Na
de mobilisatie op 29 augustus 1939 werd op 1 september 1939 de luchtbescherming
ook in Vollenhove gecreëerd. Zo kwam er een Luchtbewakingsdienst, deze stond
onder het hoofd der Openbare Lagere school meester Lindman. De
Radioluisterdienst kwam onder toezicht van de ontvanger van het
Waterschap "Vollenhove" de heer J.F.
Nering Bögel. De brandweer kwam onder leiding van R. van der Vecht - deze was al
commandant, maar kreeg nu meerdere bevoegdheden. Dan de ordonnansen Anton
Soeters (zoon van de kruidenier in de Kerkstraat), Dries Nobach (woonde in wat
nu ‘het antieke huis’ wordt genoemd, het Jacobsonhuis in de Kerkstraat) en
Laurent Nering Bögel (zoon van eerder genoemde Nering Bögel, hij woonde in de
villa “Nieuw Hagensdorp” op de hoek van de Bentstraat en de Kerkstraat), alle
drie uitgerust met een handsirene. Bij luchtaanvallen moesten deze op hun fiets
door Vollenhove fietsen en de sirene laten loeien. Ieder had zijn aantal
straten. Zo had Laurent (bijnaam: Lord Lister) de Achterstraat, Achtersteeg, de Bentstraat, het Fort
en het Kerkplein. Sneller konden ze toen nog niet. Ze hadden ieder een
zaklantaarn met de mogelijkheid om zo gewenst de witte, rode of groene kleur te
gebruiken.
Het
geheel stond onder leiding van burgemeester W.C. ten Kate. In de nachten werd
de toren bewaakt door Spans en Prins, indertijd aangesteld als brandwachters
voor ‘s nachts, maar nu moesten ze ook de overvliegende vliegtuigen melden naar
het Stadhuis. Overdag zaten er
andere mensen uit Vollenhove.
Laurent Nering Bögel: “Ik had de eer de mensen het briefje te geven wanneer en
hoe laat zij op de toren moesten zijn. Zo kreeg ik de opdracht van meester
Lindstra om een J. van der Wijk zijn dag en uur dienst te laten doen. Daar ik
deze naam nog nooit had gehoord vroeg ik aan mijn vader wie deze man wel was,
nou zei die: je kent Jan Eppies toch wel? Nou en of ik Jan Eppies kende, hij
woonde in het Poepengankie.”
Er kwam een eigen bovengrondse telefoonverbinding tussen de toren en het
Stadhuis. Deze liep niet over het Postkantoor maar via een aparte lijn door de
P.T.T. aangelegd over de daken van Spans, de vroegere
stroopfabriek (nu Tilvoorde), via de
dakgoot van het domineeshuis (nu Legoland), het
Nutsgebouw (idem), het dak van de bakker Stoffer Dragt (nu de Wereldwinkel),
de vroegere leslokalen van de Ulo en Mulo (nu restaurant De Herberg), toen
gebruikt door de textielfabriek van de familie Nikkels, naar de hoek van de
klokkentoren en zo naar het Stadhuis naar de kleine kamer achter de
kantoorruimte van de Burgermeester, rechts naast de deuropening.
“Toentertijd kon ik goed horen of het een Dornier, een Messerschmitt of een
Engelse jager was. Ik was in de avonduren. zeer vaak op de eerste trans van onze
toren te vinden, maakte een praatje en belde dan ook wel eens even naar het
Stadhuis om een klein beetje voor afwisseling te zorgen. Zo heb ik er heel wat
keertjes op de uitkijk gestaan. Telkens als ik "vrij" was klom ik de toren maar
weer op.”
Op
10 mei 1940 rinkelde om half vier ’s nachts de telefoon in Hagensdorp en werd
het nieuws gemeld. Beide Nering Bögels gingen direct naar het Stadhuis op het
Kerkplein. Daar was alles in rep en roer. Burgemeester W.C. ten Kate was per 1
mei 1940 benoemd tot burgemeester van Goes. Zijn vrouw en kinderen woonden nog
wel in het huis in de Kerkstraat (tussen het
Armhuis en
het Groot Burger Weeshuis). Jan
Baver Dragt, wagenmaker in de Kerkstraat, was loco-burgemeester en dus
waarnemer, en hij deed dat voortreffelijk. Maar ja, contacten met Zwolle - het
Provinciehuis - kon hij niet meer krijgen, wat de telefooncentralemensen, de
familie Greve op het postkantoor op het Kerkplein, ook probeerden. De radio
bracht zeer verwarrende verhalen, kortom een heel benarde situatie.
Op zaterdagmorgen 11 mei 1940 kwamen om ongeveer 10 uur bij Nieuw Hagensdorp
een aantal Nederlandse militairen aan het open raam de nieuwsberichten horen,
die uit een radioluidspreker kwamen. Ook zij waren nieuwsgierig hoe het er voor
stond met de oorlog. Ze wilden verder, maar hoe? Het idee was over het
IJsselmeer met een boot naar Amsterdam.
Op
het Stadhuis werd de situatie uitgelegd en zag loco-burgemeester Jan Baver Dragt
een oplossing door vissers te vragen vrijwillig de overtocht te maken. Al gauw
waren er vissers bereid om deze gevaarlijke sprong te maken: Albert de Boer (de
Barreboer), Albert Kwakman (Raffles)
en Siemen IJspeert (Siemen van Chris) durfden dit wel aan. Het ging maar om zes
militairen dus was een tweede boot niet nodig. Omdat de militairen geen eten
hadden gehad sinds ze gevlucht waren uit het oosten van het land, werd bij de
plaatselijke bakkers brood gevraagd. Alleen Hendrik Doesburg had nog een paar
broden evenals Jan Post (Jan Possien) in de Kerkstraat. De moeilijkheid was dat
de bakkers in Vollenhove niet konden bakken daar ze geen gist hadden. De auto
met gist moest, zoals elke vrijdag, uit Zwolle komen, maar die was er nog steeds
niet geweest.
De zeilen werden gehesen en de tocht ging via Urk. Daar kregen ze te horen dat
de schuitjes niet naar Amsterdam moesten gaan maar naar Enkhuizen. De commandant
van de Vesting Holland wilde dit niet hebben hij was namelijk bang dat er ook
Duitsers in de schuitjes zouden zitten, dat risico was te groot. Dus gingen ze
naar Harderwijk. De militairen kregen daar van de bevolking kleding en zo konden
ze lopend naar huis. De Venose vissers bleven een paar dagen in de haven liggen
maar zeilden toen weer terug naar huis.
Het gerucht ging dat de Duitse troepen dachten met hun kannonnen vanaf de Voorst Engeland konden beschieten. Zij dachten namelijk dat over het water - het IJsselmeer dus - Engeland was gelegen. Op 11 mei 1940 werd om ongeveer 19 uur 30 op het Stadhuis besloten om Lok, de havenmeester, en J. Spit, de gemeentebode, opdracht te geven de in- en uitgang van de havens te blokkeren met de drie in de Kom liggende schuitjes. Dat is die nacht nog gebeurd.
Al
in het eerste oorlogsjaar begonnen in Vollenhove enkele jonge mannen met enig
verzet tegen de Duitsers. Daarbij ook Laurent Nering Bögel, aangespoord door de
broers Jan en Geert Stoker die bij het
stoomgemaal woonden. Later zou deze groep
uitgroeien tot één van de twee echte verzetsgroepen in Vollenhove, één die het
gewapende verzet niet schuwde.
“Onze eerste kleine sabotagedaad was het onklaar maken van 16 Duitse
vrachtwagens. Omdat op het terrein van het
Paviljoen Zwemlust militairen waren gelegerd - de officieren sliepen in het
restaurant - en hun vrachtwagens tegen de helling van de Voorst stonden kwam ik
op het idee om deze onklaar te maken door suikerklontjes in de tank te gooien.
Ik heb dit met Jan Stoker overlegd en toen tot uitvoering gebracht. Hij hield de
wachtpost op zijn manier aan de praat en ik had mijn broekzak vol met
suikerklontjes, die ik van zetbaas Harm Ouderling had gekregen. Die paar
suikerklontjes kon het Paviljoen wel missen voor het goede doel. Natuurlijk
vertelde ik niet van onze plannen. De vrachtwagens stonden naast het terrein van
Paviljoen Zwemlust op het hoger gelegen grasveld van de Voorst. De volgende
middag gingen Jan en ik naar het Paviljoen op de fiets en maakten zoals we al
vaker hadden gedaan een praatje met de soldaten. Dit wekte geen wantrouwen tegen
ons, ze vonden dat wel fijn om aandacht te krijgen. Een soldaat stond op wacht
bij de wagens en een bij de ingang van het terrein. Jan kon beter met het Duits
overweg dan ik, daar hij dat op de Mulo school in Zwartsluis leerde. Zo ging ik
al slenterende naar de vrachtwagens en gooide in elke tank ongemerkt 3 klontjes
suiker. Dat duurde wel even want ik liep regelmatig heen en weer om niet op te
vallen. Zo zouden de wagens na ongeveer 400 km. vastlopen, dat was door
schoolmaat Bartus van Benthem aan mij verteld.
Eind mei kregen ze “Befehl” om naar het front in Frankrijk te gaan. Plotseling
hoorde ik hulp geroep: "Bitte hilf mich, ich will nach Mutter, Ich bin Musiker,
ich will kein Krieg führen, hilfe mich, hilfe, hilfe mich." Een jongen van
ongeveer 18 jaar greep mij daarbij vast, toen ik achter op mijn bagagedrager van
de fiets zat te kijken naar al de 80 Duitse soldaten.
Laurent Nering Bögel: “In september 1940 begon ik met kleine stukjes van de
B.B.C. op papier te zetten,met potlood, echter zeer onregelmatig, want ik moest
naar de Ambachtsschool in Zwolle. Ik deed dit een of tweemaal per week. Toen dit
goed aansloeg ging ik er vanaf 19 januari 1941 meer werk van maken. Daar ik
eerst bij de familie Van Heerde aan de Voorpoort kwam (zaterdagsavonds om
grammofoonplaten voor het radiodistributienet
te verzorgen) ging ik op de fiets met het nieuws naar Stoffer Roebers, Jo en Aal
van Heerde en zo door naar Jan de Lange in de Kerkstraat, Andries de Lange, de
kolenhandelaar, mijn tabaksvriend Hendrik Soeters (kruidenier aan het Hollandse
Plein), de familie Lok in de Heilige Geeststeeg en de familie Andries Heetebrij,
de dikke slager aan de Vismarkt. Zo kregen we een goede band van "goede”
Nederlanders in Veno. Het oude radiotoestel uit 1934 moest helaas in juni 1943
worden ingeleverd op bevel van de moffen en toen stopte dit. Alle toestellen in
de gemeente Vollenhove, dat waren er 258, kwamen in het waterschap Vollenhove terecht. Later werden
ze weg gebracht. De Duitsers hoopten dat we op deze manier niet meer zouden
kunnen luisteren naar de B.B.C., Radio Oranje of de Watergeus. Kortom geen
nieuws meer uit de vrije wereld. Niet overal gaven de mensen evenveel gehoor aan
deze opdracht: in Vollenhove was het ingeleverde aantal per hoofd van de
bevolking duidelijk lager (5,6 per 100 mensen) dan in heel Overijssel (9,4) of
heel Nederland (9,1) [ info: Gidi Verheijen].
