, maar de financiële wal keert het schip.
Het mag bij dit alles niet verbazen, dat burgemeester Krol het hart van meester
Sybesma heeft gestolen door de burgemeesterskamer af te staan. Het mag evenmin
verwonderen, dat de meester op het bord schreef: "Leve de burgemeester”, of dat
die burgemeester zich soms in de kamer vergist en de klas binnenstapt, en dat de
kinderen dan HOERA roepen.
En in het verhaal, dat de jeugd in de burgemeesterskamer leest over het
kacheltje dat maar niet wilde glimmen, daarin kon men zoals gezegd een symboliek
zien, want Vollenhove kan op het onderwijskacheltje nog altijd geen glans
krijgen. Wat men er ook aan doet...
Op 1 september 1959 komt er eindelijk wat lucht: het nieuwe gebouw aan de
Wheeme is gereed en wordt in gebruik genomen als Openbare ULO, onder de naam
Inspecteur Roosenschool. De ruimte die vrij komt in School A aan de Kerkstraat
wordt nu opgevuld door de Christelijke ULO. De School met de Bijbel aan de
Bisschopstraat / Kerkstraat kan alle acht lokalen nu gebruiken voor het lager
onderwijs. In de jaren daarna zijn er steeds 7 lokalen voor de zes klassen (er
is steeds één dubbelklas, meestal klas 2) en een handenarbeidlokaal.
In dezelfde tijd gaat de RK lagere school
Sint Martinus open. Nadat er al
in 1946 zo’n school in Kraggenburg was gestart viel in 1956 het besluit om ook
in Vollenhove een RK school te stichten.
April 1960 verhuist de Christelijke ULO, onder leiding van de heer G.
Hoekstra, naar een gebouw aan de Wheeme, naast de noodlokalen van de
Christelijke kleuterschool. De school krijgt als naam: het Baken.
De openbare lagere school De Voorpoort wordt uitgebreid met twee lokalen, van
vier naar zes.
In 1962 komt het langverbeide nieuwe gymnastieklokaal beschikbaar naast de
openbare Lagere School de Voorpoort aan de Groenestraat. Het gebouw heeft
slechts een twintigtal jaar dienst gedaan, is vervangen door een moderner gebouw
op de hoek Wheeme / Doeveslag (nu in gebruik bij de Biljartvereniging
Vollenhove). Sinds de opening van de Multifunctionele Accommodatie op
14-10-1993, ‘De Burght’, vinden alle lessen daar plaats.
Op 07-09-1948 doet het bestuur van de Vereniging tot Stichting en
Instandhouding van Scholen met de Bijbel een aanvraag bij de gemeente om de
school aan te sluiten op het bestaande riool aan de Voorpoort. De aanvraag wordt
nog dezelfde week goedgekeurd, uitvoering van de aansluiting laat echter op zich
wachten.
Daarom wordt op 13-09-1950 nogmaals een poging ondernomen, waarbij gevraagd werd
om verbetering van de afvoer van de toiletten, waarbij de droge closets
vervangen dienen te worden door waterclosets.
Wederom wordt de aanvraag goedgekeurd, maar gebeurt er niets. Op 29-11-1950
schrijft het bestuur daarom een brief aan de gemeente Vollenhove:
De uitvoering van de verbouwingen m.b.t. de toiletten laat sinds goedkeuring van
gedane aanvragen op zich wachten. Als reden hiervoor werd opgegeven, dat een
rioleringsplan in de maak was en dat hierop moest worden
gewacht. Nadien is niets aan deze zaak gedaan en kan alleen nog gewezen worden
op een mededeling van de burgemeester, dat het plan klaar was en een gedeelte
kon worden uitgevoerd. Het bestuur dringt er met klem op aan dat zo spoedig
mogelijk met de uitvoering van de plannen wordt begonnen. Voortdurend ondervindt
men overlast van het water. Reeds herhaalde malen moest de kelder worden
leeggehaald.
De nood loopt hoog op, en op 18-06-1959 worden de toiletten en waterplaatsen
afgekeurd door de inspecteur van het l.o. in de inspectie Zwolle, alsmede door
de Districtsschoolarts. Nog een jaar later, op 28-07-1960 geeft het Ministerie
van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen een urgentieverklaring af: Het is mij
bekend dat verbouw van de toiletten van de protestants christelijke lagere
school te Vollenhove, dringend noodzakelijk is. In verband hiermede verzoek ik
de daartoe bevoegde instantie de rijksgoedkeuring hiervoor te verlenen.
Slechts 3 jaar later, op 06-11-1963 schrijft het bestuur een brief aan het
gemeentebestuur: Daar de toestand van de toiletten in de school wel zeer
onhoudbaar is, heeft het bestuur besloten aan de verbouwing daarvan voorrang te
geven. Deze aangelegenheid loopt, voor zover wij vast kunnen stellen, reeds
enkele jaren en de toestand is steeds verslechterd. Het is daarom dat wij u
beleefd willen verzoeken waar mogelijk de afwikkeling van deze zaak te
bespoedigen.