Het opnemen van het nieuws via de radio en het drukken en verspreiden van
illegale krantjes in Vollenhove werd na het onderduiken van Laurent Nering
Bögel (op 19 november 1942) overgenomen door het ondergedoken echtpaar Aärons.
In
Vollenhove werden bij kapper / kleermaker Piet IJspeert, wonende aan de
Kerkstraat 12, vanuit Kampen
pakken illegale bladen bezorgd. Dit werd echter op den duur te gevaarlijk, zodat
de bezorging moest worden afgezegd. Daarna besloot men zelf stencils te
vervaardigen met berichten, die via de illegale radio, “Radio Oranje” werden
opgenomen. Dit deed Bob Aärons. Deze Joodse onderduiker was samen met zijn vrouw
Liesje bij IJspeert ondergebracht door ds. Tjadens. In de nok van het huis van
Piet IJspeert hadden zij zich in een klein kamertje geïnstalleerd en vandaar uit
werd onder de titel ,,Strij¬dend Nederland" het verzet tegen de Duitsers
gestimuleerd.
Voor papier zorgde het waterschap en op de Boerenleenbank werden de stencils
vermenigvuldigd door Evert van de Linde, die ook zorgde voor de distributie. Ook
Weber, een onderwijzer uit Sint Jansklooster, was betrokken bij de verdere
distributie. In Vollenhove werden een 300-tal krantjes verspreid, in Blokzijl
150. Hier leek de klad in te zullen komen toen burgemeester A.C. van Driel bij
het vorderen van woonruimte zijn oog op het huis van IJspeert liet vallen. Deze
nam de burgemeester echter in vertrouwen en wist zo te bereiken, dat hij van de
lijst werd geschrapt.
In 1941 deed Nering Bögel een poging om een eigen illegale geheime zender te bouwen, op basis van zijn kennis van elektrotechniek opgedaan op de Ambachtschool en onderdelen die hij via zijn werkgever Jo van Heerde kon bemachtigen. Uiteindelijk lukte dat niet en dat is misschien maar goed ook: zijn achterneef Jaap Sickenga was verraden en met zijn zender ‘uitgepeild’ door de Duitsers. Hij stierf na vele martelingen op 31 augustus 1941 in een Duitse cel in Zuid-Limburg.
Protest door Vollenhoofse scholierenEind april 1941 kwam Libbe Brandsma op het idee om op l0 mei een rouwband te
gaan dragen. Het gevolg was dat de volgende jongens uit Vollenhove mee
deden op l0 mei 1941: Jan Kwakman (van kokkien), Jan de Boer (Jan snel), Rudie Viersen, Libbe
Brandsma, Bertus van Benthem, uit Sint Jansklooster (bij de molen) en Laurent
Nering Bögel.
Toen ze op het Stationsplein in Zwolle uit de bus stapten waren alle ogen op hen
gericht. Zo gingen ze naar de Ambachtschool. De Duitsers keken wel vreemd op,
maar of ze het begrepen hebben? Op school vroeg een leraar of er een dierbare in
Vollenhove was overleden. Hierop werd geantwoord: “er zijn heel wat vrienden in
de periode van 10 mei tot 16 mei gestorven door een plotselinge aanval op ons”.
Dit zouden ze ook zeggen als we door de Duitsers ondervraagd zouden worden. In
Vollenhove was Evert Spit uit de Heilige Geeststeeg destijds gesneuveld.
Ds. Frederik W Tjadens werd in augustus 1941 vanuit Amsterdam naar Vollenhove
beroepen en was als vrijgezel in de kost bij de familie Dragt, wagenmaker, in de
Kerkstraat in Vollenhove. Vandaar zette hij zijn hulp aan onderduikers, begonnen
in Amsterdam (zie verderop) met kracht voort. Onder de plaatselijke bevolking
werd hij wel het "Vliegend Evangelie" genoemd. Vanwege zijn openlijke
stellingname tegen het fascisme werd hij eens bedreigd door een NSB-er. Hij
heeft om die reden korte tijd bij de familie Visscher in de Leeuwte gewoond.
Van Boven noemt ds. Tjadens in "Het grote gebod" (blz. 208): "de ziel van het
verzet in de Kop van Overijssel". Dit doet wat vreemd aan als we op dezelfde
pagina lezen dat de LO-geschiedenis in de Kop van Overijssel op "niet te
ontwarren organisatorische knopen" lijkt. In feite heeft hier een aantal
kopstukken geopereerd van wie de belangrijkheid niet in een bepaalde volgorde is
aan te geven. Volgens verzetsman Jan Stoker zijn hij en zijn broer Geert de
eerste medewerkers van ds. Tjadens geweest. Geert Stoker (Sietse) zorgde enige
tijd vanuit zijn woonplaats Emmen voor verzending van illegale lectuur en
bonkaarten. Zijn broer Jan, die bij zijn ouders bij het A.F. Stroink-gemaal bij
Blokzijl woonde, en kleermaker Piet IJspeert (Oom Piet) in de Kerkstraat te
Vollenhove brachten "het spul" daarna naar de juiste adressen.
In luchtgevechten en door het Duitse luchtafweergeschut, met name in Havelte,
zijn een aantal geallieerde vliegtuigen zowel in de Noordoostpolder als op het
oude land neergestort. Ongeveer eind juli 1942 werden door Vollenhoofse vissers
twee op hun missie naar Bremen in de nacht van 2 op 3 juli gesneuvelde
bemanningsleden in de nieuwe haven van boord gebracht en op het kerkhof
begraven. Ze waren gevonden onder de vuurtoren van Kraggenburg, vermoedelijk in
het huidige Zwarte Meer bij het Ganzendiep (de polder was al aan het droogvallen). Het
ging om Jack
Edward Gibbs uit Canada, 19 jaar, sergeant vliegenier en de toen
dertigjarige Engelsman Alan Denis Bond, sergeant-waarnemer bij de Royal
Air Force. Hun graven bevinden zich nog steeds op de Algemene Begraafplaats in
Vollenhove, evenals van andere omgekomen geallieerde strijders. Daarbij ook de
22-jarige Albert Eric Lloyd, neergestort in het IJsselmeer tussen Marken (15 km)
en Vollenhove op 23 augustus 1943, elf dagen later gevonden door de Vollenhoofse
vissers Jan Ouderling (Jan Otter) en Louwe de Boer van de VN60.
Niet altijd liep zo'n crash noodlottig voor de vliegeniers af. Soms kon de hele bemanning of een deel daarvan zich per parachute redden. De vraag was dan altijd bij wie zij terecht zouden komen: in handen van de Duitsers of van het verzet. In een groot aantal gevallen is de ondergrondse beweging er in geslaagd de geallieerde vliegeniers in veiligheid te brengen. Volgens J. van Mechelen zouden alleen al via de gebroeders Harm en Marten Kingma te Vollenhove 37 piloten naar hun basis hebben kunnen terugkeren. Volgens Piet Wijbenga (in: Bezettingstijd in Friesland) waren dat er zelfs meer dan 50. Aangezien in die tijd slechts weinig mensen konden beschikken over een auto met brandstof was het voor de LO (de verzetsorganisatie) natuurlijk zeer nuttig dat men de medewerking had van de gebroeders Kingma. Hun aannemersbedrijf, dat hoofdzakelijk voor de Wieringermeerdirectie werkte, had enkele vracht- en personenauto's in gebruik. De uitvoerder Jacob Muller uit de Doelenstraat te Vollenhove, een zwager van de Kingma's, was vanwege zijn functie eveneens in het bezit van een auto en hij speelde met hen onder één hoedje.
Dat je eigenlijk nergens meer openlijk kon praten bleek toen Nering Bögel in
juli 1942 bij een kennis van zijn vader uit Epe, waarvoor hij meerdere malen
mensen naar kamp Kadoelen in de net drooggevallen Noordoostpolder bracht om daar
onder te duiken, twee revolvers had opgehaald. In de trein terug werd door
enkele dames uitgebreid gesproken over de bezetting en geen blad voor de mond
genomen. Aangekomen in Zwolle bleek een verrader te hebben meegeluisterd en die
sommeerde de dames om mee te gaan naar het politiebureau….
Eén revolver hield hij zelf, de andere was voor Jan Stoker, de leider van één
van de twee verzetsgroepen in Vollenhove.
Het doorleiden van mensen naar de Noordoostpolder op aangeven van dokter Mijs
uit Epe en gemeenteveldwachter Den Braber uit Zwolle ging bijna mis toen er een
mogelijk ‘foute’ landgenoot tussen bleek te zitten, ene George Hinderiks uit
Zwolle. Uiteindelijk zijn er ruim twintig mensen ‘afgeleverd’ bij de kantinebaas
van Kamp Kadoelen, Ab Overenk – later ook deel uitmakend van de Groep Vollenhove
van de Binnenlandse Strijdkrachten.
Arend Vos uit Sint Jansklooster werd tijdens familiebezoek in Amsterdam gevraagd door dominee Tjadens (Frits) een onderduiker mee terug te nemen. Deze en volgende onderduikers hadden een veilig onderkomen in het huis van Arends ouders, de slagerij aan de Kloosterweg. Die onderduikers vielen daar niet zo erg op, want de familie Vos had vóór de oorlog al kostgangers.
Het distributiemateriaal, de bonnen ten behoeve van onderduikers werd onder
andere betrokken van een adres in Zwolle, de beurs genaamd. De
vertegenwoordigers van de diverse rayons waarin de LO verdeeld was konden hier
terecht. In het begin was het Henk Eikelboom uit Zwartsluis, die voor de hele
illegaliteit in de Noordwesthoek bonkaarten van de beurs haalde. In Vollenhove
en omgeving zorgden Jan Stoker en zijn groep dan voor verdere verspreiding. In
november 1943 moest Eikelboom na hulp aan een geallieerde piloot onderduiken.
Hierop ging Jan Stoker zelf naar de beurs. Een zekere Van der Veer uit Hasselt
vertegenwoordigde het rayon, dat door Hasselt, Zwartsluis, Genemuiden en
Wanneperveen werd gevormd. Deze plaatsen konden zich overigens grotendeels zelf
voorzien via het distributiekantoor op het gemeentehuis in Zwartsluis. Daarin
hadden de ambtenaar J. de Goede (Piet), geassisteerd door de volontairs J.
Schaart (Jo) en Roel Buimer een werkzaam aandeel. Zij hadden namelijk de sleutel
van de kluis, waarin de bonkaarten waren opgeborgen, nagemaakt. Zo konden zij
regelmatig een aantal bonkaarten verduisteren. Bij controles werd het verschil
steeds geweten aan een foutieve wijze van uitreiking. Om de te veel uitgegeven
bonkaarten te verklaren werd ook dikwijls op het al of niet werkelijke verblijf
van veel schippers in de gemeente gewezen.
Ds. Tjadens had een goed contact met het distributiepersoneel in Zwartsluis. Zij voorzagen hem behalve van bonkaarten ook van persoonsbewijzen (PB's) ten behoeve van Joodse onderduikers. Aan deze bevoorrading kwam een einde toen vanaf april 1942 de behulpzame ambtenaren successievelijk zelf "plat" moesten.
Ook Nering Bögel kreeg een oproep voor de ‘Arbeitseinsatz’ in Duitsland. Op
19 november 1942, twee dagen na zijn 19e verjaardag, nam hij afscheid van zijn
vriendin, zijn werkgever en enkele afnemers van zijn illegale krantje en vertrok
met de bus naar Meppel. Daar nam hij de trein – niet om zich te melden voor
werken in Duitsland, maar naar Wolvega om daar op de boerderij van kennissen
onder te duiken. Uiteindelijk kwam hij in de dorpskern zelf terecht en pakte
daar zijn illegale luister- en krantenactiviteit weer op, ondersteund door een
typemachine geleend van het Waterschap en met een nieuwe lokale kring van
afnemers.
Toch hield hij contact met zijn verzetsvrienden in Vollenhove. Van Jan Stoker,
de leider van de groep, kreeg hij een vervalst persoonsbewijs dat hem doorgang
verleende op zijn fietstochten via Kuinre door de Noordoostpolder naar
Vollenhove. De controles daar waren wel streng, maar gelukkig niet uitgevoerd
door SD-ers of Landwachters.
Sinds begin juni 1942 zaten bij de kleermaker en kapper IJspeert in de Kerkstraat het Joodse echtpaar Bob en Liesje Aärons ondergedoken. Ds. Tjadens had hiervoor gezorgd, deze was uit Amsterdam afkomstig en had daar al heel wat ellende meegemaakt betreffende onze Joodse landgenoten. Het echtpaar Aärons had een goed lopende grossierszaak in schoenen in Amsterdam, maar toen de oorlog uitbrak op 10 mei niets meer te doen, daar de import geheel stil was komen te liggen, voornamelijk uit Engeland. Toen het huis van de familie IJspeert eind november 1944 door de SS werd opgeblazen hadden ze geluk dat de schoorsteen, waar achter hun schuilplaats was, het niet had begeven.
De
familie Konter woonde destijds in Ruimzeezicht, naast de rokerij. De zoons werkten mee in de rokerij. De twee
oudste dochters waren al getrouwd, Jo woonde in Hengelo. Marie was getrouwd met
Klaas Klappe, die in de meidagen van 1940 bij Rotterdam als militair tegen de
Duitsers vocht.
In 1942 gingen de Duitsers op zoek naar de Nederlandse militairen, om ze alsnog
te interneren en te laten werken in de oorlogsindustrie. Op zeker moment was
elke Nederlandse man van 19 jaar en ouder door de Duitsers verplicht mee te
komen in de ‘Arbeitseinsatz’.
Klaas Klappe had toen hij op de Vismarkt verbleef gemerkt dat de Duitsers op
‘razzia’ gingen. Snel ging hij naar zijn zwagers in de rokerij om te waarschuwen
dat de Duitsers er aan kwamen. Hij klom, evenals zijn zwagers Ab en Evert, in de
rookhang over de tengels omhoog, zover dat men vanaf de opening aan de
onderkant, kijkend in het donker, niets meer van hem kon zien. Jan verstopte
zich in huis achter een kleerkast. De Duitsers hadden kennelijk iemand naar
binnen zien gaan en namen geen genoegen met de verklaringen van moeder Konter en
de aanwezige dochters dat er niemand was, ‘ze waren in de polder’. Men posteerde
wachtposten rond het huis en bedrijf, ook in de ‘leegte’. Toch vond men niemand.
Toen moest het trouwboekje te voorschijn komen, en werd te kennen gegeven dat de
jongens zich de volgende dag moesten melden bij de Organisation Todt, die het
werk in de polder organiseerde. Dat hebben ze niet gedaan, maar de schrik zat er
zodanig in dat er een schuilkelder half in de dijk werd uitgegraven waar ze in
tijden van gevaar de hele dag konden verkeren. De schuilkelder had geen enkele
opening, men kon frisse lucht krijgen via een horizontale ventilatiekoker die
helemaal onder aan het water, in een rietkraag uitkwam. Er is vaak gebruik van
gemaakt en zo kwam iedereen ongeschonden de oorlog door.
Het zou ondoenlijk zijn om alle mensen, die onderduikers onder hun hoede namen, de revue te laten passeren, maar voor enkelen mag toch een uitzondering gemaakt worden. Zo had de weduwe H. van der Linde, bekend als Tante Hillechien op haar boerderij op Kadoelen, die ze met acht kinderen bewoonde, altijd wel plaats voor onderduikers. Terwijl velen zich niet aan hulp aan geallieerde militairen waagden, vanwege de kans op de doodstraf bij het uitlekken daarvan, gaf tante Hillechien geruime tijd onderdak aan twee in augustus 1944 uit Duitse krijgsgevangenschap in Meppen ontvluchte Russische militairen, de sergeants Iwan Andrejewitsch Zubanow (toen 21 jaar) en Sergei Iwanowitsch Sokolow (30). Zij waren in september 1944 bij de Oldenhof opgepikt door ds. Wolven, hervormd predikant in Sint-Jansklooster. Omdat de Ondergrondse tante Hillechien en haar kinderen, die niets mochten merken, niet te zwaar wilde belasten, hebben de Russen niet tot aan de bevrijding in de onderduikersruimte achter de paardenstal gezeten. Na steeds korte tijd op verschillende adressen verbleven te hebben werden ze in een leegstaande woonwagen op een dijk aan de rand van de Noordoostpolder ondergebracht. Na een dag of tien werd de wagen echter door twee geüniformeerde mannen zeer aandachtig bekeken. De beide Russen werden bang en zijn de eerstvolgende nacht op hun buik kruipend over een zeer dun laagje ijs, dat het randmeer bedekte, teruggegaan naar het huis van tante Hillechien dat zich niet ver van de dijk bevond. Op voorstel van Arend Rodermond, een LO-man uit Belt-Schutsloot, werd in de derde week van januari 1945 een kajuitboot geleend van de Provinciale Waterstaat die bij Beukers lag. Men verborg dit scheepje in de kraggen van het Belterwiede. Behalve de Russen werden hier tevens vijf Amerikaanse vliegeniers Jackson, Calkins, Lucas, Haight en Kelly naar toe gebracht. Deze laatstgenoemden vormden de bemanning van de "Sleepy Lagoon". Dit gemengde gezelschap, nog aangevuld met enkele Nederlandse onderduikers, wachtte hier op de bevrijding. Overigens lagen daar in de buurt nog meer schepen verstopt in de rietkragen, van schippers die weigerden hun boot ter beschikking van de Duitsers te stellen.
Vermeldenswaard zijn nog de vier jongemannen die ondergedoken zaten bij smid
Hendrik van Heerde, Voorpoort 5 (nu het pand van Juwelier Winters). Achter de
bedsteden was nog een loze ruimte, waar ze zich bij onraad in verborgen. De
tekst van de oorkonde, door hen geschonken:
"Uit dankbaarheid voor het gastvrij gezellig onderdak van het oorlogsjaar 1943 tot de bevrijding genoten ten huize van de familie H. van Heerde te Vollenhove is deze oorkonde als een herinnering haar geschonken door de vier onderduikers Flip Bossenbroek, Gerrit Dijkema, Hans Meijer en Berend Vos. Den vijftienden april van het bevrijdingsjaar."
De oorkonde is rijkelijk versierd met kleine tekeningetjes tussen de woorden:
ankers, kettingen, smidsgereedschappen en een aambeeld (na de naam H van
Heerde), een bootje (na Vollenhove). Aan de linkerkant een kolom kleine
tekeningen, met van boven naar beneden een bijbel met een verwijzing naar Jesaja
16 3B – 4B, een barak, een kerkraam, een koffiepot en kop, een omgekeerde Duitse
helm – als bloempot – met de vredesduif, en een zegel met de tekst ‘Pax et
Libertas’. De eerste letter – de U – is met goudverf ingekleurd.
De onderduikers en hun partners zijn nog jarenlang regelmatig bij elkaar geweest
ter herinnering, ook in Vollenhove met mijn ouders.
De onderduikperiode was de aanleiding voor het latere huwelijk tussen Hans
Meijer en de dochter des huizes, Aa(g)t van Heerde.
In de omgeving van Vollenhove opereerde een knokploeg bestaande uit
streekbewoners, de groep Sietse, genoemd naar de schuilnaam van haar leider
Geert Stoker. Deze werd echter spoedig commandant van het KP-district Nannie
(Salland). Leden waren onder andere Ds. Tjadens, de broers Jan en Geert Stoker
en Laurent Nering Bögel. De groep heeft daardoor de langste tijd onder de
feitelijke leiding gestaan van de opperwachtmeester der Marechaussee te
Vollenhove Harmen Visser (Oom Willem), die medio 1943 was overgeplaatst van Urk
naar Vollenhove. Deze groep ging desnoods over tot gewapend verzet bij
overvallen op distributiekantoren.
Een personeelslid van het distributiekantoor in Sint-Jansklooster, Engelien
Boersma uit Vollenhove, was koerierster voor Harmen Visser. Ook de uit
Zwartsluis afkomstige en in Sint-Jansklooster ondergedoken latere minister Jan
de Koning deed koerierswerk. Hij was KP-er in de groep Oom Willem en nam onder
andere deel aan de plaatselijke regionale vergaderingen van de LO/LKP.
Nering Bögel: “omdat Jan Stoker een veel gezocht persoon was door de S.D. en Gestapo kleedde hij zich als vrouw en ging zo vaak ons huis “Hagensdorp” uit. Zo is hij lange tijd niet opgevallen. Helaas werd hij op een dag toch opgepakt bij het station in Zwolle. Dagenlang werd hij verhoord en werd hem zwaar lichamelijk letsel toegebracht, zoals het afranselen met een zweep op zijn rug - ik heb in juli 1945 zelf de lidtekens van zijn verwondingen gezien. Na al die zware verhoren werd Jan overgebracht naar de Koepelgevangenis in Arnhem. Hier zaten vele lotgenoten. Zo was daar ook ds .Slomp (beter bekend onder de schuilnaam Frits de Zwerver). Dit nu was een geluk voor Jan want zijn broer Geert zocht contact met de andere verzetslieden. Zo kwam Geert in contact met de K.P. leider Bop Scheepstra. Op 11 mei 1944 werden de gevangen uit de Koepel bevrijd, wel met medewerking van een paar gevangenisbewakers, deze moesten hierdoor zelf ook onderduiken.”