En eindelijk worden dan ook daad¬werkelijk de toiletten aangepast. Op 08-06-1964
schrijft het bestuur aan het gemeentebestuur: wij willen u dankzeggen voor de
vlotte medewerking die wij van u mochten ondervinden. Inmiddels hebben wij de
opdracht verstrekt aan de Firma Schraa te Zwarsluis, die verwacht het werk in
ca. 5 weken klaar te zullen hebben. Hoewel het te verbouwen schoolgedeelte zich
niet bijzonder leent voor een officiële opening, hopen wij toch dat u t.z.t.
eens een kijkje wilt komen nemen.
In september 1965 verzoekt het bestuur van de School met de Bijbel het
gemeentebestuur om bij de stedenbouwkundige plannen van Stad-Vollenhove rekening
te willen houden met een terrein voor een nieuw te bouwen school voor lager
Onderwijs. Een jaar later wordt daarbij de wens uitgesproken de nieuwe school
het liefst zo dicht mogelijk bij het sportveld te bouwen.
Op 10 juni 1967 deelt de vereniging (tot stichting en instandhouding van scholen
met de bijbel) mede dat men heeft besloten tot stichting van een nieuwe school,
zulks ter vervanging van haar school voor gewoon lager onderwijs te
Vollenhove-Stad. Het beoogde schoolgebouw moet ruimte bieden aan 179 leerlingen,
de school zal 6 lokalen bevatten en per lokaal zullen ten hoogste 48 leerlingen
worden toegelaten.
Op 15 juni 1967 ontvangt het College van B&W in Vollenhove een vertrouwelijke
brief van de inspecteur van het lager onderwijs, inspectie Kampen: "Het bedoelde
schoolgebouw is het resultaat van de aanvankelijke bouw omstreeks 1903 en enkele
uitbreidingen op latere tijdstippen." "Als gevolg van de bouw...en mede in
verband met onvoldoende terreinruimte bij de laatste uitbreiding, zijn diverse
lokalen klein of zeer klein. Vier van de aanwezige acht lokalen hebben een
vloeroppervlak van slechts ongeveer 34 m2. Dat normaliter aan ruim 30 kinderen
in deze lokalen onderwijs moet worden gegeven, levert zowel onderwijskundig als
hygiënisch duidelijk bezwaren op." "De gebreken van het gebouw (slechte
ventilatie, tocht, onhygiënische vloeren, slechte kapconstructie, verouderde
elektrische installatie e.a.) blijken duidelijk uit het technisch rapport."
"Reeds enkele jaren geleden werd de school op de lijst van de z.g.
vervangingsscholen opgenomen. Het is thans nog moeilijk te zeggen wanneer zij
aan de beurt zal komen voor een urgentieverklaring. Naar mijn mening is het
echter niet voorbarig, wanneer nu de eerste fase van de bouwprocedure wordt
ingeluid." "Ik adviseer u dan ook vertrouwelijk aan de raad van uw gemeente voor
te stellen aan het Bestuur van de Vereniging tot stichting en instandhouding van
scholen met de bijbel de gevraagde medewerking te verlenen."
Uiteindelijk komt dan op 04 oktober 1967 de bekendmaking dat burgemeester en
wethouders van de gemeente Vollenhove hebben besloten medewerking te verlenen
aan de aanvraag van het bestuur om beschikbaarstelling van de benodigde gelden
voor vervanging van de bijzondere school voor gewoon lager onderwijs, aan de
Bisschopstraat, nummer 65.
Ruim een maand later, op 17 november 1967 volgt een urgentieverklaring van de
inspecteur van het l.o. in de inspectie Kampen voor de bouw van een school met 6
lokalen. Diezelfde dag komt ook een rapport uit van het hoofd van
gemeentewerken, waarin de mogelijkheden m.b.t. het vervangen van de school staan
beschreven:
"De twee mogelijkheden welke ik zie zijn:
1. te bouwen aan de Noordwal (bij de andere scholen). Voorlopig staat de school
alleen in de Bentpolder.
2. te bouwen aan de Georg Schenckstraat (tegenover het te bouwen
bejaardencentrum) aan het verlengde Het Franse Pad. Dit is dichter bij de kom,
doch stemt niet overeen met het ontwerp."