Al in het begin van het verzet in Vollenhove en Sint Jansklooster waren
daarnaast betrokken dominee J.P. Honnef (Karel), notaris J.J.J. van Kluijve,
Evert van der Linde, de aannemers en gebroeders Harm en Marten Kingma en de
gereformeerde dominee J. Wolven (uit Sint Jansklooster). De groep hield zich
vooral bezig met het onderbrengen van Joden, met hulpverlening aan onderduikers
en met het verstrekken van distributiekaarten. Later kwam daar de hulpverlening
bij, die aan piloten werd verleend.
Evert van de Linde was de kassier van de Boerenleenbank in de Moespot, die
tijdens de oorlog op de fiets de polder introk om financiële adviezen aan boeren
in spé te geven en om aan arbeiders in de werkkampen de mogelijkheid te bieden
van het karig verdiende loon nog wat spaargeld te reserveren.
Marten Kingma, directeur van een aannemersbedrijf, dat o.a. betrokken was bij de
bouw van boerderijen in de polder, was de centrale figuur. Over het leiderschap
was niets geregeld, maar hij was zonder enige twijfel de natuurlijke leider van
de groep.
Toen het in juli 1944 te gevaarlijk werd voor hem, moest hij zelf onderduiken en
met hem de hele familie. De andere groepsleden hebben toen zijn huis leeggehaald
om te voorkomen dat de bezetter de spullen in beslag zou nemen. Na de oorlog
konden ze hem de hele inventaris weer ter hand stellen.
De samenwerking tussen deze groep en die van Tjadens-Stoker is niet altijd
optimaal geweest. Dit is niet onbegrijpelijk gezien de spanningen waaronder men
moest werken.
In de tweede helft van 1943 werden alle plaatselijke en regionale KnokPloegen gebundeld in de Landelijke KnokPloegen. Deze organisatie hield zich vooral bezig met gewapende overvallen en sabotagedaden tegen de Duitse bezetters. De LKP werd op 5 september 1944 opgenomen in de Nederlandse Binnenlandsche Strijdkrachten (NBS). De knokploegen zijn meestal voortgekomen uit het LO-werk.
In het rapport van de Marechaussee te Vollenhove over november 1943 wordt melding gemaakt van het doorsnijden van telefoonlijnen tussen Duitse posten langs de dijk Blokzijl-Kuinre. Vooral in de Noordoostpolder werd veel sabotage gepleegd. Auto's van de Wieringermeerdirectie of van anderen werden verdonkeremaand als men wist dat de Duitsers deze in beslag zouden nemen. Zij werden verstopt onder stroklampen in de polder, bij Klaas de Lange in de Leeuwte of in de watertoren te Sint-Jansklooster. Toen de Duitsers tegen het einde van de oorlog draglines uit de polder wilden verplaatsen voor werkzaamheden aan hun verdedigingslinies, nam de illegaliteit de vitale delen van de motoren weg om ze onbruikbaar te maken.
Op zaterdag 6 november 1943 vond brandstichting plaats in het bijkantoor van het Gewestelijk Arbeidsbureau in de Groenestraat in Vollenhove. Het moet een poging geweest zijn om de administratie te vernietigen. Uit het proces-verbaal, dat zich in het archief van de plaatselijk politie bevindt, blijkt dat de belangrijkste administratieve bescheiden behouden zijn gebleven omdat deze zich ten tijde van de brand in het gemeentehuis van Vollenhove bevonden. De daders van deze brandstichting zijn onbekend gebleven.
Er zijn twee overvallen gepleegd op het distributiekantoor aan de Kloosterweg in Sint-Jansklooster. De eerste vond plaats op 10 september 1943. Kort na sluitingstijd drongen vier gemaskerde mannen het kantoor binnen en dwongen het nog aanwezige personeel onder bedreiging van pistolen de aanwezige distributiebescheiden aan hen af te geven. De overvallers vulden hun tassen en reden in een zwarte personenauto met een vervalste kentekenplaat richting Giethoorn. Bij de Blauwe Hand lieten ze hun voertuig achter en stapten over in de Noordwesthoekbus, die weer richting Sint-Jansklooster ging. Zij zouden bij De Krieger uitgestapt zijn en met de pont naar Genemuiden gegaan zijn. Later werd vernomen, dat de mannen uit Zeeland afkomstig waren.
In de nacht van 17 op 18 juli 1944 werd het kantoor voor de tweede maal
beroofd. Hoewel opperwachtmeester Harmen Visser daags daarna een gedetailleerd
proces-verbaal opmaakte voor de Sicherheitsdienst (SD), waarin hij van een
overval gewag maakte, was het hele geval door hem zelf in scène gezet. Hij was
die nacht namelijk het kantoor binnengegaan, samen met Maria Weijs-van Renes en
Geert Stoker om distributiebescheiden te bemachtigen voor de illegaliteit.
Mevrouw Weijs woonde tegenover het kantoor. Zij werkte als caissière en was in
het bezit van de sleutels. Om de zaak op een inbraak te doen lijken had Visser
een in een jas gewikkelde steen door een ruit van het kantoor gegooid.
Leden van de groep rond Geert Stoker (Sietse) hebben in april 1944 het
distributiekantoor van Oldemarkt overvallen. Daarbij werden 13.000 bonkaarten
buitgemaakt. Zij waren de Meppeler KP, die ook een overval op dat kantoor
beraamde, juist voor, naar achteraf bleek.
Een
Lancaster bommenwerper stortte op 3 januari 1944 neer bij wat nu de Lindeweg
heet, tussen Marknesse en Emmeloord in de Noordoostpolder. Een klein monument op
die plek herinnert hier aan. Vier van de bemanningsleden zijn in Vollenhove
begraven: de 20-jarige Australische piloot Jack Weatherill, de
20-jarige Australische bommenrichter Francis Looney, boordwerktuigkundige Albert
Cowell en de 25-jarige Australische boordschutter Colin Hemingway (zie ook
hier).
Bijna vier weken later, op 30 januari, stortte enkele kilometers daarvandaan op
nieuw een Lancaster in het water. In 1973 werden daar nog enkele resten van
gevonden. Van de bemanning ontkwam er één, werd een ander krijgsgevangen gemaakt
en sneuvelden er vijf. Ook hun graven worden in Vollenhove goed onderhouden en
jaarlijks op de avond van 4 mei bezocht. Het gaat om de toen 30-jarige Kenneth
Ball, navigator; Edward Shorter (21, boordwerktuigkundige); John Rule, de piloot
uit Nieuw Zeeland, toen 28; de 22-jarige boordschutters John Sloan en George
Race. Teun Schuurman (Pats) is zich in deze mensen gaan verdiepen na het contact
dat hij kreeg met de nabestaanden van een in 1943 omgekomen piloot,
Jack Gibbs
(zie hiervoor, bij 1942-1943). Ook nabestaanden van Jack Weatherill bezochten
Vollenhove.
Een jachtvliegtuig van het type Lockheed Lightning (piloot: overste Frederick Grambo) stortte op 29 februari 1944 neer in de Walengracht en werd deels in 1971 en 15 oktober 1974 geborgen. Op 23 maart 1944 verongelukten twee Amerikaanse B-24 bommenwerpers, zogeheten Liberators (= Bevrijders), doordat zij tijdens het vliegen in een formatie van een vijftigtal toestellen met elkaar in botsing kwamen. Het andere toestel stortte neer in het Boschwiede bij Sint-Jansklooster. Slechts vier van de in totaal negentien bemanningsleden konden zich redden met behulp van hun parachute. Hoewel de Duitsers zeer snel ter plaatse waren en er tevens veel publiek was toegestroomd, kon men toch drie parachutisten afvoeren naar een hoger gelegen terrein, waar ze snel van droge kleren werden voorzien. De crash was gezien door Wicher Rozeboom die naast het meer woonde. Samen met Harm Jordens schoot hij direct te hulp met een roeiboot, pikte de drie op en bracht ze naar het huis van Jannes Ziel. Het ging om Billy B. Boyer (23 jaar), Howard B. King en Robert L. Garrett (25).
Er werd direct een boodschapper naar Vollenhove gestuurd
om Kingma of Muller in te lichten. Deze waren op dat moment niet thuis, zodat
mevrouw Kingma hun chauffeur Meindert Heidema in vertrouwen nam. Deze parkeerde
zijn auto vlak bij de onheilsplek en begon de wagen vol te laden met langs de
weg opgestapeld brandhout, dat bestemd was voor een bakkersoven. Hij zorgde wel,
dat er tegen de cabine een vrije ruimte bleef. Daar zijn de drie toen
ingestapt, waarna ze naar Vollenhove werden vervoerd.
Twee dagen later meldde boer Jacob Boes zich bij de Kingma's. Hij had aan de
Barsbeek de vierde overlevende, de Amerikaan Charles P. Miller (uit Kansas City,
staat Missouri), ontmoet. Die had
zich al die tijd in de kraggen verscholen. Boes had de jonge militair duidelijk
kunnen maken, dat hij te vertrouwen was en had hem daarop met paard en wagen,
onder het stro, mee naar huis genomen en verzorgd. Kingma haalde hem 's nachts
op. Het was gebruikelijk de in dit gebied neergekomen geallieerden via
Vollenhove aan de illegaliteit in Meppel over te dragen, de groep van
Peter van den Hurk . Zo werden ook deze vier
mannen in twee auto's die verschillende routes volgden naar Meppel gebracht.
Daarbij wist één van de chauffeurs ternauwernood met zijn vracht aan een Duitse
wachtpost te ontsnappen. Boyer werd later alsnog krijgsgevangen gemaakt, evenals
Miller die in Antwerpen werd verraden. Ze werden uiteindelijk in hun kamp
bevrijd op respectievelijk 30 april en 2 mei 1945. Garret kwam om op zijn
onderduikadres in België, door een verdwaalde Duitse kogel, op 7 september
1944 - een paar dagen voor hij bevrijd zou worden.
Evert van de Linde: “in april 1946 heb ik een lijstje opgesteld met daarop de
door mij geholpen piloten. De geallieerde inlichtingendiensten hadden om die
informatie gevraagd. Eén van de redenen was de wens om de hulpverleners te
kunnen bedanken. In Vollenhove was de organisatie vooral in handen van de reeds
eerder genoemde Marten Kingma. De te helpen piloten waren afkomstig uit
Friesland, de regio Vollenhove, waartoe ik de Noordoostpolder reken. Zo kreeg ik
zelf. een keer een telefoontje uit de polder of ik een neergeschoten vlieger kon
onderbrengen. Dat gebeurde juist op het moment, dat er al een piloot – Max
Weinstein (crashte met zijn B17 in de buurt van Sneek) - in ons huis was ondergebracht. Toen nummer twee werd gebracht schrok
ik, want de piloot was nog gekleed in vliegeruniform. En het was klaarlichte
dag, de afstand tot het huis was minstens 20 meter, zodat het risico van gezien
te worden erg groot was. Gelukkig gebeurde er niets en kwam hij veilig binnen.
Maar de confrontatie met een landgenoot, met Max dus - deze was van te voren op
de hoogte gesteld - bracht hem grote verwarring. Hij dacht met een verrader van
doen te hebben. De onduidelijkheid was trouwens snel opgelost, toen duidelijk
werd dat beiden afkomstig waren uit New York.
Meestal werden de vluchtelingen enkele dagen later opgehaald en naar Meppel
gebracht en daar op de escapeline naar het zuiden gezet.
Sommigen werden ondergebracht in het ondoordringbare natuurgebied 'de
Wieden'. Het ging dan om boten die in het riet langs bijvoorbeeld de Belterwiede
lagen.
Zo ook vijf mannen waarvan hun B17 bommenwerper 'Sleepy Lagoon' op zondag 28
januari 1945 een noodlanding had gemaakt bij Ossenzijl. Veel mensen, waaronder
kerkgangers, hielpen die zondag om de sporen in de sneeuw van de veilig
neergekomen bemanningsleden voor de Duitsers te verdoezelen. Uiteindelijk werden
er twee krijgsgevangen gemaakt. De genoemde vijf werden in een met hout
afgedekte boot verborgen gehouden tot de bevrijding op 16 april 1945, onder
andere door Arend Rodermond (van de BS groep Vollenhove) en Klaas Wildeboer.
Op de algemene begraafplaats van Vollenhove is een erehof met 12 graven van omgekomen vliegtuigbemanningsleden uit de gehele Gemenebest (dus naast het Verenigd Koninkrijk ook canada, australië en Nieuw Zeeland). Oorspronkelijk waren er ook Amerikanen begraven, maar die zijn na de oorlog overgebracht naar de centrale oorlogsbegraafplaats van de Amerikanen in Nederland te Margraten of in de Verenigde Staten herbegraven. Elk jaar op 4 mei worden de in Vollenhove begraven militairen, als onderdeel van de stille omgang, herdacht. In de Gemenebest is het de gewoonte om alle omgekomen militairen te herdenken op 11-11, Remembrance Day of populair Poppy Day (klaproosdag). De klaproos is het symbool geworden dat wordt gedragen op de kleding van hen die gedenken, en bij de graven wordt gelegd. Sinds enkele jaren wordt ook op 11-11 aandacht aan deze vliegers geschonken, zie www.teunispats.net/poppy-day.htm .
De verzetsgroep Stoker zat in de maag met burgermeester Mr. Crommelin. Burgemeester Mr.Crommelin was burgemeester Mr. W.C. ten Kate in augustus 1940 opgevolgd, die op 1 mei 1940 benoemd was tot burgemeester van Goes. Hij was wel geen N.S.B.er maar goed was hij ook niet, bang voor zijn hachje zoals zo velen dat indertijd waren. Bovendien werden de bevolkingsregisters in het hele land misbruikt door de Duitsers, zo kon men nagaan wie in de leeftijdsgroep viel om naar Duitsland te gaan, om daar in de fabrieken te werken voor de Wehrmacht. Harm Visser stelde dat er voor Vollenhove maar een oplossing was: de burgemeester verzoeken om de papieren van het bevolkingsregister mee te nemen en hem onder te laten duiken.
Nering Bögel: “Op 26-6-1944 gingen we om 19 uur met ons drieën naar de woning
van burgemeester Mr. Crommelin. Harm Visser belde aan (hij was in uniform van
Rijksveldwachter) en ging met Jan Stoker naar binnen. Jan bleef direct achter de
deur staan en Visser ging mee naar binnen. Visser verlangde van de burgermeester
dat hij zou onderduiken en het bevolkingsregister, wat op het gemeentehuis was
zou meenemen, zodat de vijand er geen inzage meer in kon doen. Dit werd door de
burgermeester toegezegd, alleen wilde hij eerst zijn belangrijkste spullen
opslaan, als het kon bij de Baron Sloet van Marxveld in de Achterstraat. Zelf
stond ik met de revolver mijn broekzak klaar tegen over de woning. Voor
eventueel onraad zou ik de bekende (voor ons althans) Jodeliehietieroep doen. Ik
wist dat er een brandalarm in de slaapkamer van het gezin was aangelegd, waarmee
rechtstreeks de bel bij de brandweerlieden thuis ging rinkelen. Voorkomen moest
dan ook worden dat er op de een of andere manier alarm geslagen kon worden.
Gelukkig viel dit allemaal mee. Maar het zweet stond mij die 15 minuten durende
periode dik op mijn voorhoofd en had ik het gevoel dat het wel twee uur had
geduurd. De deur ging eindelijk open en hoorde ik van onze onverschrokken Harm
Visser dat ons doel was bereikt.”
De burgemeester zou over twee dagen met Jan Stoker meegaan om in de buurt van
Hardenberg onder te duiken, daar had Jan inmiddels voor gezorgd. Maar wie
schetst Jan’s verbazing toen ze op het onderduikadres aankwamen en uit de koffer
alleen wat kleding en een scheerkwast met zeep en een scheermesje zaten... maar
helaas geen bevolkingsregister.
Een dag of tien later verscheen Burgemeester Crommelin weer in Schaarweg bij de
familie Voerman. Dat was echter voor zijn eigen rekening, de ondergrondse had
haar best gedaan.
Toen hij zich hiervoor na de oorlog moest verantwoorden op het Provinciehuis in
Zwolle was zijn antwoord: "Wat kan mij Vollenhove verdommen". Als een gewone man
dat had gezegd was hij op staande voet ontslagen. Niets nieuws onder de zon. Het
kan verkeren...
Wat
nu te doen met het bevolkingsregister? Het idee kwam van Geert Stoker, de broer
van Jan. Hij gaf de raad de auto van de familie Nering Bögel, een Chevrolet
Master de Luxe 1938 die in 1940 op blokken was gezet uit de garage te halen en
daarmee naar het gemeentehuis op de Kerkplaats te rijden voor een overval.
Laurent Nering Bögel reed hiervoor speciaal per fiets van Wolvega via Kuinre en
de N.O.P. naar Vollenhove. De accu werd aan de gelijkrichter gezet en de auto
van de blokken gehaald. De volgende dag startte zijn vader de auto en deze sloeg
direct aan. Nering Bögel vond het wel een erge riskante onderneming,er waren
bijna geen auto's in de straten, als het er een was dan was dat een Duitse. Wel
waren er al tweemaal huiszoekingen door de S.D. gedaan maar doordat de garage op
ongeveer een 25 meter achter de nachthokken van de kippenhokken stonden was dit
gelukkig nooit aan hun opgevallen. Wisman kon de auto gelukkig aan de praat
krijgen. “De plank voor over de goot lag in de garage aan de binnenkant tegen de
muur. Deze kon ik er met Jan zo neerleggen. De deuren werden door mij geopend.
Zo konden Geert en Jan wegkarren naar het gemeentehuis. Wel moesten ze langs de
Latijnse School. Deze was tot de vordering bewoond door de familie Nikkels. In
de leslokalen was een textiel fabriekje gevestigd. Nu zat de Kriegsmarine er in
en ook de S.D. zat er vaak, af en toe was er nog een andere Duitse instantie in
gevestigd. Rechts was de deur van het woonhuis waar de familie Nikkels woonde,
deze waren er uitgezet. Een wachtpost voor de deur, dit was wel erg link. De
post die er voor stond was wel ouder dan 50 jaar, maar je wist niet of het een
felle of een anti-Hitler was. In elk geval heeft hij geen alarm geslagen...
Bij het “schuttegien” stond Harmen Visser op de uitkijk. Daar keerden ze de auto
en stopten voor het gemeentehuis. Om 15 uur 15 gingen Jan en Geert naar boven,
onderweg werd de telefoonkabel stukgeknipt met een combinatietang. Ik had hun
verteld waar die langs liep, omdat ik van begin september 1939 tot half juni
1940 er vele malen dagelijks langs kwam als een van de drie ordonnansen”. (de
andere 2 waren Anton Soeters, uit de Kerkstraat - zijn vader had een
kruidenierswinkel - en Dries Nobach, die met zijn zusje en ouders woonden in het
Jacobsonhuis, verhuurd door Baron J.H. Sloet van Marxveld).
Het
postkantoor was toen gevestigd op de Kerkplaats daar waar nu het restaurant ‘De
Cartouwe’ is. De telefooncentrale was toen een handmatige en werd bediend
door de postkantoorhouder, in dit gelukkige geval door de familie Greve. Vaak
deden dit hun dochters Jantine en Gretha. Als er gebeld werd moest de pen met
snoer in het aangevraagde nummer worden gestoken, dan kwam de gewenste
verbinding tot stand. Ook moest de naam van diegene die belde en de tijd worden
genoteerd. De familie Greve was ingelicht met het verzoek geen telefoontjes door
te geven van uit Zwolle met het huis van de familie Nikkels waar de S.D. in zat;
of met het stadhuis.
Boven aangekomen richtte Jan direct zijn revolver op het stadhuispersoneel,
want je kon niet weten of er een mof of ander gespuis aanwezig was. Wel had Harmen
Visser in dat uurtje dat hij daar op wacht stond niets verdachts gezien. Dat
viel dus mee. Een luid gejuich ging er zelfs op. De heren W. Nobach,
gemeentesecretaris, J. Nobach, schrijver, Helderman en Stoffer Oldenhof waren
blij dat er iets gebeurde in Vollenhove - want de distributiebonnen, zeer
geliefd bij het verzet, werden op het oude Gemeentehuis aan de Kloosterweg te
Sint Jansklooster uitgereikt.
Toen het bevolkingsregister in een koffer was gestopt werden de ambtenaren in de
kluis gestopt voor hun eigen "veiligheid".
Hierna zijn Geert en Jan naar beneden gegaan en het bevolkingsregister in de
auto gelegd en ingestapt, motor starten, maar o wee de motor sloeg niet aan! Wat
een paniek, intussen was het l6 uur 45 geworden, tijd dat de mensen uit de Noordoostpolder
kwamen om na hun dagtaak naar huis te gaan. Jan stapte uit de auto en Geert
bleef achter het stuur zitten. Jan vroeg of ze de auto op wilden duwen en zo
kwam de auto gelukkig (onder de neus van de wachtpost voor de zogenaamde Latijnse school)
ongeschonden weer in de garage van Hagensdorp terecht, een paar honderd meter
verderop.