De eerder geuite wens van het bestuur, om de school dicht bij de sportvelden te
bouwen, stuit volgens de gemeente op "planologische bezwaren". Het bestuur
reageert middels een brief:
"U deelde ons mee dat het bouwen van de school zo dicht mogelijk bij het
sportveld op planologische bezwaren stuit. Als enige plaats kon u ons wijzen het
terrein rechts van de Georg Schenckstraat / hoek 't Engelse Bos in de richting
Oppen Swolle. Keus is er niet. Met het door u aangewezen terrein kunnen wij ons
evenwel niet verenigen. We voelen ons daar teveel in een hoek gedrukt. Onze
keuze blijft daarom gevestigd op een terrein dicht bij het sportveld, en wel er
vlak achter, waarmede een zo centraal mogelijke ligging der school t.o.v. de
huidige en toekomstige ontwikkeling van Vollenhove verzekerd blijft. Noch het
door u bedoelde, noch het door ons bedoelde terrein ligt in een door de
gemeenteraad vastgesteld en door gedeputeerde staten goedgekeurd
bestemmingsplan, zodat naar onze mening verschuivingen in uw nog wel zeer prille
plannen mogelijk zijn. Over geen der beide terreinen heeft u momenteel de vrije
beschikking, doch bij navraag is ons gebleken dat de ruilverkavelingcommissie
genegen en in staat is om op
de door ons bedoelde plaats een terrein van voldoende grootte te uwer
beschikking te stellen, teneinde u in staat te stellen ons aldaar grond aan te
bieden, zodat wij onze bouwplannen spoedig ten uitvoer kunnen brengen."
Het meningsverschil over de beoogde locaties voor de nieuwe school loopt hoog
op, en het College van B&W vraagt het Economisch Technologisch Instituut
Overijssel de zaak te onderzoeken en rapport op te maken. In februari 1968
adviseert het instituut: "het verdient ons inziens aanbeveling voorkeur te geven
aan de vestiging van de nieuw te bouwen school ten zuiden van het
bejaardencentrum." De inspecteur van het lager onderwijs heeft inmiddels zijn
voorkeur uitgesproken voor het terrein dat het bestuur voor ogen heeft, zo dicht
mogelijk bij de sportvelden.
Met het advies van de inspecteur in het achterhoofd, schrijven de leden van het
bestuur 18 april 1968 een brief aan het college van B&W: "Wij kunnen niet met
het werk beginnen, omdat het terrein, dat wij, evenals de inspecteur van het
l.o., voor de bouw van de school geschikt achten, door u nog niet beschikbaar is
gesteld. Dit terrein ligt zo westelijk mogelijk in het uitbreidingsplan "Franse
Pad", dus vlakbij het sportveld. Het lijkt ons onverantwoord om het onderwijs in
de huidige school te laten doorgaan. Ten tweede zijn wij bezorgd dat de door de
regering afgegeven urgentieverklaring wordt ingetrokken. Wij vragen u bij deze
zo spoedig mogelijk, liefst binnen 14 dagen uitspraak te doen in deze zaak."
Direct reageert de gemeente op 29 april 1968 met een brief: "De door u gewenste
situering van de te bouwen school stuit op planologische bezwaren. De snelste
manier om te komen tot de realisatie van het bouwplan is te bouwen op het
terrein gelegen hoek George Schenckstraat - 't Engelse Bos."
Hierop reageert het bestuur van de vereniging met weer een brief aan de
gemeente: "Wij moeten helaas opmaken dat u niet kunt ingaan op ons verzoek om
het terrein bij de sportvelden beschikbaar te stellen voor de bouw van onze
school. Wij vragen ons af of de u uitvoerig bekende bezwaren, die wij en de
inspecteur hebben tegen de door u voorgestelde plaats, zo weinig gewicht in de
schaal leggen, dat u blijft vasthouden aan het terrein bij 't Engelse Bos. Onze
argumenten voor het terrein bij de sportvelden hebben niets aan waarde verloren
en wij zien ons genoodzaakt u mee te delen, dat wij niet kunnen instemmen met
het voorstel genoemd in uw brief. Wij achten het onze plicht de gevraagde
bouwplaats als de meest juiste aan te houden en doen hierbij een dringend beroep
op u als College en op de gehele raad der gemeente Vollenhove alles in het werk
te stellen de bezwaren, die de bouw van de nieuwe school op een gunstige plaats
bemoeilijken, opzij te zetten."
Uiteindelijk, op 30 mei 1968 ontvangt het bestuur een brief van de gemeente
waarin het verlossende woord wordt gesproken, zij het met een addertje onder het
gras... "In antwoord op uw schrijven delen wij u mede, dat wij onze medewerking
zullen geven aan het bouwen van de school op de door u bedoelde plaats.
In verband met planologische moeilijkheden dient met de mogelijkheid dat de
realisering van de school op de bedoelde plaats langer zal kunnen duren,
rekening worden gehouden. Naar onze mening zal met de bouw van de school sneller
kunnen worden begonnen op de door ons college gedachte plaats."