Het zal ongeveer een maand later zijn geweest, dat de onderwijzer meester Breman
(die dus fout was) van de derde en vierde klas van de Openbare Lagere School
zich in zijn vrije tijd meldde op het gemeentehuis om het bevolkingsregister
weer in orde te maken! Wie had ooit zulks durven dromen! Het vervelende was dat
hij van alle kinderen op school de juiste namen, geboortedata en hun adressen
wist. Ook van de School met de Bijbel wist hij helaas veel.
Gelukkig is dit bevolkingsregister nooit klaar gekomen. Wel heeft bij hiervoor
na de bevrijding vast gezeten, dat was tenminste zijn verdiende loon.
Na de oorlog is het originele bevolkingsregister van zijn onderduikadres in
Zwolle op één persoonskaart na ongeschonden teruggekeerd.
Binnen de KP-groep Vollenhove (Oom Willem), werd wel eens gesproken over het in brandsteken van boerderijen van NSB-ers, maar deze plannen werden nooit uitgevoerd. Iemand uit Belt-Schutsloot, die niet bij het verzet betrokken was maar wel fel anti-Duits, vond dat een dergelijke daad toch goed zou zijn. Daar hij niemand kon overhalen mee te gaan, heeft hij in zijn eentje in de zomer van 1944 op een nacht de boerderij van een NSB-er aan de Barsbeek in brand gestoken. Deze actie liep echter danig uit de hand. Door de sterke wind sloeg de brand over naar vier andere boerderijen, waarvan de bewoners part noch deel aan de NSB hadden.
De knokploegen verkregen hun wapens hoofdzakelijk door middel van droppings
uit geallieerde vliegtuigen. Volgens Albert J. Knipmeijer, in dienst bij de
Directie Wieringermeer en tevens de grote organisator en stimulator van de
verzetsbeweging in de Noordoostpolder, zijn daar drie maal wapens gedropt. Als
Harmen Visser via Radio Oranje gecodeerde zinnen hoorde als: "Henri uit Brussel
is rijk" of "Alle vrienden zenden groeten", dan wist de illegaliteit dat binnen
een bepaalde tijd bij een afgesproken plaats een partij wapens neergegooid zou
worden. Men betrok dan posten rond het geplande vangveld en bij de brug bij
Vollenhove, de toegangsweg naar de polder. Overigens is men ook enkele malen
onverrichterzake huiswaarts gekeerd. Eén keer bijvoorbeeld moet een Duitse jager
de lichtseinen, door de verzetsmensen gegeven aan een na¬derend Engels
vliegtuig, hebben waargenomen. Hij vloog namelijk richting polder, waarop de
Britse Lancastermachine rechtsomkeert maakte zonder zijn vrachtje te kunnen
lozen.
Het is vermoedelijk de ontdekking van verstopte wapens geweest, die voor de
Duitsers de aanleiding vormde tot de grote razzia van 17 november 1944 in de
Noordoostpolder en aangrenzende gemeenten, volgens de verzetsman J. van Mechelen
in een interview met de Stichting LO/LKP in 1946.
Voor zover bekend zijn er drie droppings geweest. De eerste was begin september
1944 in de N.O.P bij Lemmer. Hier werd naast wapens en munitie een zender
afgeworpen.
Nering Bögel: “mij is gevraagd om met deze zender te willen werken, voor de
groepen Zuidwest Friesland en de eigen groep van Jan Mulder (Wolvega). Ik heb er
wel even over moeten nadenken, als radioman vond ik het erg interessant. Maar de
Engelse taal was ik niet meester en was bang dat ik op deze manier fouten zou
maken, wat natuurlijk niet kon.”
De tweede dropping vond plaats tussen Vollenhove en Blokzijl, nadat deze
dropping tweemaal was uitgesteld. Ook in de N.O.P., deze wapens zijn vlak na de
razzia’s van 17 november gevonden bij de kleermaker IJspeert in de Kerkstraat
met het gevolg dat dit huis door de S.S. en S.D. met handgranaten werd
opgeblazen.
De derde dropping vond plaats in februari 1945 in de omgeving van Marknesse.
En dan te bedenken dat alles per fiets moest worden vervoerd meest door de dames
koeriersters, waaronder Engelien Boersma. Banden waren meest versleten zo ook de
fietstassen, al dit soort artikelen waren al in geen jaren meer te koop. Want
ook de bezetters waren tuk op fietsen en banden. Als ze lek raakten moest men
lopend naar huis want ook solution of plakkers waren er zo goed als nergens meer
in voorraad. Daar is door de dames heel wat afgezwoegd en gehuild.
Ten westen van Overijssel is tussen 1937 en 1942 de tweede grote polder van
het Zuiderzeeproject drooggelegd, de Noordoostpolder. De nieuwe polder valt in
1942 droog. Gedurende de oorlogsjaren biedt het werk in de Noordoostpolder velen
een mogelijkheid om aan tewerkstelling in Duitsland te ontkomen.
Het gedeelte waar nu de dorpen Luttelgeest, Marknesse, Kraggenburg en Ens
liggen, wordt het eerst in cultuur gebracht. Houten barakken dienen als
onderkomen voor de pioniers. De arbeid is er zwaar, het leven eentonig.
Desondanks stromen vanaf begin 1943 veel werklustigen toe: studenten,
ex-militairen en arbeiders die zo aan tewerkstelling in Duitsland willen
ontsnappen. De Duitsers weten er wel van, maar vinden het project zozeer de
moeite waard dat ze niet ingrijpen. Naar schatting zijn er in de polder 20.000
onderduikers geweest. Hieraan dankt de Noordoostpolder, bekend onder de
afkorting NOP, de bijnaam Nederlands Onderduikers Paradijs.
Bij het naderen van het einde van de Tweede Wereldoorlog kampt Duitsland met een
steeds groter tekort aan arbeidskrachten. Vaker dan ooit zien mensen echter kans
de dwangarbeid te ontduiken. Het is de bezetters bekend dat vooral de
Noordoostpolder een broedplaats van onderduikers is.
Op 6 augustus 1944 vond in de N.O.P. de eerste razzia plaats. Er werden toen een
2100 mannen opgepakt en naar Valkenburg vervoerd. Nering Bögel: “Wat daar gedaan
moest worden kon ik helaas niet achterhalen, wel weet ik dat de mensen daar goed
zijn ontvangen en dat er daar een aantal aan de Duitse slavernij zijn ontkomen
en zich hebben kunnen verschuilen met behulp van de bevolking in de
mergelgrotten,waar de Duitsers zelf niet in durfden te gaan, bang te verdwalen
of door een daar werkzame verzetsgroep gevangen genomen te worden. Er zijn
echter van die onderduikers geweest die later zware psychische klachten kregen.”
Bij de tweede razzia op 17 november door een enorme grote groep Duitsers en
sympatiserende Nederlanders (S.S.-ers) gehouden werden 5100 mannen opgepakt.
Alles moesten de mensen in de steek laten, paarden waarmee men op het land mee
bezig was te werken moesten op stal gezet worden en men mocht alleen wat eten en
een deken meenemen.
Ook Joop Klappe uit Kampen, werkte in de polder en werd afgevoerd. Hij kwam via
de polderbrug in Vollenhove terecht. Nellie Konter, dochter van palingroker
Konter (Ruimzeezicht), zijn latere vrouw, zag hem bij de polderbrug -
gewaarschuwd door de enorme stoet mensen die zo uit de polder werden weggevoerd
- en wist hem nog een warme deken aan te reiken. Hij kwam in Duitsland terecht
maar mocht begin 1945 enkele dagen op verlof naar huis en is vervolgens
ondergedoken.
In
Vollenhove
waren het Nutsgebouw in de Bentstraat, de openbare lagere school in
de Achterstraat (nu de Bisschopstraat) en de School met de Bijbel
in de
Kerkstraat (even voorbij het Hollandse Plein) volgepropt met gevangen genomen
mannen. Dit waren zeer ongunstige omstandigheden voor deze mensen. Er waren
onvoldoende WC’s en helemaal geen wastafels om je een beetje op te kunnen
frissen. Gelukkig kwam wel het Rode Kruis in touw, maar die konden al die mensen
niet voldoende verzorgen, daar waren het er veel te veel voor. Gelukkig konden
hier nog een aantal mensen ontsnappen, mede door de mensen van het Rode Kruis
die de mannen met brancards naar het ziekenhuisje in “de Laagte” brachten.
Ook dankzij de onvolprezen en zich uitslovende N.O.P. dokter Zwarteveen, de baas
van het ziekenhuisje in Vollenhove konden er nog gelukkig een aantal ontsnappen.
Onderweg was dit erg moeilijk, tegenover zoveel soldaten begin je nu eenmaal
niet zoveel.
De eerste groep die van uit Vollenhove vertrok, ging te voet onder begeleiding
van Duitse militairen via Sint Jansklooster, de Ronduite, de Wittebrug, de
Blauwe Hand, Wanneperveen door naar het station in Meppel. Daar moesten ze in
veewagens met gesloten deuren naar Groningen en zo door naar Duitsland.. De
Veeneweg stond al grotendeels onder water, doordat de sluis bij Beukers open was
gezet, met een Duitse wachtpost erbij, zodat deze niet door de inwoners van
Wanneperveen weer dichtgezet zou worden. De volgende dag kon die tocht niet meer
worden gemaakt, doordat men bevolen had de sluis bij Beukers open te doen om zo
in de gehele Belt en Schutsloot de landerijen onder water moesten komen te
staan. Dit ging alleen nog via het kleine sluisje, zo kwam het water van het
Meppelerdiep in het gebied van het waterschap Vollenhove.
De tweede groep ging toen via de Oldenhof, de Krieger, 't Zielje, de Noorde -
waar o.a. een jongedame stond die in opdracht van haar moeder levensmiddelen
uitdeelde aan de uitgehongerde mannen. In de nauwe straten van Zwartsluis kregen
de zwaarbewaakte mannen o.a. appels en brood, maar ook stonden er vaak deuren op
een kier, of stonden de inwoners klaar om als de zwaar bewapende Duitse soldaten
het niet zagen mensen van de straat te plukken. Zo konden velen van de tweede
groep mensen ontkomen aan verplaatsing naar Duitsland via Groningen, Winschoten
en bij Nieuweschans de grens over.
Bij de derde groep was de ontsnapping nog moeilijker. Van al deze mannen kwamen
er ruim 3000 mannen in Duitsland aan. Velen komen terecht in Haren, waar ze
graafwerkzaamheden moeten verrichten. Via Oldenburg, waar veel van de voormalige
onderduikers onder bedreiging worden ingelijfd bij Duitse krijgsdienst, komen ze
o.a. uiteindelijk in Berlijn terecht.
Er werden van deze mannen ook velen in het Duitse leger ingezet, o.a. als
verdediger van de treinen met zware wapens, meestal op vier Duitsers twee
Nederlanders.
Reinier ten Napel uit Kampen: "Ik werkte ‘veilig’ in een bedrijf in Kampen
dat nauwe contacten had met net verzet. In september 1944 liep het fout en
moesten alle personeelsleden onderduiken. Zo kwam ik via het Kampereiland, waar
ik aanvankelijk bij familie was ondergedoken, inde polder terecht.
Ik werd paardenknecht bij domeinboer Löhr in de buurt van kamp Oostvaart. Mijn
kennis van machines kwam me goed van pas. De morgen van de l7de november begon
heel gewoon. Aangekomen bij de boerderij, waar ik al het voorkomende werk moest
doen zoals eggen, ploegen, met de cultivator werken en een vracht bieten of
aardappels naar Marknesse brengen, zou ik, zoals gewoonlijk, van de ploegbaas
horen wat er die dag moest gebeuren. Op die bewuste morgen kwam hij iets later
dan gewoonlijk uit Blokzijl. Toen hij arriveerde vertelde hij aangehouden te
zijn door Duitsers bij de ingang van de polder, maar dat hij toch was
doorgelaten. Ik hoorde het verhaal met verbazing aan. Maar tijd om erover na te
denken was er niet. Het was wat nevelig en plotseling werd ons toegeschreeuwd: 'hände
hoch'. Soldaten, lopend in gevechtslinie, kwamen op ons af.
Alle jongens en mannen werden in enkele polderkampen verzameld en na selectie -
wie vrijuit kon gaan had geluk en mocht weg - op transport gezet. Zonder eten en
drinken ging het in looppas richting Vollenhove. Bij het verlaten van de
barakken konden we de zwijnentroep nog zien: verspreid liggende etensresten en
omver geschopte tafels en stoelen. Echt een zwijnenstal! Bij de brug naar
Vollenhove stonden enkele Duitse officieren, die bepaalde mensen selecteerden en
uit de groep lieten stappen. Daarop werden ze afgevoerd."
Jac de Graaf groef in 1944 lange greppels in de polderklei. Schep na schep, 9
cent per strekkende meter. Zijn maat was de acht jaar jongere Jaap Bosma, zoon
van de chef Werkplaats van het kamp Vollenhove. Ze hadden lol, leden honger,
versierden meisjes op Urk, verstopten Engelse piloten. In strobalen verdwenen
wapens naar Friesland. Jaap Bosma verhuisde met zijn vader mee. Kees Lautenbach
dook onder in de polder, nadat hij was gedeserteerd uit een Duits werkkamp waar
hij vanaf 1942 had moeten werken. Lautenbach bracht als vrachtwagenchauffeur
eten en materialen rond.
Aangenomen wordt dat de Duitsers al langer op de hoogte waren; het nut voor de
voedselvoorziening en wellicht het feit dat onderduikers zich in het
uitgestrekte begroeide gebied gemakkelijk konden verschuilen, zou hen ertoe
hebben gebracht de zaak maar zo te laten. Naarmate de oorlog vorderde, kwamen de
afwegingen echter anders te liggen: er werden activiteiten van de ondergrondse
vermoed - waaronder geallieerde wapendroppings - en in Duitsland waren meer
dwangarbeiders nodig. Dus marcheerde SS- und Polizeiführer Rauter uiteindelijk
op een regenachtige vrijdagochtend met vierduizend man de klei in.
"Zo rond kwart over vier. half vijf was er een enorm geram op de deuren van de
barak," vertelt De Graaff. "Toen kwamen ze binnen, granaten aan de riem met op
de gesp dat 'God zij met ons' op z'n Duits, geweren in de aanslag. We waren
verstijfd."
De bosbouwer was in de zomer van 1943 naar de polder gekomen. Hij had zich in de
buurt van Schagen, waarhij woonde, bezig gehouden met onderduikershulp en
illegale blaadjes. Toen de Duitsers begonnen aan hun kustverdediging en hij geen
zin had dwangarbeider te worden, hielp een relatie hem aan een licht gewijzigde
identiteit: landarbeider, ingedeeld in de NOP.
"Begin augustus waren we ook al opgepakt. Daarbij is een kameraad van me
omgekomen. We moesten in een rij voor de barak gaan staan, maar hij dook nog
gauw even naar binnen om zijn portefeuille te pakken. Ze schoten hem gewoon in
zijn lijf en lieten hem op de grond liggen. Een jongen met een bochel werd tegen
de muur gekwakt omdat ze dachten dat hij een zender op zijn rug had."
Op donderdag 17 november 1944 werden in alle vroegte honderden Duitsers per boot
gedropt langs de IJsselmeerkust. Wehrmachtsoldaten, Grüne Polizei,
Sicherheitspolizei en Nederlandse en Duitse SS'ers. Ze stonden onder leiding van
Rauter, de 'Generalkommissar für das Sicherheitswesen'. Met boten kwamen ze aan
bij Ramspol, de Zwartemeerdijk, Kadoelen, Vollenhove en Blokzijl. De Graaf weet
nog goed hoe de soldaten het kamp bij Vollenhove bereikten. 'Ze hadden
handgranaten tussen de broekriem en het geweer in de aanslag. Jongens waren het
nog. Snotneuzen van zestien, zeventien jaar. En foute Hollanders, die zaten er
ook tussen'.
De Graaf, Bosma en Lautenbach werden alledrie naar Vollenhove gedreven. Monteur
Jaap Bosma zat helemaal in het kamp Ramspol en moest het hele eind lopen. Kees
Lautenbach, de chauffeur ('Als je het woord schop tegen me zegt, schiet het me
al in de rug') zat in het kamp Lemmer en moest te voet via Kuinre naar het
zuiden. Donderdagavond laat kwamen ze elkaar tegen in de Vollenhover
basisschool.
Hij vertelt over de Vollenhover school, waarin op de dag van de razzia de bijna
tweeduizend opgepakte polderwerkers werden gepropt. 'Een vréselijke drukte. De
lokalen, de gang, alles zat vol. De pastoor uit Marknesse liep het gewoon uit de
broek, de urine stroomde door de gangen. Pas de volgende ochtend mocht je vijf
aan vijf even naar buiten om te luchten'.
De Graaf: 'We stootten mekaar aan. 'Jac', zei Jaap. 'Jac, als we gaan, dan gaan
we samen’. Bosma en De Graaf brachten een nacht door in de Vollenhover school.
Ze probeerden te vluchten. Eerst door de luchtkoker van het toilet, maar er
zaten Duitsers op het dak. Later op het schoolplein nog een keer. De poging
mislukte. Bosma: 'Je werd zonder pardon neergeschoten'.
Op vrijdag de achttiende ging het lopend naar Meppel, 27 kilometer in de
stromende regen. Het spoelde uit de lucht. De Graaf, fel: 'Op een dijkje langs
de weg stond. ineens een auto met daarin generaal Rauter. Met een vertrokken
grimas op het gezicht keek hij hoe wij de weg af liepen. Vreselijk'. Hij balt
zijn vuisten.
Het moet een vreemde optocht zijn geweest. Tijdens de wandeling wisten
tientallen mannen te vluchtten. Toen ze door het dorpje Zwartsluis liepen, weet
Bosma nog, zetten de mensen de deur van hun huis open. 'Jongens die het lef
hadden liepen gewoon een huiskamer binnen. En een ander, ik zie het nog zo voor
me, liep doodgemoedereerd een ladder op. D'r stond langs de weg net een schilder
het dak te verven'.
In Meppel werden de overgeblevenen in de Catharinaschool ondergebracht. 's
Avonds was er snert van het Rode Kruis. Bosma: 'Verrukkelijke snert. We waren
doodmoe en kletsnat. Twee dagen lopen en twee dagen geen eten'. Op de grond van
de lokalen lag stro. De pastoor uit Marknesse trakteerde op een sigaret.
Amper waren Bosma en De Graaf. de vermoeienissen kwijt, of er stapte een meisje
op hen af, Grada Kamphorst van de ondergrondse. 'Die zegt: 'Jullie willen niet
naar Duitsland hè?' Ze zei: 'Dat komt voor mekaar'. Even later kwam ze terug met
een bundeltje dameskleren'.
Een kapper uit Kampen maakte de mannen glad van boven. Raar vonden de Duitsers
dat niet; het was in de school een komen en gaan van vrouwen en meisjes die eten
en warme kleren kwamen brengen. In de WC kleedden Bosma en De Graaf zich om.
Bange minuten waren dat. 'De school had van die lange stenen gangen. Je hoorde
heel goed het geluid van de Duitse laarzen aankomen èn weer wegsterven. Op een
gegeven moment vond zo'n soldaat dat we wel èrg lang met z'n tweeën in het
herentoilet zaten. 'Komm raus! Komm rausl' riep hij maar.
Uiteindelijk was de kust veilig. 'We stapten keurig netjes naar beneden, de trap
af. Grada had ons gezegd dat we wel vrouwelijk moesten lopen. Draaien met het
achterwerk, kleine stapjes, de hand op de borst om een boezem te krijgen. We
knepen 'm als de ziekte'. Halverwege de trap stond de pastoor uit Marknesse. Hij
was de enige die wist van de vluchtactie. Bosma klopte hem op de schouder. 'Ik
hoor iemand nog minachtend zeggen: Dat zijn ook geen meidenmanieren!'
Tussen wat kakelende moeders in stapten Bosma en De Graaf de Meppelse school
uit. Met een piepstemmetje vroegen ze buiten iemand waar Sluisgracht nummer 8
was, het adres dat ze van Grada hadden gekregen. Zo ontkwamen ze. Een uur
voordat de trein uit Meppel vertrok. Van de dik tweeduizend opgepakte werkers
wisten er onderweg een kleine tweehonderd te vluchten.
Algemeen wordt aangenomen, dat van degenen die bij deze razzia zijn opgepakt,
enkelen inlichtingen over de illegaliteit aan de Sicherheitsdienst hebben
gegeven. Een feit is, dat nog in dezelfde maand enkele verzetsmensen
gearresteerd werden. De eersten die naar de SD-gevangenis in Steenwijk en
vandaar naar Heerenveen werden overgebracht waren uit Vollenhove notaris Van
Kluijve en kleermaker Piet IJspeert (Ome Piet), met o.a. zijn broer Jan.
De Duitsers, die al het huis van buurman notaris J.J.J.van Kluyve geconfisqueerd
hadden, proberen dan het huis van IJspeert in brand te steken door een aantal
granaten bij de achterpui naar binnen te gooien. Een dreigende brand in de
'meidenkamer' (westelijke slaapkamer achter) werd door oplettendheid van buurman
Kwakman geblust.
Op dat moment hadden zij de schuilplaats van het Joodse echtpaar Aärons in de
nok van het huis echter nog niet ontdekt. Deze onderduikers hadden met
achterlating van hun bezittingen op het nippertje kunnen vluchten. Om te
voorkomen dat deze spullen door de SD als belastend materiaal tegen IJspeert
gebruikt zou worden, gaf Harmen Visser de KP-ers Roel en Henk Buimer en Hein
Rosema opdracht de sporen uit te wissen. Dit is hen gelukt.
IJspeert komt op 15 april 1945 vrij en krijgt, met echtgenote Jans, onderdak in
Oldruitenborgh. Zij bewonen de achterkeuken, de opkamer en de Koningskamer. Het
onderduikerpaar Aärons, dat de oorlog had overleefd en de leiding van de
BS-groep overneemt na het sneuvelen van Harm Visser, voegt zich aldaar bij
IJspeert.
Een ander verlies, maar dan definitief, was het wegvallen van ds. Tjadens, de
leider van het eerste uur - vanaf het moment dat hij in augustus 1941 als
gereformeerd predikant uit Amsterdam naar Vollenhove kwam. Hij kreeg difterie
en werd opgenomen in de zogenaamde difteriebarakken, zo’n 500 meter over de
polderbrug aan wat nu de Repelweg heet. Op 21 november 1944 overleed hij, 32
jaar oud, en werd op 25 november in Vollenhove begraven.
"Zware jongens" onder de onderduikers konden met medewerking van dokter
Zwarteveen, verbonden aan het in Vollenhove staande noodziekenhuis voor de
Noordoostpolder, wel eens ondergebracht worden in deze difteriebarak waarvan de
Duitsers op behoorlijke afstand bleven. De zeer besmettelijke en gevaarlijke
keelaandoening difteritis kwam namelijk in de oorlogsjaren vrij veel voor. Het
was deze ziekte die ds. Tjadens fataal werd. Mensen van de illegaliteit konden
in het noodziekenhuis overigens soms ziekenbriefjes krijgen, met behulp waarvan
men veilig kon reizen.
Op 14 december 1944 werd Harmen Visser gearresteerd en eveneens naar de gevangenis in Steenwijk gebracht. De Meppeler KP heeft zonder resultaat nog geprobeerd hem te bevrijden. In de nacht van 20 op 21 januari 1945 echter gelukte het Visser op eigen houtje te ontsnappen door zich door een klein raampje te wringen. Gecamoufleerd met een laken wist hij ongemerkt in de sneeuw weg te komen. Hij dook onder in de boerderij van Tante Hillechien in Kadoelen. Hij nam het verzetswerk direct weer op, nu als commandant van de groep Vollenhove van de Nederlandsche Binnenlandsche Strijdkrachten, de B.S. zoals de KP-Oom Willem zich voortaan mocht noemen en hielp de geallieerden zodoende mee de Duitsers te verdrijven.
Met name in de laatste oorlogswinter werd het overal moeilijk om aan voedsel
te komen, ook in Vollenhove. Aan de overkant van de geul lag de opslagplaats van
graan en andere landbouwproducten uit de polder, klaar om naar Duitsland
vervoerd te worden. Jan Konter, zoon van palingroker Konter en wonend in
Ruimzeezicht, slaagde er meerdere malen in om daaruit een deel voor eigen
gebruik van de familie weg te halen. Met zijn bootje was het een korte
oversteek, en op de terugweg nam hij onder de boot nog hout mee als brandstof.
Van het graan werd pap gekookt, onder andere voor de kinderen van Jo die op de
vlucht voor de bombardementen in haar woonplaats Hengelo lopend, met de
kinderen, naar Vollenhove was gekomen en onderdak bij haar ouders vond. Ze
sliepen in de kamer.
De ‘oorlogsbuit’ was niet altijd even zuiver. Van buitgemaakte erwten werd
weliswaar een heerlijke ‘snert’ gekookt, maar iedereen die er van gegeten had
moest ’s nachts zeer regelmatig naar de WC – zo veel, dat ze uiteindelijk maar
naast de WC bleven bivakkeren. Hiermee werd een spreekwoord weer eens waarheid:
gestolen goed gedijt niet…
BurgerslachtoffersDoor de strijd in de lucht en op de grond vielen ook slachtoffers onder de plaatselijke burgerbevolking. Zo kwam Niesje Edelenbos, hiernaast op een schoolfoto, om het leven op 24 maart 1945 toen ze bij de Oldenhof door een verdwaalde kogel werd geraakt. Ze was met haar moeder (Henna Spek?) aan het hout sprokkelen. Ze werd in de rug geraakt door een kogel uit de mitrailleur van een geallieerde jager (jachtvliegtuigen), vermoedelijk van het 308 Squadron - Poolse Luchtmacht (PAF) - onder commando van de RAF met als basis Gilze-Rijen. Geallieerde jagers waren in die tijd voortdurend op zoek naar Duitse transportvoertuigen. Deze piloot beschoot een vrachtauto, die uit de Noordoostpolder kwam en op weg was naar Zwartsluis. Ergens in de buurt van de splitsing naar de Halleweg vond deze aanval plaats. Zowel de chauffeur van de vrachtauto als mensen in de buurt doken in de berm, waar op veel plaatsen speciale dekkingsgaten waren gegraven. Voor Niesje was het al te laat, ze was direct dood. Op haar borst had ze een wond zo groot als een soepbord, vertelde een ooggetuige, die op de boerderij van Haasjes bij de Oldenhof werkte. Dokter Jansen werd nog gewaarschuwd en kwam met zijn auto, maar dat mocht dus niet meer baten.
Enkele dagen voor de bevrijding stuitte de Vollenhoofse B.S. onverwacht op een groepje Duitse soldaten, die vanuit café De Krieger begonnen te schieten. De B.S.-ers gingen in dekking en beantwoordden het vuur. Plotseling werd geroepen: "Nicht mehr schiessen, ich bin verwundet". Hierop werden twee Duitse soldaten aangehouden die dachten in handen van Canadezen gevallen te zijn. Zij raakten in paniek toen hen duidelijk werd met wie zij werkelijk te doen hadden. "Ihr seid Partisanen und werdet uns töten" riepen zij angstig. De partizanen brachten hen echter naar dokter B.D. Punselie, die op een boerderij in Barsbeek een kogel uit het lichaam van de gewonde Duitser verwijderde. Bij (Lange) Willem Weijs in Sint-Jansklooster - "daar kon ook alles" - werden de wapens opgeslagen en kreeg men koffie. "Voor zover je nog van koffie kon spreken in die tijd" vulde Weijs later zelf aan.
Zondag 15 april 1945. Het is acht uur in de morgen als Wim de Oude (13) door
z'n moeder wordt gewekt: 'Kom eruit'. Hij stommelt naar het raam en beziet vanaf
de eerste verdieping het tafereel op het Kerkplein. Zwaar bewapend staat daar de
voltallige verzetsgroep onder leiding van de commandant
Harmen Visser, de
plaatselijke opperwachtmeester van de Marechaussee. 'Je zag hen normaal nooit,
ze werkten vanaf een in het riet verscholen boot in de Beulaker'. Hij wist
genoeg: Vollenhove was bevrijd.
Hij ervoer het aanvankelijk als een vreemde dag. De verzetsgroep verspreidde
zich in groepjes door het stadje om te zoeken naar overgebleven Duitsers. Maar
in de Duitse broeinesten (de Franse School, de notariswoning aan de Kerkstraat
en Old Ruitenborgh) werd niemand meer aangetroffen. SD'ers, leden van de Grüne
Polizei en de Kriegsmarine bleken al lang en breed te zijn gevlucht. Wel werden
in de stad NSB'ers (o.a. dokter Jansen en zijn vrouw), twee S.S.ers en andere 'verdachten' opgepakt om in
afwachting van de Canadezen te worden ondergebracht in het
Nutsgebouw, waar Hein
Rozema de leiding had. ‘s Avonds tegen half acht kwamen de Canadezen in twee
rammelende gevechtsvoertuigen. Het nieuws ging als een lopend vuurtje door de
straten en niet veel later barstte op het Kerkplein een geweldig feest los.
'Dansen en hossen, tot in de late uren. Jongens en meiden in een grote kring.
Echt onvergetelijk'.
Laurent Nering Bögel: “Zo tegen 14.00 uur kreeg ik bericht dat ik om 21.00 uur die avond klaar moest staan om naar Vollenhove te gaan, daar had Ome Willem voor gezorgd. Wie schetst mijn verbazing dat de Wit Boers met een der overgebleven taxi’s mij kwam ophalen in Wolvega. En mijn mond viel helemaal open, want Piet IJspeert de kleermaker-kapper, zo juist uit Crakstate, de gevangenis in Heerenveen, ontslagen en Ds. Honnef en zijn vrouw, die ook ondergedoken hadden gezeten in Wolvega zaten al in de auto!” Bij huize Hagensdorp stapte iedereen uit. Na het bellen werd de deur opengedaan door Harmen Visser, Ome Willem. Er waren zo'n dertigtal jongens in huis, onder andere Coos en Jan de Koning (de latere minister), Arry (Arend) Rodermond.
De volgende dag kwam de domper. Rond Schoterzijl bij Kuinre, dat nog niet was
bevrijd, hielden zich volgens geruchten nog Duitsers en Nederlandse SS'ers op.
In alle vroegte vertrokken de Canadezen en de verzetsgroep om ook hier orde op
zaken te stellen. Ze stuitten onverwacht op een regen van kogels. Toen de
kruitdampen waren opgetrokken lag Harmen Visser dood naast z'n motorfiets. Hij
had jaren gevochten voor de vrijheid, hem was niet vergund ervan te genieten.
De Oude: 'Het was een enorme domper voor Vollenhove. Iedereen kende hem,
iedereen wist hoeveel hij achter de schermen gedaan had, de feeststemming was
ineens voorbij en is later ook niet meer teruggekomen'.
Precies zestig jaar na de bevrijding van Vollenhove, mede door de inspanningen
van de vermetele groep van de Binnenlandse Strijdkrachten onder aanvoering van
Harmen Visser, is op initiatief van Belangenvereniging Vollenhove-Stad het plein
voor de Mariakerk in het centrum naar de verzetsheld vernoemd. 'Hij verdiende
het als geen ander', zegt De Oude.
De groep Vollenhove van de Nederlandse Binnenlandsche Strijdkrachten bestond
tijdens de bevrijdingsdagen uit de volgende personen: (bovenste foto, onder v.l.n.r.) Hein
Rosema, Harry Rodermond, Maarten Slot; (tweede rij, v.l.n.r.) Geert Stoker (met
laarzen), ds. J. P. Honnef, Roel Buimer, Lies Arons-Biallosterski, Bob Arons, Evert van der
Linde, Bernard Jalink, Sergei Iwanowitsch Sokolow, (derde rij v.l.n.r.) Ab Overink (bril),
Iwan Andrejewitsch Zubanow, Jan de Koning, Arend (Arrie) Rodermond, Gerrit Kuperus, (achter v.l.n.r.) Jan van Loon, Henk Buimer.
De bovenste foto van de groep werd gemaakt in de tuin van de
Lindenhorst, waar ze na de oorlog
kantoor hielden. Het gebouw was 'gevorderd' van
dokter Jansen, die als NSB-er
was afgevoerd.