De leden van het bestuur laten zich echter door deze mogelijke vertragingen niet
van hun plannen afbrengen, en reageren met een brief aan College van B&W: "Met
vreugde ontvingen wij uw brief, waarin u ons uw medewerking toezegt bij de bouw
van onze school op de door ons gevraagde plaats." "Wij betreuren het dat het
overwinnen van de planologische bezwaren enige tijd zal vergen. Het lijkt ons
echter geen reden te kiezen voor een andere locatie. Onze wens, de school te
bouwen op de door ons aangewezen plek, blijft dus onverminderd van kracht."
Ruim een jaar later, op 22 oktober 1970 ontvangt het bestuur een brief van de Rijksschooltoezicht L.O. Inspectie Kampen, waarin wordt aangegeven dat het bouwplan kan worden goedgekeurd. De inspecteur verstrekt goedkeurend advies m.b.t. dit bouwplan, waarvan de bijbehorende begroting een totaalbedrag vermeldt van f 642.198,06. Nog geen maand later, op 18 november 1970 stuurt de gemeente Vollenhove een brief aan het bestuur met daarin het verzoek "de plaats van de school 75 meter op te schuiven in oostelijke richting." De school kan, ondanks dit voorstel, wel worden gebouwd op de grond die inmiddels is aangekocht van de Kerkvoogdij der Ned. Hervormde Gemeente Vollenhove. Het bestuur zet nog eenmaal de kiezen op elkaar, en reageert met een brief waarin men het College van B&W laat weten dat "ter plaatse van de te bouwen school grondonderzoek is verricht en dat hiervoor al veel kosten zijn gemaakt. Tevens heeft de architect zijn plannen op deze gegevens uitgewerkt Daarom willen wij u berichten, dat wij niets voor een wijziging van plaats voelen."
In
mei 1974 is het dan eindelijk zover... Het nieuwe, moderne schoolgebouw aan de
Georg Schenckstraat / Godfried van Rhenenlaan wordt in gebruik genomen. "Het
Kompas" wordt de school gedoopt, en deze naam wordt nog steeds met trots
gedragen. Het bestuur heeft niet voor niets zo vasthoudend gevochten voor de
locatie. Tot op heden blijkt de keus uitstekend te zijn; centraal gelegen, goed
bereikbaar voor de kinderen, met ruimte voor uitbreidingen. En dat ook de
leerlingen blij zijn met de nieuwe school, blijkt uit de gretigheid waarmee zij
allen helpen de boedel te verhuizen van de ene locatie naar de andere.
Een
openbare kleuterschool wordt gesticht in 1974 in een lokaal van OLS De
Voorpoort. Een tweede lokaal volgt in 1977. Pas in juni 1980 is er nieuwbouw aan
de Wheeme, de naam van de school “De Pereboom” naar juffrouw Pereboom die vele
jaren de scepter zwaaide in de (Nuts) ‘bewaarschool’
Tabitha aan de Kerkstraat.
Door de wet op het basisonderwijs in 1985 wordt daarna de school verplaatst naar
een nieuwe aanbouw van De Voorpoort die op de plaats van het ‘oude’
gymnastieklokaal komt. Uiteindelijk volgt de bouw van een nieuwe basisschool in
1993, op de plaats van de vroegere Christelijke Landbouwhuishoudschool aan de
Groenestraat.
Ook de christelijke kleuterschool, die uiteindelijk een fraai achthoekig
gebouw op de hoek van de Wheeme en de Voorst had kunnen betrekken, moest vanwege
de wet op de basisschool uit 1985 verkassen naar Het Kompas aan de Godfried van
Rhenenlaan.
Die school werd daartoe uitgebreid en met een overkapping werden beide delen
verbonden.
Door het teruglopende aantal leerlingen van het voortgezette onderwijs
verdwijnen de drie scholen op dit gebied in 1991. Nadat er eerst is geprobeerd
om nog gezamenlijk dit vervolgonderwijs te redden volgt er eerst een fusie van
de Christelijke ULO met de Christelijke Landbouwhuishoudschool tot Christelijke
Scholengemeenschap De Werf. Ook dit mag niet baten, men fuseert met de CSG
Emelwerda in Emmeloord en word nog een tijdje dependance totdat definitief het
doek valt. Het gebouw wordt vervolgens afgebroken.
Op 1-8-1991 was de openbare ULO dan al gesloten, maar het gebouw bestaat nog en
is in gebruik voor volwassenenonderwijs.
Chr. Basisschool Het Kompas groeide dusdanig, dat in 2000 opnieuw een verbouwing plaatsvond. Met een fusie in 2001 van een zestiental scholen in heel Noordwest Overijssel verdween de zelfstandigheid van deze school, die het als zodanig dus net geen 100 jaar heeft weten vol te houden.
Bronnen: